Jeremia 30:1-9
Hier,
I. Wordt Jeremia bevolen te schrijven, wat God hem geboden had, wat misschien van toepassing is op al de voorafgaande profetieën. Hij moet ze schrijven en bekend maken, in de hoop, dat zij, die hun voordeel niet gedaan hadden met wat hij zei, na het eenmaal gehoord te hebben, er meer acht op mochten slaan, als ze, het lezende, de tijd hadden voor een meer nauwkeurige kennisneming. Of, veeleer slaat het op de beloften van hun uitbreiding, die dikwijls gemengd waren onder andere onderwerpen. Hij moet ze verzamelen en bijeenvoegen en God zal er nog vele woorden aan toevoegen. Hij moet ze schrijven voor de komende geslachten, die de vervulling er van zouden zien en daardoor hun geloof in de profetie bevestigd. Hij moet ze niet schrijven in een brief, zoals die in het vorige hoofdstuk aan de gevangenen maar in een boek, om zorgvuldig in de archieven bewaard te worden, of onder de rollen en documenten van de staat. Daniël verstond uit deze boeken, wanneer de gevangenschap ten einde liep, Daniël 9:2. Hij moet ze in een boek schrijven, niet op losse bladen: Want de dagen komen, en zijn toch nog ver weg, dat Ik de gevangenis van Mijn volk, Israël en Juda, wenden zal, grote getalen van de tien stammen met die van de twee, vers 3. En deze profetie moet geschreven worden, opdat zij dan ook gelezen worde, opdat moge blijken, hoe nauwkeurig de vervulling beantwoordt aan de voorspelling wat een van de doeleinden is, waarmee profetieën geschreven worden. Er wordt een wenk gegeven, dat zij "beminden zullen zijn, om van de vaderen wille, Romeinen 11:28, want daarom zal God ze wederbrengen naar Kanaän, omdat het `t land is, "dat Ik hun vaderen gegeven heb,'t welk zij daarom zullen bezitten."
II. Hem wordt bevolen, wat hij schrijven moet. Het zijn dezelfde woorden, die de Heilige Geest ingeeft, vers 4. Dit zijn de woorden, die God beval te schrijven, en de beloften, die op Zijn bevel geschreven zijn, zijn even waarachtig Zijn woord, als de tien geboden, die met Zijn vinger geschreven waren.
1. Hij moest een beschrijving geven van de schrik en de ontsteltenis, waarin het volk nu was, en waarschijnlijk nog steeds was bij iederen nieuwe aanval van de Chaldeën, waardoor beide, het wonder en de zegen van hun verlossing groot gemaakt zullen worden, vers 5. Wij horen een stem van de verschrikking-de angstkreten beantwoorden het geroep van gevaar. De valse profeten zeiden hun, dat zij vrede zouden hebben, maar er is vrees en geen vrede. Geen wonder, dat als er buiten strijd gevoerd werd, er van binnen vreze was. De mannen, zelfs de krijgslieden, zullen geheel overstelpt worden door de rampen van hun volk, zij zullen er onder ineenzinken, er onder bezwijken, en zullen er uitzien als barende vrouwen, wier weeën over haar komen op `t laatste, en zij weten dat zij er niet aan ontkomen kunnen, vers 6. Men heeft nog nooit gehoord van een man in barensnood, en toch vindt men, niet hier en daar een bevreesd man, "maar eens iegelijke mans handen op zijn lendenen, in de uitersten angst en pijn, als van een barende vrouw," als zij hun steden verbrand en hun land verwoest zien. Maar deze pijn wordt vergeleken met die van een barende vrouw, niet met die van een sterfbed, omdat zij tenslotte zal eindigen in blijdschap, en de pijn, als die van een barende vrouw, zal vergeten zijn. "Alle aangezichten zijn veranderd in bleekheid." Het woord betekent niet alleen een bleekheid, die ontstaat uit een plotselinge schrik, maar ook die `t gevolg is van een ziekelijke lichaamsgesteldheid, geelzucht of bleekzucht. De profeet bejammert het onheil, als hij de komst er van voorzie", vers 7 :O wee! want die dag is groot, een dag des oordeels, die genoemd wordt de grote dag, "die grote en vreselijke dag des Heeren, Joël 2:31, Judas : 6, zó groot, dat zijns gelijke niet geweest is". Van de laatste verwoesting van Jeruzalem wordt aldus door onze Zaligmaker gesproken als ongeëvenaard, Mattheus 24:21. "Het is een tijd van benauwdheid voor Jakob," een treurige tijd, als het gelovige volk van God in ellende zal zijn meer dan anderen. De gehele tijd van de gevangenschap was een tijd van jammer voor Jakob, en zulke tijden moeten grotelijks betreurd worden door allen, die belang stellen in het welzijn van Jakob en de ere van de God van Jakob.
