1 Koningen 15:9-24
Wij hebben hier een kort bericht van de regering van Asa. Wij zullen er de geschiedenis uitvoeriger van beschreven vinden in 2 Kronieken 14, 15 en 16. Hier is:
1. De duur er van: hij regeerde een en veertig jaren te Jeruzalem. In het bericht dat wij hebben omtrent de koningen van Juda bevinden wij, dat het getal van de goede en van de slechte koningen ongeveer gelijk is, maar tot onze vertroosting kunnen wij opmerken, dat de regering van de goede koningen over het algemeen langdurig was, en dat van de slechte kort van duur. Dit in aanmerking nemende, zien wij dat de toestand van Gods kerk in dat tijdvak niet geheel en al zo slecht was, als hij op de eerste aanblik schijnt te zijn. Lengte van de dagen is in de rechterhand van de wijsheid. Eer uw vader, en nog veel meer uw hemelse Vader, opdat uw dagen verlengd worden.
II. Het algemeen goede er van, vers 11. En deed wat recht was in de ogen des Heeren. Datgene is in waarheid recht, wat recht is in de ogen des Heeren. Diegenen zijn beproefd en goedgekeurd, die door Hem geprezen worden. Hij deed gelijk zijn vader David, hield zich dicht aan God en Zijn ingestelde eredienst was er hartelijk en ijverig in, hetgeen hem die eervolle hoedanigheid gaf, dat hij gelijk David was, hoewel hij geen profeet en geen psalmist was, zoals David geweest is. Als wij de genade evenaren van hen, die ons voorgegaan zijn, dan zal dit onze lof zijn bij God, al blijven wij dan ook achter bij hun gaven. Asa was gelijk David, hoewel hij noch zo'n krijgsheld, noch zulk een schrijver was, want zijn hart was volkomen met de Heere al zijn dagen vers 14, dat is: hij was standvastig en met zijn hart in zijn Godsdienst. Hij was oprecht in hetgeen hij deed voor God, zich gestadig er in gelijk blijvend, en hij handelde naar een goed beginsel met een eenvoudig oog op de heerlijkheid Gods.
III. De bijzondere voorbeelden van Asa's Godsvrucht. Zijn tijd was een tijd van reformatie van de zeden, want:
1. Hij nam weg hetgeen kwaad was. Daar begint de reformatie, en zeer veel werk van die aard had hij te doen. Want, hoewel het pas twintig jaren was na de dood van Salomo, dat hij begon te regeren, had zich toch al zeer grof zedenbederf verspreid door het land, en diep wortel geschoten. Onzedelijkheid was het kwaad, dat hij het eerst aantastte, hij nam weg de schandjongens uit het land, hief de bordelen op, immers hoe kan vorst of volk voorspoedig zijn, zolang deze kooien van onreine, vuile vogels, gevaarlijker dan pesthuizen, geduld worden? Daarna trok hij te velde tegen afgoderij, hij deed weg al de afgoden, die zijn vaders gemaakt hadden, vers 12. Daar zijn vaders ze gemaakt hadden was hij te meer bezorgd om ze weg te nemen, ten einde het erfdeel weg te nemen van de vloek, en te voorkomen, dat die ongerechtigheid aan hem en de zijnen bezocht zou worden. Ja meer (en dit strekte hem zeer tot eer en toonde dat zijn hart volkomen met God was) toen hij afgoderij vond aan het hof, heeft hij haar daar uitgeroeid, vers 12. Toen het bleek, dat Maächa zijn moeder, of liever zijn grootmoeder (maar zijn moeder genoemd omdat zij hem in zijn kindsheid had opgevoed) een afgod had in een bos, heeft hij dit volstrekt niet willen dulden of door de vingers zien, hoewel zij zijn moeder zijn grootmoeder, was, er naar alle waarschijnlijkheid zeer aan gehecht was, reeds oud was en dus die afgoderij niet lang meer kon begunstigen en die afgod alleen voor haar eigen gebruik hield. De reformatie moet in het eigen huis beginnen. Slechte praktijken zullen nooit onderdrukt worden in het land, zolang zij ondersteund worden aan het hof. In alle andere dingen zal Asa zijn moeder eren en achten hij heeft haar lief, maar hij heeft God meer lief, en evenals de Leviet, Deuteronomium 33:9, vergeet hij kloekmoedig haar betrekking tot hem, zodra zij zijn plicht in de weg staat. Als zij een afgod dient:
a. Zal haar afgod vernield worden, aan de openbare verachting prijs gegeven, verminkt en tot as verbrand aan de beek Kidron, waarna hij waarschijnlijk, in navolging van Mozes, Exodus 32:20, de as er van op het water strooide, ten teken van zijn verfoeiing van afgoderij, en zijn verontwaardiging er tegen, overal waar hij haar vond. Laat er geen overblijfselen zijn van een hofafgod.
