Jeremia 40:7-16
In deze verzen,
I. Breekt een lichtstraal door de wolken boven het overblijfsel van de Joden, dat in het land gelaten was, en een troostrijk vooruitzicht opent zich voor hen, van vrede en rust, na de vele jaren van schrik en ellende, waardoor zij beproefd waren. Wel had Jeremia in zijn profetieën nooit gesproken van goede dagen, die komen zouden, onmiddellijk na de gevankelijke wegvoering, maar de voorzienigheid scheen zo'n verwachting op te wekken en aan te moedigen, en het ongelukkige volk zou als van de dood herrezen zijn. Let op de bijzonderheden.
1. Gedalja, één uit hen, wordt door de koning van Babel tot stadhouder over het land benoemd, vers 7. Om te tonen, dat hij van plan was, hen verder met rust te laten, gaf hij deze post niet aan een van de vorsten van Babel, maar aan een van hun broeders, die, zij konden er zeker van zijn, hun vrede zoeken zou. Hij was de zoon van Ahikam, de zoon van Saphan, een van de vorsten. Wij lezen van zijn vader, Hoofdstuk 26:24, dat hij Jeremia's partij koos tegen het volk. Hij schijnt een man geweest te zijn van grote wijsheid en zacht karakter, en onder wiens bestuur, de weinigen, die overgelaten waren, zeer gelukkig hadden kunnen zijn. De koning van Babel had goede gedachten van hem en stelde vertrouwen in hem, en "had aan hem bevolen allen, die gebleven waren."
2. Er is grote toeloop tot hem van alle kanten, en allen, die na de Joden van de verstrooiing waren, kwamen en stelden zich onder zijn bestuur en bescherming.
a. De aanzienlijken, die gewapend, aan de Chaldeën ontsnapt waren, kwamen en onderwierpen zich rustig aan Gedalja voor hun eigen veiligheid en gemeenschappelijk heil. Verscheidenen worden hier genoemd, vers 8. Zo kwamen zij en hun mannen, hun knechten, hun soldaten, en sterkten zo elkaar, en de koning van Babel had zulke goede gedachten van zijn plaatsvervanger, Gedalja, dat hij niet afgunstig was op hun toeneming in getal, maar eer voldaan ermee.
b. De armen, die door de vlucht naar de naburige landen, van Moab, Ammon en Edom, ontsnapt waren, werden aangelokt door de liefde, die zij hun land toedroegen om er heen terug te keren, zodra zij hoorden, dat Gedalja met het gezag bekleed was, vers 11, 12. Kanaän zelf zou een onveilig onaangenaam land zijn, als er geen bestuur, noch bestuurders waren, en zij, die het innig lief hadden, wilden niet terugkomen, voordat zij daarvan bericht hadden gekregen. Het zou een grote vooruitgang zijn voor hen, die verstrooid waren, weer bijeen te komen, voor hen die in vreemde landen verstrooid waren, bijeen te komen in hun eigen land, voor hen, die onder vreemde koningen stonden, onder een stadhouder van hun eigen volk te staan. Ziehier hoe God in Zijn toorn, gedacht aan Zijn barmhartigheid, en sommigen van hen opnieuw aan een beproeving van hun gehoorzaamheid onderwierp.
3. De grondslag van dit nieuwe bestuur wordt gelegd, en bevestigd door een oorspronkelijke overeenkomst, die Gedalja met een eed, een plechtige eed bevestigde, vers 9. Hij zwoer hun en hun mannen, waarschijnlijk in overeenstemming met de volmacht en bevelen, die hij van de koning van Babel ontvangen had, die hem machtigden deze verzekeringen te geven. a. Zij moesten de heerschappij van de Chaldeën over hun land erkennen. " Komt, zegt Gedalja, vreest niet de Chaldeën te dienen." Vreest niet, dat gij daarmee zondigt. Hoewel de goddelijke wet hun verboden had een verbond te maken met de heidenen, toch had het goddelijk vonnis hem verplicht zich te onderwerpen aan de koning van Babel. Vrees niet voor de smaad en de vernedering, die het zijn zal voor uw volk, het is waar dat God u er toe gebracht heeft, u er aan gebonden heeft, en het is geen schande u daaraan te onderwerpen. Vreest niet voor de gevolgen, alsof het u en de uwen ongelukkig maken zou, neen, gij zult de koning van Babel niet zo'n harde meester vinden, als gij vreest, als gij maar in vrede wilt leven, dan zult gij ook vreedzaam leven, maak `t het bestuur niet lastig en het zal u niet verontrusten. "Dient de koning van Babel, zo zal het u welgaan." Wanneer zij enig bezwaar opwierpen omtrent het brengen van persoonlijke hulde, of voor gevaar vreesden, als de Chaldeën onder hen zouden komen, dan neemt Gedalja op zich, waarschijnlijk op last van de koning van Babel, bij alle gelegenheden voor hen te handelen, en hun verzoeken bij de koning een gunstig oor te doen vinden, vers 10 :En ziet, ik woon te Mizpa, om te staan voor het aangezicht van de Chaldeën, die tot ons zullen komen, om hun hulde te brengen, als er aanleiding toe is, in naam van allen, om bevelen te ontvangen, en om hun schatting te betalen. Alle verkeer tussen hen en de Chaldeën, zal door zijn hand gaan, en, als de Chaldeën zoveel vertrouwen in hem stellen, dan kunnen zijn eigen handelslieden het toch zeker met hem wagen. Gedalja is bereid met een eed te bevestigen, dat hij het zijne zal doen, om hen te beschermen, maar, daar hij geneigd was (zoals vele goede mensen zijn) om al te goed te zijn, verlangde hij geen eed van hen, dat zij hem trouw zouden zijn, anders had hij al het kwaad, dat gebeurde, kunnen voorkomen. Maar, uit bescherming volgt van zelf onderdanigheid, al is er geen eed op gedaan, en door zich aan te sluiten bij Gedalja onderwierpen zij zich metterdaad aan de voorwaarden van bestuur, namelijk dat zij de koning van Babel zouden dienen. Maar,
