Jeremia 41:1-10
Het is moeilijk te zeggen wat meer verbaast, Gods toelating of het begaan van mensen van zulke laagheden als hier beschreven worden. Zulk een ontaard, barbaars, bloedig werk wordt hier gedaan door mensen, wier geboorte hen riep, mannen van eer te zijn, wier godsdienst hen tot rechtvaardigheid maande, en dat aan mensen van hun eigen volk, van hun eigen godsdienst, en thans hun broeders in de verdrukking, daar zij allen door de macht van de zegevierende Chaldeën onder de druk derzelfde oordelen Gods gebracht waren. En zulks zonder aanleiding, zonder enig uitzicht of voordeel, in koelen bloede, met overleg en list. Wij vinden nauwelijks een voorbeeld van zulke gewetenloze wreedheid in de gehele Schrift, zodat Johannes, toen hij "de vrouw zag, dronken van het bloed van de heiligen, wel mocht zeggen, dat hij zich verwonderde met grote verwondering," Openbaring 17:6. Maar God gedoogde dat ten algehele ondergang van een niet-vernederd volk, dat de maat van zijn ongerechtigheden had volgemeten. Laat dat ons vervullen met verontwaardiging over de goddeloosheid van de mensen en met ontzag van Gods rechtvaardigheid.
I. Ismaël en zijn bende vermoordt eerst verraderlijk Gedalja. Of schoon de koning van Babel hem een groot man had gemaakt en aangesteld tot landvoogd over het veroverde gebied, ofschoon God hem een goed man gemaakt en tot een grote zegen voor zijn land gesteld had en zijn bestuur als het leven uit de dood was toch kon noch het een noch het ander hem vrijwaren. Ismaël was van het koninklijke zaad, vers 1, en daarom naijverig op Gedalja's toenemende grootheid, en woedend, dat hij onder de koning van Babylon een ambt verdiende en aannam. Hij had tien mannen bij zich, die ook van koninklijke zade en oversten des konings waren, met dezelfde kleingeestige jaloersheid bezield als hij zelf, deze waren tevoren bij Gedalja geweest, om zich onder zijn bescherming te stellen, Hoofdstuk 40:8, en kwamen nu terug om hem een bezoek te brengen, zij aten aldaar brood tezamen, te Mispa. Hij betoonde hun edelmoedige gastvrijheid en niet het minste wantrouwen, hoewel Johanan hem gewaarschuwd had. Zij veinsden vriendschap voor hem en lichtten hem niet in, dat hij op zijn hoede moest zijn. Hij was in oprechtheid vriendelijk voor hen en deed wat hij kon om hen goed te ontvangen. Die met hem brood aten, verhieven de verzenen tegen hem. Zij maakten geen twist met hem, maar wachtten de gelegenheid af, dat hij alleen was om hem te vermoorden, vers 2.
II. Zo vermoordden zij ook met het zwaard allen, die zij gewapend vonden, beide Joden en Chaldeën, allen die onder Gedalja enig ambt bekleedden of hem zouden kunnen wreken, vers 3. Als ware er nog niet genoeg bloed van Israëlieten door de Chaldeën gestort, mengden hun eigen oversten het hier met dat van de Chaldeën. De wijnlezers en akkerlieden waren bezig in de velden en wisten niets van het bloedbad, zo behendig was alles overlegd, bedekt gehouden en uitgevoerd.
III. Enkele goede, eerlijke lieden, die wenende opgingen om de verwoesting van Jeruzalem te betreuren, worden door Ismaël naar het midden van de stad gelokt en daar met de overigen om het leven gebracht. Let op.
1. Vanwaar zij kwamen, vers 5 :van Sichem, Silo en Samaria, eens beroemde plaatsen, maar die nu vervallen waren. Zij behoorden tot de tien stammen, maar daar waren er gebleven, die gaarne de God Israëls dienden.
2. Waarheen zij gingen: naar "het huis des Heeren," de tempel te Jeruzalem, van welks verwoesting ze ongetwijfeld gehoord hadden, en bij welks as en puin zij nu hun hulde aan de Heere en Zijn tempel kwamen brengen, opdat hun oog de smart mocht verlevendigen. Zij "hadden medelijden" met haar puin, Psalm 102:15. Zij brachten "spijsoffer en wierook in hun hand" opdat zij, zo zij nog eer. altaar mochten vinden en een priester om de dienst waar te nemen, niet met ledige handen verschenen. Zo niet dan toonden zij ten minste hun goeden wil, gelijk Abraham, toen hij kwam "ter plaatse des altaars," hoewel het altaar weg was. Gods volk was gewend, met vrolijkheid "ten huize des Heeren" op te trekken-maar deze gingen in het gewaad van de treurenden, "de baard afgeschoren en de klederen gescheurd." Gods oordeel riep hen luide op te wenen en rouw te bedrijven, omdat het nu met de trouwe aanhangers van God zo geheel anders stond dan maanden geleden.