b. Hij zette haar af, dat zij geen koningin ware, of, hij verwijderde haar van de koningin, dat is: van omgang te hebben met zijn vrouw, hij verbande haar van het hof, en beperkte haar tot een stil, eenzaam leven. Zij, die macht hebben, zijn gelukkig als zij haar aldus goed gebruiken.
2. Hij richtte weer op hetgeen goed was, vers 15. Hij bracht in het huis des Heeren de geheiligde dingen, die hijzelf geheiligd had uit de buit van de Ethiopiërs, die hij overwonnen had en die welke zijn vader had geheiligd maar deze had niet lang genoeg geleefd, om ze ingevolge zijn gelofte in het huis des Heeren te brengen. Wij moeten niet alleen aflaten van kwaad te doen, maar leren goed te doen, niet slechts de afgoden van onze ongerechtigheid wegwerpen, maar onszelf met alles wat wij hebben wijden aan Gods eer en heerlijkheid. Als zij, die in hun kindsheid door de doop aan God gewijd werden, het tot hun eigen vrijwillige daad maken om zich aan Hem te geven, en ijverig werkzaam zijn in Zijn dienst, dan is dit een inbrengen van de geheiligde dingen, die zij en hun vaderen geheiligd hebben, het is een noodzakelijke gerechtigheid om aan God te geven wat Godes is.
IV. Zijn staatkundig gedrag. Hij bouwde zelf steden, om zijn volk aan te moedigen en te doen toenemen, vers 23, en anderen uit te nodigen door de gerieflijkheden van woning, om tot hem te komen. En hij was zeer ijverig om Baesa te verhinderen Rama te bouwen, omdat diens doel er mee was, om de gemeenschap af te snijden tussen zijn volk en Jeruzalem, en hen, die in gehoorzaamheid aan God wilden komen om Hem daar te aanbidden daarin te verhinderen. Men moet geen vijand toelaten een grensstad te versterken.
V. De fouten van zijn regering. In beide zaken, waarvoor hij geprezen werd, kwam hij tekort. Aan de beste karakters is nog het een of ander' maar:
1. Heeft hij de afgoden weggenomen. Dat was goed, maar de hoogten werden niet weggenomen, vers 14. Daarin schoot zijn reformatie tekort. Hij nam alle beelden weg, die mededingers waren van de ware God, of valse voorstellingen van Hem, maar de altaren, die op de hoogten waren opgericht en op welke de offers gebracht werden, die op het altaar in de tempel geofferd hadden moeten worden, heeft hij laten staan, denkende dat er geen groot kwaad in was, daar zij toch door Godvruchtige mensen gebruikt zijn geworden voordat de tempel gebouwd was, en daar hij niet onvriendelijk wilde zijn voor het volk, dat er aan gehecht was door gewoonte en gerieflijkheid, terwijl toch in Juda en Benjamin, de enige stammen onder het bestuur en de regering van Asa, die zo dicht bij Jeruzalem en de altaren aldaar waren, minder voorwendsel bestond om ze te hebben, dan in de stammen die op verdere afstand lagen. Zij waren tegen de wet, die hen verplichtte "aan een plaats te aanbidden,' Deuteronomium 12:11. Zij verminderden de achting van de mensen voor de tempel en de altaren aldaar, en waren een open bres, waardoor afgoderij maar al te gemakkelijk binnen kon komen, zolang het volk er zozeer aan overgegeven was. Het was niet goed dat Asa, nu hij de zaak eenmaal ter hand genomen had, deze niet ook heeft weggenomen, nochtans was het hart van Asa volkomen met de Heere. Dit geeft ons de troostrijke gedachte, dat diegenen eerlijk en oprecht voor God gevonden kunnen worden en door Hem aangenomen, die in dit of dat opzicht tekort komen in het goede dat zij konden en behoorden te doen. De volmaaktheid, die tot noodzakelijke voorwaarde van het nieuwe verbond is gesteld, moet niet verstaan worden van zondeloosheid (want dan zouden wij allen verloren zijn) maar van oprechtheid.
