Jeremia 36:1-8
In het begin van Ezechiëls profeten ontmoeten wij een geschreven rol in een visioen, tot onthulling van de dingen, daarin vervat, aan de profeet zelf, die ze moest ontvangen en overdenken, Ezechiël 2:9, 10, 3:1. Hier, op het eind van Jeremia's profetie, ontmoeten wij een werkelijk geschreven rol, tot onthulling van de dingen, daarin vervat, aan het volk, dat ze moest horen en er acht op geven, want het geschreven woord en andere goede boeken zijn van groot nut, beide voor predikanten en het volk. Wij hebben hier
I. Het gebod, dat God aan Jeremia gaf om een beknopte inhoud van zijn preken te schrijven, van alle berispingen en al de vermaningen, die hij, in Gods naam tot het volk had gesproken, van het ogenblik af, dat hij begon te prediken, in het dertiende jaar van Josia, tot op deze dag, dat is in het vierde jaar van Jojakim, vers 2, 3. Wat alleen gesproken was, moest nu ook geschreven worden, opdat het onderzocht mocht worden, en te verder verspreid, en dat het te langer duren mocht. Wat breedvoerig gesproken was, met veelvuldige herhaling van dezelfde dingen, misschien met dezelfde woorden (wat aan de ene zijde een voordeel is), moet nu samengevat en in minder woorden gezegd worden, opdat de verschillende delen er van beter met elkaar vergeleken worden, wat een voordeel is aan de andere zijde. Wat zij eenmaal gehoord hadden, moet herhaald worden, en nog eens herhaald, opdat wat vergeten was, herinnerd mocht worden, en wat geen indruk op hen maakte, toen zij het de eerste maal hoorden, vat op hen mocht krijgen, als zij het voor de tweede maal hoorden. En wat misschien al geschreven was, en als afzonderlijke preken, bekend gemaakt, moet in een boek verzameld worden, opdat er geen een verloren ga. Het schrijven van de Schrift is geschied op goddelijk bevel. En let op de reden, die hier gegeven wordt voor het schrijven van de rol: "Misschien zullen die van het huis van Juda horen." Niet, dat de goddelijke voorzienigheid enigszins onzeker was aangaande de itkomst: daarin is geen onzekerheid, God wist zeker, dat zij "geheel trouweloos" handelen zouden, Jesaja 48:8. Maar de goddelijke wijsheid gaf dit aan als het juiste middel om het gewilde doel te bereiken: en als het mislukte, zouden zij te minder te verontschuldigen zijn. En, hoewel God voorzag, dat zij niet zouden horen, zei Hij dat niet tot de profeet, maar schreef hem deze handelwijze voor als geschikt voor het doel, in de hoop, dat zij zouden horen, dat is: acht geven en letten op wat zij hoorden, er kennis van nemen, en hun geloof er mee vermengen: want anders zal het niet helpen, dat wij het woord horen, al zou een engel uit de hemel het ons voorlezen of voorprediken. Hier is op te merken,
1. Wat gehoopt wordt, dat zij aldus zullen horen: "Al het kwaad, dat Ik hun gedenk te doen." De ernstige overweging van de zekere noodlottige gevolgen van de zonde zal van groot nut zijn om ons tot God te brengen.
2. Wat gehoopt wordt, dat er uit voortkomen zal: "Zij zullen horen, opdat zij zich bekeren, een ieder van zijn boze weg." De bekering van de zondaars van hun boze wegen, moet het doel van de prediking van de dienaren zijn, en tevergeefs horen de mensen het woord, als dat doel niet bereikt wordt. Waar dient het toe, dat wij horen al het kwaad, dat God om onze zonde over ons brengen zal, als wij desondanks kwaad tegen Hem doen?
3. Van hoe groot voordeel hun overweging en bekering voor hen zal zijn: "Opdat Ik hun ongerechtigheid vergeve." Hieruit spreekt duidelijk de eer van Gods rechtvaardigheid, waarmee niet bestaanbaar is de zonde te vergeven, tenzij dat de zondaar er berouw van heeft en zich bekeert, maar tevens spreekt er duidelijk uit, de eer van Zijn genade, dat Hij altijd bereid is de zonde te vergeven en alleen wacht, totdat de zondaar bereid is om vergeving te ontvangen, en daarom verschillende middelen gebruikt om ons tot berouw te brengen, "opdat Hij vergeve."