3. Hoe zij door Ismaëls verraad in een dodelijken val werden gelokt. Hun nadering vernemende, besloot hij in zijn bloeddorst hen te vermoorden. Hij scheen iedereen te haten, die de naam van Israëliet of het gelaat van een eerlijk man droeg. Hij droeg deze pelgrims naar Jeruzalem een kwaad hart toe om het doel hunner reize, Ismaël ging uit hun tegemoet met geveinsde droefheid, als beweende hij de verwoesting van Jeruzalem niet minder dan zij, en om hen te beproeven, hoe zij Gedalja en diens bestuur gezind waren noodde hij ze in de stad en bevond, dat zij de landvoogd achtten, hetgeen zijn plan om hen te vermoorden, versterkte. Hij zei: "Komt tot Gedalja, de zoon van Ahikam", voorwendende dat zij met hem zouden komen wonen, maar bedoelende, dat zij mee zouden komen om door hem gedood te worden, vers 6. Zij hadden zoveel goeds van Gedalja gehoord, dat zij gaarne nader met hem kennis wilden maken, maar Ismaël toen hij ze in het midden van de stad had, keelde ze (gelijk onze vertaling luidt), vers 7. Ongetwijfeld nam hij hun offeranden weg voor zijn eigen gebruik. Wie voor zo'n moord niet terugdeinst, beeft evenmin voor heiligschennis terug. Wij vinden vermeld waar hij de dode lichamen van deze mannen en van de overige slachtoffers liet, hij wierp ze in het midden des kuils, hij en de mannen, die met hem waren, vers 7, in de kuil die Asa, koning van Juda, lang tevoren had gegraven, in of dicht bij de stad, toen hij Mizpa had gebouwd of versterkt, 1 Koningen 15:22, om een grensvesting te zijn tegenover Baëza, de koning van Israël, en uit vreze voor hem, vers 9. Zie, degenen, die met een goede bedoeling een put graven, weten niet, welk slecht gebruik er ooit van kan worden gemaakt. Hij doodde er zovelen, dat niet voor ieder een afzonderlijk graf kon gedolven worden, of hij achtte hen die eer onwaardig en wierp ze daarom verachtelijk bij elkaar. Onder de laatst ten dode gedoemden waren er toch, die begenadigd werden, niet door zijn medelijden maar door zijn begerigheid op te wekken, vers 8. Zij zeiden tot Ismaël, die, als een onverzadelijke bloedzuiger, op het punt stond, ook hun bloed te vergieten, nadat hun reismakkers al vermoord waren: Dood ons niet, want wij hebben verborgene schatten in het veld, veldvruchten, grote voorraden in de grond verborgen van wat het land oplevert, van tarwe, en gerst, en olie, en honing, bedoelende dat zij het hem alles zouden aanwijzen en overgeven, indien hij hen wilde sparen. "Huid voor huid, al wat een mens heeft, zal hij geven voor zin leven." Dit lokaas werkte. Ismaël spaarde hen, niet uit barmhartigheid, maar uit geldgierigheid. Hier waren rijkdommen bewaard niet tot schade van de eigenaars, Psalm 5:13, zodat zij hun leven verliezen, Job 31:39, maar tot hun voordeel en tot behoud huns levens. Salomo merkt op, dat "het rantsoen voor eens mensen leven soms zijn rijkdom is". Maar degenen, die dus de dood menen om te kopen, als die met een opdracht komt, en bij hem pleiten, zeggende: "Dood ons niet, want wij hebben verborgene schatten in het veld", zullen de dood onverbiddelijk en zichzelf droevig teleurgesteld vinden.
IV. Hij voerde het volk als gevangenen weg. "Des konings dochteren" (die de Chaldeën stil hadden laten blijven waar zij waren, nu ze des konings zonen hadden) en de armen van het land, de wijnlezers en akkerlieden, die aan Gedalja's zorg waren toevertrouwd, werden allen als gevangenen naar het land van de Ammonieten afgevoerd, vers 10. Ismaël bedoelde waarschijnlijk, hen als een geschenk en buit uit deze barbaarse zegepraal de koning van dat volk aan te bieden, die hem tot deze daad had aangezet. Deze sombere historie waarschuwt ons, om zich nimmer in deze wereld veilig te wanen. Het ergst komt soms als wij menen, dat het ergste voorbij is, en het einde van de ene ramp, die wij voor de laatste houden, kan het begin van een nieuwe, misschien van een nog grotere zijn. Deze gevangenen dachten: "Gewis de bitterheid des doods, en van de gevangenschap, is geweken, " en toch stierven sommigen van hen door het zwaard en anderen kwamen in gevangenschap. Als wij ons zelf veilig rekenen en op ons gemak gaan gevoelen, kan verwoesting komen langs een weg, die wij niet gedacht hadden. Menig schip is in de haven vergaan. Aan deze zijde des grafs zijn wij nooit zeker van rust en vrede.