b. Hoewel zij de heerschappij van de Chaldeën over hun land erkennen, zullen zij toch vrijelijk al de vruchten ervan kunnen genieten, vers 10 :Verzamelt wijn en zomervruchten, en neemt ze voor uw eigen gebruik, doet ze in uw vaten, als voorraad voor de winter, als die in een land van vrede leven en die de arbeid hunner handen horen te eten, ja de arbeid van andere handen, want gij maait, wat gij niet gezaaid hebt. Of misschien waren het producten, die de vruchtbare bodem van zelf opleverde, waarvoor niemand gearbeid had. En zo vinden wij, vers 12, dat zij zeer veel wijn en zomervruchten verzamelden, die namelijk waarvan het op dat ogenblik de tijd was, want de graanoogst was al enige tijd voorbij, toen Jeruzalem genomen werd. Terwijl Gedalja zorgde voor de openbare veiligheid, liet hij hun de voordelen genieten van de algemenen overvloed, en, zover blijkt, vroeg hij geen schatting van hen, want hij zocht niet zijn eigen voordeel, maar het voordeel van velen.
II. Verzamelen zich donkere wolken boven deze staat in wording, en dreigt een vreselijke storm. Hoe spoedig is dit hoopvol vooruitzicht vervlogen! Want als God met Zijn oordeel begint, dan zal Hij voleindigen. Hier wordt ons te verstaan gegeven,
1. Dat Baälis, de koning van de Ammonieten, een bijzonderen wrok voedde jegens Gedalja, en pogingen aanwendde om hem uit de weg te ruimen, hetzij uit boosaardigheid tegen het volk van de Joden, wier toekomstig welzijn hij zelfs haatte, of uit persoonlijken haat tegen Gedalja, vers 14. Sommigen menen dat Baälis betekent: de moeder van de koning van de Ammonieten, of de koningin-moeder, alsof zij de eerste aanlegger van dit bloedig en verraderlijk plan was. Men zou denken, dat dit kleine overblijfsel veilig was, als de grote koning van Babel het beschermde, en toch verongelukt het door de kunstgrepen van deze kleine vorst of vorstin. Gelukkig zijn zij, die de Koning van de koningen op hun zijde hebben. "Die de wijzen vangt in hun arglistigheid," want de grootste aardse koning met al zijn macht kan ons niet beveiligen tegen verraad en bedrog.
2. Dat hij Ismaël, de zoon van Nethanja, gebruikte als het werktuig van zijn boosheid, hem aanhitste om Gedalja te vermoorden, en hem beval heen te gaan en zich bij zijn onderdanen te scharen en trouw te beloven, opdat hij gelegenheid zou hebben, het plan uit te voeren. Niets kon barbaarser zijn dan het plan zelf, en niets lager dan de wijze van uitvoering. Hoe vreselijk bedorven is de menselijke natuur en hoe ontaard (zelfs van hen, die prat gaan op hun hoge afkomst), wanneer zij in staat is de gedachte aan zo'n gruwelijke goddeloosheid voet te geven! Ismaël was van koninklijken zade, en kwam daardoor licht in verzoeking iemand te benijden en te haten, die optrad als heerser in Juda, die niet, zoals hij, van Davids geslacht was, hoewel hij een deel van Davids talenten had.
3. Dat Johanan, een levendig en voortvarend man, dit komplot op het spoor was gekomen, en Gedalja ervan op de hoogte bracht, terwijl hij het toch voor zeker hield dat hij er van weten moest, daar het openlijk bekend was: Weet gij wel? vers 14. Hij sprak er met hem over in `t geheim, in de hoop, dat hij er dan meer aandacht aan schenken zou. Hij bood zijn diensten aan om het te voorkomen, om namelijk Ismaël, wiens naam zelfs hatelijk was bij al het zaad van Izak, uit de weg te ruimen: laat mij Ismaël slaan. "Waarom zou hij u aan het leven slaan?" Hij toonde in deze zaak meer moed en ijver dan verstand en rechtvaardigheid, want, als het wettig is om te doden, ten einde een misdaad te voorkomen, wie zal dan veilig zijn, sinds boosheid altijd het ergste vermoedt.
4. Dat Gedalja, zelf een oprecht man, in geen geval geloof wilde hechten aan het bericht van Ismaëls verraad. Hij zei: Gij spreekt vals van Ismaël. Hij openbaarde hierin meer goedheid van karakter dan verstand, meer van de oprechtheid van de duiven, dan van de voorzichtigheid van de slangen. Vorsten worden lastig voor zichzelf en hun hele omgeving, als zij afgunstig zijn. Koningin Elizabeth zei, dat zij evenmin kwaad wilde geloven van haar volk, als een moeder van haar eigen kinderen, toch hebben velen schipbreuk geleden door al te goedgelovig te zijn ten opzichte van de trouw van die hen omringden.