2. Heeft hij geheiligde dingen ingebracht. Dat was goed, maar later heeft hij de geheiligde dingen vervreemd, toen hij het goud en zilver uit Gods huis nam, en het als steekpenning zond aan Benhadad, om hem te bewegen zijn verbond met Baesa te verbreken en, door een vijandelijke inval in zijn land te doen, hem af te leiden van zijn bouwen van Rama, vers 18, 19. Hier heeft hij gezondigd,
a. Door Benhadad over te halen om zijn verbond te verbreken, en aldus de openbare trouw te schenden. Als het verkeerd was van Benhadad, om dit te doen-en ongetwijfeld was het verkeerd- dan was het even verkeerd van Asa om hem er toe te bewegen.
b. Door niet op God te vertrouwen, die zoveel voor hem gedaan had, om uit die benauwdheid gered te worden, zonder gebruik te maken van zulke slinkse middelen om zichzelf te helpen.
c. Door het goud uit de schat van de tempel te nemen, waarvan alleen in buitengewone omstandigheden gebruik mocht worden gemaakt. De toeleg gelukte, Benhadad deed een inval in het land Israëls, waardoor Baesa genoodzaakt was om zich met geheel zijn strijdmacht van voor Rama terug te trekken, vers 20, 21, hetgeen aan Asa een schone gelegenheid bood om Baesa's werken aldaar af te breken, en het hout en de stenen te gebruiken voor de bouw van sommige van zijn eigen steden, vers 22. Maar hoewel het plan gelukt is, bevinden wij toch dat het Gode mishaagd heeft, en hoewel Asa zich op het beleid er van liet voorstaan, en zich vleide dat zijn vrede er voorgoed door verzekerd was, wordt hem door de profeet gezegd, dat hij zottelijk gedaan heeft, en dat van nu voortaan oorlogen tegen hem zijn zullen. Zie 2 Kronieken 16:7-9.
Vl. De moeilijkheden van zijn regering. Meestal was hij voorspoedig, maar:
1. Baesa, de koning van Israël, was een zeer lastige nabuur voor hem. Deze regeerde vier en twintig jaren, en al zijn dagen was hij meer of minder in oorlog met Asa, vers 16. Dit was het gevolg van de verdeling van de rijken van Juda en Israël, dat zij elkaar voortdurend kwelden, hetgeen hen beide een zoveel gemakkelijker prooi maakte voor de gezamenlijke vijand.
2. In zijn ouderdom werd hijzelf gekweld door de jicht, hij werd ziek aan zijn voeten, hetgeen hem minder geschikt maakte voor zaken en gemelijk voor degenen, die hem omringden.
VII. Het besluit van zijn regering. De handelingen er van zijn uitvoeriger vermeld in de gewone geschiedenis, waarnaar verwezen wordt in vers 23, dan in deze gewijde geschiedenis. Hij regeerde lang, maar eindigde ten laatste met eer, en liet zijn troon na aan een opvolger, die in geen enkel opzicht zijn mindere was.