2. Hij moet de verzekeringen opschrijven, die God gegeven had, dat er tenslotte een gelukkig einde zou komen aan deze rampen.
a. Jakobs ellende zal ophouden: "hij zal daaruit verlost worden." Ofschoon de beproevingen van de kerk lang kunnen duren, zullen ze niet altijd duren. "Het heil is des Heeren, en zal voor Zijn kerk gewrocht worden."
b. Jakobs pijnigers zullen buiten staat gesteld worden hem nog meer kwaad te doen, en met hen zal afgerekend worden voor al het kwaad, dat zij hem gedaan hebben, vers 8. De Heere van de heirscharen, die alle macht in Zijn handen heeft, onderneemt het te doen: Ik zal zijn juk van uw hals verbreken, dat zo lang zwaar gedrukt en u zo smartelijk gepijnigd heeft. Ik zal uw banden verscheuren, en u uw rust en vrijheid herstellen, en gij zult niet meer onder het bevel en de gehoorzaamheid van vreemden zijn, gij zult hen niet meer dienen, en ook zullen zij zich niet meer van u doen dienen, zij zullen zich niet meer verrijken met uw bezittingen of met uw arbeid. En
c. Wat de bekroning en voltooiing van alle gunstbewijzen is, de vrije uitoefening van hun godsdienst zal hun hersteld worden, vers 9. Zij zullen verlost worden van hun vijanden te dienen, niet om los te leven, en te doen, wat hun behaagt, maar om "de Heere hun God, en David hun koning te dienen," opdat de orde onder hen hersteld moge worden, onder een gevestigd bestuur, in kerk en staat beide. Daarom werden zij in ellende gebracht en in de dienst hunner vijanden, omdat zij de Heere hun God niet gediend hadden, zoals zij behoorden te doen, "met vrolijkheid en goedheid des harten." Maar, als de tijd zal komen, "om u te verlossen," zal God hen daartoe bereiden en bekwaam maken door hun een hart te geven om Hem te dienen, en zal het dubbel goed maken door hun gelegenheid te geven Hem te dienen. "Verlost zijnde uit de hand van onze vijanden, dat wij Hem dienen zouden," Lukas 1:74. En verlossingen uit tijdelijke rampen zijn inderdaad zegeningen voor ons, wanneer wij bevinden, dat wij daardoor verbonden worden tot en verrijkt in de dienst van God. Zij zullen hun eigen God dienen, en niet geneigd zijn, zoals zij in de dagen van hun afvalligheid geweest waren, noch gedwongen worden, zoals onlangs ten dage hunner gevangenschap, om andere goden te dienen. "Zij zullen David hun koning dienen, regeerders zoals God van tijd tot tijd over hen zetten zal, uit het huis van David (zoals Zerubbabel), of ten minste zittende op de stoelen des gerichts, de stoelen van het huis Davids" (zoals Nehemia). Maar zeker heeft dit een diepere betekenis. De Chaldeeuwse vertaling heeft dit: "Zij zullen gehoorzamen (of luisteren naar) de Messias (of Christus), de zoon van David, hun koning." Op Hem passen de Joodse vertalers dit toe. De bedeling, die begon met hun terugkeer uit de gevangenschap, bracht hen tot de Messias. "Hij wordt genoemd David hun koning, omdat hij Davids zoon was", Mattheus 22:42, en op die naam antwoordde, Mattheus 20:31, 32. David was een luisterrijk voorbeeld van Hem! beide in Zijn vernedering en in Zijn verheffing. Het verbond des koninkrijks, met David gemaakt, had voornamelijk betrekking op Hem, en in Hem kwamen de beloften van dat verbond volkomen tot vervulling. God gaf Hem "de troon van Zijn vader David, " Hij had Hem verwekt, Hij had Hem "gezalfd over Zion, de berg van Mijn heiligheid." In het Nieuwe Testament wordt vaak gezegd, dat God Jezus opgewekt (verwekt) heeft, Hem opgewekt heeft om koning te zijn, Handelingen 3:26, 13:23, 24.
a. Die de Heere als hun God dienen, moeten zichzelf overgeven aan Jezus Christus, om door Hem geregeerd te worden. Want alle mensen moeten "de Zoon eren, gelijk zij de Vader eren," en door Hem als Middelaar in de dienst en tot aanbidding van God komen.
b. Die verlost zijn uit de geestelijke slavernij moeten dat tonen, door zich te geven aan de dienst van Christus. Wien Hij rust geeft, die moeten Zijn juk op zich nemen.