Deuteronomium 11:8-17
Hij dringt nog altijd aan op dezelfde zaak alsof hij er niet van kan scheiden voor hij zijn doel bereikt. Indien gij wilt ingaan tot het leven indien gij in Kanaän wilt komen, dat een type is van dat leven, en het zult bevinden een wezenlijk goed land voor u te zijn zo houdt de geboden, houdt al de geboden, die ik u heden gebied, hebt God lief en dient Hem van ganser harte.
I. Omdat dit het middel is om van het beloofde land bezit te krijgen en te behouden.
1. Het was het middel om er bezit van te krijgen, vers 8. Opdat gij gesterkt wordt tot de krijg, en inkomt en het land erft. Zo weinig wisten zij van de ontberingen en de gevaren van de oorlogen in Kanaän, dat hij niet zegt dat zij moeten ingaan en er verve strijden, neen, zij hadden feitelijk niets anders te doen dan in te gaan en het te erven, te bezitten. Hij houdt zich niet op met hun de krijgskunst te leren, hoe zij de boog moeten spannen en het zwaard moeten hanteren, en in de gelederen moeten blijven, ten einde versterkt te wezen en in te gaan om het land in het bezit te nemen neen, maar hij zegt hun Gods geboden te houden, hun Godsdienst hoog te houden, zolang zij daar getrouw aan zijn, zal Hij hun sterkte wezen en hun welslagen verzekeren.
2. Het was het middel om het bezit er van te behouden, vers 9. Opdat gij de dagen verlengt in het land, waar gij het oog op hebt. De zonde strekt om de dagen te verkorten van bijzondere personen, en de dagen te verkorten van de voorspoed eens volks, maar gehoorzaamheid zal strekken tot voortduring van hun rust.
II. Omdat het land, waar zij heengingen, meer merkbaar afhankelijk was van de zegen des hemels, dan het land van Egypte, vers 10-12. Egypte was een voldoende vruchtbaar land, maar het was geheel vlak en werd bewaterd, niet zoals andere landen door regen, (er is van Egypte gezegd, dat er geen regen over is, Zacheria 14:18,) maar door de overstroming van de Nijl op zekere tijden van het jaar. Om die overstroming nuttig aan te wenden werd veel kunst en arbeid van de landman vereist, zodat men in Egypte evenveel moeite en onkosten had voor een akker als voor een moestuin. En hierdoor waren zij te meer geneigd te denken, dat de kracht hunner handen hun dit vermogen verkregen heeft. Maar Kanaän was een oneffen land, een land van heuvelen en valleien, dat niet alleen een aangenamer uitzicht bood aan het oog, maar ook groter verscheidenheid van grond opleverde voor de verschillende doeleinden van de landman. Het was een land zonder grote rivieren, behalve de Jordaan, maar het drinkt water bij de regen des hemels. En aldus:
1. Bespaarde het hun zeer veel arbeid. Terwijl de Egyptenaren in het veld tot aan de knieën in de modder stonden, om sloten te graven, ten einde water over het land te brengen, dat anders weldra als de heide in de woestijn zou worden, konden de Israëlieten neerzitten in hun huizen, warm en rustig, en het aan God overlaten om hun land te besproeien met de vroege en de spade regen, die de rivier Gods wordt genoemd, Psalm 65:10, misschien in toespeling op, en minachting van, de rivier van Egypte, waarop die natie zo hoogmoedig was. Hoe beter God door onze uitwendige toestand voorzien heeft in ons gemak en gerief, hoe overvloediger wij moeten zijn in ons dienen van Hem, hoe minder wij te doen hebben voor ons lichaam, hoe meer wij behoren te doen voor God en onze ziel.
2. Zo zei hij hun dan op te zien tot God, die ons goed doet van de hemel, ons regen en vruchtbare tijden geeft, Handelingen 14:17, en beloofd heeft zelf aan Israël te zijn als de dauw, Hosea 14:6. Zegeningen brengen de grootste vertroosting en lieflijkheid met zich, indien wij ze van de hemel zien komen als de onmiddellijke gaven van Gods voorzienigheid. Hoe afhankelijker wij zijn van God, met des te meer blijmoedigheid moeten wij Hem gehoorzamen. Zie hoe Mozes hier het land Kanaän verheerlijkt boven alle andere landen, en wel daarin dat de ogen Gods gedurig daarop zijn, dat is dat zij dit zouden zijn, om te zien dat er niets ontbrak, terwijl zij zich dicht aan God hielden en aan hun plicht, de vruchtbaarheid des lands zal niet zozeer de gelukkige uitwerking zijn van de bodem als wel de onmiddellijke vrucht van de Goddelijke zegen. Dit kan afgeleid worden uit de tegenwoordige toestand van dit land, want men zegt dat het, nu God er van geweken is, zo'n onvruchtbare plek gronds is, als er ergens onder de hemel gevonden wordt. Noem het niet Naomi, noem het Mara.
III. Omdat God hen gewis zal zegenen met een overvloed van alle goede dingen, indien zij Hem wilden liefhebben en dienen, vers 13-15. Ik zal de regen uws lands geven te zijner tijd, zodat zij er noch gebrek aan zullen hebben, als de grond hem behoeft, noch er te veel van zullen hebben, maar zij zullen de vroege regen hebben in de zaaitijd, en de spade regen voor de oogsttijd, Amos 4:7. Dit stelde alle zegeningen voor, die God hun op hun tijd zal verlenen, inzonderheid geestelijke vertroostingen, die tot hen komen zal als de spade regen en vroege regen des lands, Hosea 6:3. En de aldus bewaterde aarde bracht voort:
1. Vruchten, ten dienste van de mens koren, wijn en olie, Psalm 104:13-15.
2. Gras voor het vee, evenzeer ten dienste van de mens, opdat zij van hen zullen eten en verzadigd worden, vers 15. De Godzaligheid heeft hier de belofte des tegenwoordigen levens, maar de gunst van God zal vreugde in het hart geven, meer dan ter tijd als hun koren en hun most vermenigvuldigd zijn.
IV. Omdat hun afwijken van God naar de afgoden gewis hun verderf zijn zal, vers 16, 17,. Wacht u, dat uw hart niet misleid worde. Allen, die God verlaten om hun genegenheid te stellen op een schepsel of er zich aan te wijden, zullen zich tot hun eigen verderf ellendig bedrogen vinden, en het zal dan hun rampzaligheid verzwaren, dat zij over hen gekomen is omdat zij geen acht hebben gegeven. Een weinig zorg en waakzaamheid zou voorkomen hebben, dat zij door de grote bedrieger misleid werden. Om hen op te wekken om acht te geven, zegt Mozes hun hier duidelijk en onomwonden, dat zo zij afwijken en andere goden dienen:
1. De toorn des Heeren tegen hen zal ontsteken, en wie kent de sterkte van die toorn?
2. Dat de goede dingen hun onthouden zullen worden, de hemel zal de regen terughouden, en dan zal de aarde natuurlijk ook geen vrucht opleveren.
3. Boze dingen zullen over hen komen, zij zullen haastelijk omkomen van het goede land. En hoe beter het land was, hoe smartelijker het zijn zal om er van om te komen. Het goede van het land zal hen niet beveiligen, als de slechtheid van de inwoners hen rijp heeft gemaakt voor het verderf.