Mattheus 22:41-46
Vele vragen zijn door de Farizeeën aan Christus gedaan, door welke zij Hem in verlegenheid dachten te brengen, maar er slechts zich zelven door blootgaven, maar laat Hem nu ene vraag doen aan hen, en Hij zal dit doen, als zij tezamen vergaderd zullen zijn, vers 41. Hij heeft niet sommigen van hen afzonderlijk genomen van de overigen, maar, om hen des te meer te beschamen, neemt Hij hen allen tezamen, toen zij tegen Hem saamverbonden waren en tezamen beraadslaagden tegen Hem, en toch heeft Hij hen toen in het nauw gebracht. God verlustigt zich er in om Zijne vijanden teleur te stellen en te beschamen, als zij zich het meest hebben versterkt. Hij geeft hun al het voordeel, dat zij begeren, in den strijd en toch verslaat Hij hen. Vergezelt u tezamen, en gij zult verbroken worden, Jesaja 8:9. 1). Hier nu:
I. Stelt Christus hun ene vraag voor, die zij gemakkelijk kunnen beantwoorden. Het was ene vraag uit hun eigen catechismus: Wat dunkt u van den Christus? Wiens zoon is Hij? Wiens zoon verwacht gij als den Messias, die aan de vaderen beloofd is? Hierop konden zij geredelijk antwoorden: David's zoon. Het was de gewone omschrijving van den Messias, zij noemden Hem zone David's. Dat hadden de schriftgeleerden, die de Schrift verklaarden, hen geleerd volgens Psalm 89:35, 36. Ik heb eens gezworen bij Mijne heiligheid, zo Ik aan David liege! Zijn zaad zal in der eeuwigheid zijn, en Jesaja 11:1. Een rijsje zal voortkomen uit den afgehouwen tronk van Isai. Het verbond van het koningschap met David was een type van het verbond der verlossing, gemaakt met Christus, die, gelijk David met een eed tot koning was gemaakt, en eerst vernederd en daarna verhoogd werd. Indien Christus de zone David's was, dan was Hij wezenlijk en waarlijk mens. Israël zei: Wij hebben tien delen aan David, en Juda zei: Uw gebeente en uw vlees zijn wij. Welk deel hebben wij dan in den zone David's, die onze natuur heeft aangenomen? Wat dunkt u van den Christus? Zij hadden Hem vragen gedaan, de ene na de andere, uit de wet, maar Hij komt tot hen met ene vraag nopens de belofte. Velen zijn zo vervuld van de wet, dat zij Christus vergeten, alsof zij door hun plicht konden behouden worden, zonder Zijne verdienste en genade. Het is voor een iegelijk onzer van het grootste belang om ons zelven af te vragen: Wat dunkt ons van den Christus? Sommigen denken in het geheel niet aan Hem, Hij is niet in al, zelfs niet in een enkele van, hun gedachten. Sommigen denken gering over Hem, en sommigen denken harde gedachten van Hem, maar hun, die geloven, is Hij dierbaar, en hoe kostelijk zijn ons dan de gedachten aan Hem! Terwijl de dochters van Jeruzalem niet meer van Christus denken dan van een anderen liefste, denkt de bruid aan Hem, als die de banier draagt boven tienduizend.
II. Nu werpt Hij ten opzichte van hun antwoord ene zwarigheid op, die zij niet zo gemakkelijk konden oplossen, vers 43-45. Velen kunnen zo geredelijk een waarheid uitspreken, dat zij denken kennis genoeg te hebben om er trots op te zijn, maar als zij nu die waarheid hebben te bevestigen en te verdedigen, dan tonen zij genoeg onwetendheid om er beschaamd over te wezen. De zwarigheid, door Christus opgeworpen, was: Indien Christus David's zoon is, hoe noemt Hem dan David, in den Geest, zijn Heere? Zijne bedoeling hiermede was niet hen te verstrikken, zoals zij Hem wilden doen, maar hen te onderwijzen in ene waarheid, die zij niet gaarne wilden geloven-namelijk dat de verwachte Messias God is.
1. Het is gemakkelijk te zien dat David Christus Heere noemt, en dat hij dat deed in den Geest, door Goddelijke ingeving, en hiertoe gedreven door een geest der profetie, want het was de Geest des Heeren, die door hem sprak, 2 Samuël 23:1, 2. David was een van die heilige mensen Gods, die van den Heiligen Geest gedreven zijnde, hebben gesproken, inzonderheid als zij Christus Heere noemden, want toen, gelijk nu, kon niemand zeggen Jezus de Heere te zijn, dan door den Heiligen Geest. Om nu te bewijzen dat David, in den Geest, Christus Heere heeft genoemd, haalt Hij aan Psalm 110:1, welken Psalm de schriftgeleerden zelven van Christus hebben verstaan: het is zeker, dat de profeet dáár van Hem spreekt, van Hem en van niemand anders, en het is een profetische saamvatting van de leer van Christus. Het beschrijft Hem als uitoefenende de ambten van Profeet, Priester en Koning, zowel in Zijne vernedering als in Zijne verhoging. Christus haalt het gehele vers aan, dat den Verlosser toont in Zijne heerlijkheid,
a. Zittende ter rechterhand Gods. Zijn zitten duidt rust aan en heerschappij, Zijn zitten aan Gods rechterhand duidt de hoogste eer en soevereine macht aan. Zie in wat sterke bewoordingen dit is uitgedrukt, Hebreeën 8:1. Hij is gezeten aan de rechterhand van den troon der Majesteit. Zie ook Filippenzen 1:9, Efeze 1:29. Hij heeft zich zelven die eer niet gegeven, maar Hij had er recht op door het verbond met Zijn Vader, en Hij werd er door opdracht van Hem mede bekleed, en hier nu is die opdracht.
