14. Toen zond de koning Zedekia henen kort na die redding van den Profeet uit den kuil, misschien nog op denzelfden dag, en liet den Profeet Jeremia uit zijne bewaarplaats tot zich halen, om een geheim gesprek met hem te hebben. in den derden niet verder bekenden, ingang, die aan des HEEREN huis was. Deze was waarschijnlijk een overdekte gang van het paleis naar den tempel, waarvan de koningen zich gewoonlijk bedienden. En de koning, wiens gekwelde ziel, onbekwaam om zich gehoorzaam en ootmoedig onder Gods woord en wil te buigen, nog steeds tussen hoop en vrees werd geslingerd, zei tot Jeremia: Ik zal u een ding vragen; ik wenste nog eens van u te vernemen, wat God u heeft geopenbaard omtrent het einde van mij en van mijn volk; verheel geen ding voor mij 1); ik ben voorbereid om het ergste te vernemen, indien ik slechts zekerheid in mijn verschrikkelijken toestand moge hebben. 1) Het is volstrekt niet twijfelachtig of Zedekia had in verloop van tijd meer achting verkregen voor Jeremia als voor een getrouwen dienstknecht Gods. Het gemoed des konings was derhalve als het ware onbeslist, evenals de hypocriet, in wien nog enig zaad van de vreze Gods is berustende, heen en weer schommelende en weifelende, en niets soliede of vast hebbende. Zij durven God of Zijne knechten wel niet verachten, ja zij erkennen dat zij onder Gods bevel staan en dat Zijn woord niet ijdel is, terwijl zij ze intussen tegelijk ontwijken, of God begeren om te zetten. Zodanig was ook de toestand van Zedekia. Want hij behoorde niet tot de domme en belijnde verachters Gods, voor wie de gehele godsdienst een fabel is. Zodanig was Zedekia niet, maar hij had enige vreze voor God behouden en ook enigen eerbied voor Zijn Profeet, en echter wilde Hij zich niet aan God onderwerpen noch de raadgevingen van den Profeet opvolgen.
Komt de nood dringen, dan wendt zich de ongelovige wereld toch van hare lievelingen, de leugenpredikers af, die haar vroeger in slaap zongen, dan schenkt zij den getuigen der waarheid, zelfs wanneer zij die haat, alleen geloof, hoewel zij niet gezind is zich aan hun woord te onderwerpen. Dat schijnt niet zelden de aard der vorsten te zijn. Men zegt: ik wil de waarheid, alleen de waarheid, de volle waarheid horen. En wanneer men dan de waarheid zegt, heeft men zich de hoogste ongenade berokkend. Want deze heren, aan een Homerisch godenleven gewoon, willen niet gaarne in deze hun zaligheid gestoord worden. Niets raakt echter onzachter aan dan de waarheid. Ook voor Zedekia schijnt het met zijn: "verheel geen ding voor mij" geen ernst geweest te zijn, want anders zou hij ten minste al het mogelijke gedaan hebben om den raad van den Profeet te volgen.
Zedekia behoort tot het geslacht hetwelk nog nimmer uitgestorven is, wat altijd roept van: spreek tot mij van zachte dingen, die den zondedienst met schijngodsdienst willen verbinden. Tot het geslacht hetwelk wil, dat God de ogen sluit voor hun zonde, en wanneer de nood aan den man komt hen de zonde geenszins gedenke, maar hen uitredde uit al hun benauwdheden.
Tot het geslacht, hetwelk eveneens meteen Bileam den dood des oprechten wenst te sterven, maar met de wereld wenst te leven.