II. De bevelen, die Jeremia aan zijn secretaris Baruch, gaf, naar het bevel, dat hij van God ontvangen had, en het schrijven van de rol, overeenkomstig dat bevel, vers 4. God beval Jeremia te schrijven, maar het schijnt, dat hij niet de pen van een vaardige schrijver had, hij kon niet zo snel en schoon schrijven, als Baruch, en daarom maakte hij gebruik van hem als zijn secretaris. Paulus schreef maar weinige van zijn brieven met eigen hand, Galaten 6:11, Romeinen 16:22. God deelt Zijn gaven verschillend uit, sommigen hebben een goed talent om te spreken, anderen om te schrijven, en niemand kan tot de ander zeggen: "Ik heb u niet van node," 1 Corinthiers 12:21. De geest van God dicteerde Jeremia, en Jeremia dicteerde Baruch, die door Jeremia gebruikt was als getuige bij de aankoop van de akker, Hoofdstuk 32:12, en nu bevorderd werd tot zijn secretaris en plaatsvervanger in het profetisch ambt, en, als het apocriefe boek, dat zijn naam draagt, geloof verdient, was hij zelf later profeet bij de gevangenen in Babel. Zij, die laag beginnen, hebben kans hoog te stijgen, en het is goed voor hen, die voor profeet bestemd zijn, om hun opvoeding onder de profeten te ontvangen en hun van dienst te zijn. Baruch schreef, wat Jeremia dicteerde in een boekrol op vellen perkament, die samengevoegd werden, de bovenkant van het een met de onderkant van het andere, om een lange rol te maken, die misschien om een stok gerold werd.
III. De bevelen, die Jeremia aan Baruch gaf, om wat hij geschreven had, aan het volk voor te lezen. Jeremia werd, naar het schijnt, opgehouden, hij kon zelf in des Heeren huis niet gaan, vers 5. Hoewel hij geen gevangene was, want dan zou er geen reden geweest zijn, dienaren te zenden om hem te grijpen, vers 26, toch was hem door de koning verboden in de tempel te verschijnen, hij was buitengesloten, waar hij God dienen en goeddoen kon, wat even erg voor hem was, alsof hij opgesloten ware in een kerker. Jojakim rijpte snel voor het verderf, toen hij Gods trouwe boodschappers aldus tot zwijgen bracht, Maar, daar Jeremia zelf niet naar de tempel kon gaan, zond hij iemand, die door hem werd afgevaardigd om het volk voor te lezen, wat hij zelf had willen zeggen. Zo schreef Paulus brieven aan de kerken die hij in persoon niet kon bezoeken. Ja, het was, wat hij hun zelf vaak gezegd had. Het opschrijven en herhalen van preken, die gehouden zijn, kan er zeer veel toe bijdragen, om het grote doel van de prediking te bereiken. Het is goed voor ons, wat wij gehoord en geweten hebben, weer te horen, opdat wij het beter mogen weten. Hetzelfde te prediken en te schrijven is veilig en voordelig, en vaak zeer noodzakelijk, Philipp. 3:1, en wij moeten blijde zijn een goed woord van God te hoven, al hebben wij het, zoals hier, uit de tweede hand. Beiden, predikanten en toehoorders, moeten doen, wat zij kunnen, als zij niet kunnen, wat zij zouden willen. Toen God het lezen van de rol beval, zei Hij: Misschien zullen zij horen en zich bekeren een ieder van zijn boze weg, vers 3. Als Jeremia het gelast, zegt hij: Misschien zal hunlieder smeking voor het aangezicht des Heeren nedervallen, en zij zullen zich bekeren. een ieder van zijn bozen weg. Het gebed tot God om genade en bekering is noodzakelijk voor onze bekering, en zij, die door het woord van God overtuigd zijn van de noodzakelijkheid van hun bekering tot hem, zullen hun smekingen tot Hem richten om die genade. En de overweging hiervan dat "groot is de toorn, die de Heere heeft uitgesproken" tegen deze zonde, moet beide, ons gebed en onze inspanning verhaasten. Overeenkomstig deze bevelen, las Baruch in dat boek de woorden des Heeren, zo vaak er een heilige samenkomst was. vers 8.