b. Zijne vijanden onderwerpende. Dáár zal Hij zitten, totdat zij allen of tot Zijne vrienden gemaakt zijn, of tot een voetbank voor Zijne voeten. Het bedenken des vlezes, wáár het ook gevonden wordt, is vijandschap tegen Christus, en dat wordt onderworpen in de bekering van het gewillige volk, en in de beschaming van Zijn onboetvaardige tegenstanders. die onder Zijne voeten zullen gelegd worden, zoals de koningen van Kanaän onder de voeten van Jozua. Maar dit vers is aangehaald, omdat David er den Messias zijn Heere noemt, De Heere, Jehova, heeft tot mijn Heere gesproken. Dit leert ons, dat wij bij de verklaring der Schrift niet slechts hebben te letten op het hoofddoel en de betekenis van een vers, maar ook van de woorden en volzinnen, die de Geest heeft gekozen om die betekenis uit te drukken, en die dikwijls zeer nuttig en leerrijk zijn.
2. Maar voor hen, die niet in de Godheid van den Messias geloven, is het niet gemakkelijk om dit van ongerijmdheid vrij te pleiten, indien Christus David's zoon is. Het is ongepast dat een vader van zijn zoon, dat de voorzaat van den nazaat, spreekt als van zijn Heere. Indien David Hem Heere noemt, vers 45, -dat wordt als de meer voor de hand liggende waarheid aangewezen, want al wat van Christus' mensheid en vernedering gezegd wordt, moet opgevat en verstaan worden in overeenstemming met de waarheid van Zijn Goddelijke natuur en heerschappij. Daaraan moeten wij vasthouden, dat Hij is David's Heere, en hierdoor verklaren, dat Hij is David's Zoon. De schijnstrijdigheden in de Schrift, zoals hier, kunnen niet slechts in overeenstemming met elkaar gebracht worden, zij dragen ook bij tot de schoonheid en de harmonie van het geheel. Het verschil, dat in de Schrift wordt opgemerkt, is van een vriendelijken aard, gave God, dat dit ook van onze geschillen gezegd kon worden!
III. Het goed gevolg van deze zachte op-de-proef-stelling door Christus van der Farizeeën kennis, en wel in tweeërlei opzicht.
1. Het bracht hen in verlegenheid, vers 46.
Niemand kon Hem een woord antwoorden. Het was of hun onwetendheid, waardoor zij niet konden, of hun goddeloosheid, waardoor zij niet wilden erkennen, dat de Messias God is, welke waarheid alleen de sleutel was om deze moeilijkheid op te lossen. Wat deze rabbi's toen niet konden antwoorden, kan, God zij er voor geloofd, thans door den eenvoudigsten Christen, die ingeleid is in het rechte verstand van het Evangelie van Christus, verklaard worden, namelijk dat Christus, als God David's Heere, en als mens David's zoon was. Dit heeft Hij nu niet zelf verklaard, het werd bewaard totdat het bewijs er van volkomen geleverd was door Zijne opstanding, maar Hij heeft het ten volle verklaard in Zijne heerlijkheid, Openbaring 22:16. Ik ben de wortel en het geslacht David's, Indien wij niet vasthouden aan deze waarheid dat Jezus Christus is God boven allen te prijzen in der eeuwigheid, dan geraken wij in onoverkomelijke moeilijkheden. En wèl mocht David, Zijn voorvader vanouds, Hem Heere noemen, als Maria, Zijn eigen moeder, Hem terstond na de ontvangenis Heere, en God, en haren Zaligmaker genoemd heeft, Lukas 1:46 47.
2. Het bracht hen, en alle anderen, die gelegenheid tegen Hem zochten te vinden, tot zwijgen, Niemand kon Hem een woord antwoorden, noch iemand durfde Hem van dien dag aan iets meer vragen. Zij durfden Hem niet meer zulke listige, verstrikkende vragen doen. God zal zich verheerlijken in het tot zwijgen brengen van velen, in wie Hij zich niet wil verheerlijken door hen te behouden en zalig te maken. Velen worden door het woord overtuigd, zonder te worden bekeerd. Indien dezen bekeerd waren geworden, zouden zij Hem wel meer vragen gedaan hebben, inzonderheid de grote vraag: Wat moeten wij doen om zalig te worden? Daar zij echter hun zin niet konden krijgen, wilden zij niet meer van doen met Hem hebben. Maar aldus zullen allen, die twisten met hun Meester, evenals deze Farizeeën, er van overtuigd worden, hoe ongelijk de strijd is.