Jeremia 26:16-24
Hier is,
I. De vrijspraak van Jeremia van de beschuldiging, tegen hem ingebracht. Hij had inderdaad de woorden gesproken, die in de aanklacht vervat waren, maar zij worden niet beschouwd als oproerig of verraderlijk, slecht bedoeld, of van een kwade intentie, en daarom zijn het hof en het volk het eens om hem niet schuldig te verklaren. De priesters en de profeten gaan voort vonnis tegen hem te eisen, ondanks zijn redelijk pleidooi voor zichzelf, maar de vorsten en al het volk zijn beslist daarin, dat aan deze man geen oordeel des doods is, vers 16, want (zeggen zij) hij heeft tot ons gesproken in de naam des Heeren onzes Gods. En zijn zij bereid te erkennen, dat hij inderdaad tot hen sprak in de naam des Heeren, en dat die Heere hun God is? Waarom maakten zij dan hun wegen en handelingen niet goed, en volgden zij zijn voorschrift niet om de ondergang van hun land te voorkomen? Indien zij zeggen: Zijn profetie is "uit de hemel," kan men met recht vragen: Waarom hebt gij hem dan niet geloofd? Mattheus 21:25. Het is jammer, dat zij, die in zoverre overtuigd zijn van de goddelijke oorsprong van de Evangelie-prediking, dat zij die beschermen tegen de boosheid van anderen, zichzelf niet onderwerpen aan de macht en de invloed ervan.
II. Een precedent, aangehaald om het te rechtvaardigen in de vrijspraak van Jeremia. Enigen "van de oudsten des lands," `t zij de meer genoemde vorsten of de meer verstandigen uit het volk, stonden op, en herinnerden de vergadering aan een vroeger geval, zoals bij onze rechtspraak gewoonte is, want de wijsheid van onze voorgangers is een bevel voor ons. Het hier bedoelde geval is dat van Micha. Wij bezitten het boek van zijn profetie onder de kleine profeten.
1. Werd het vreemd gevonden, dat Jeremia tegen deze stad en de tempel profeteerde? Micha deed hetzelfde voor hem, en nog wel onder de regering van Hizkia, de regering van verbetering, vers 18. Micha sprak even openbaar, als Jeremia nu gesproken had, en ook de inhoud van zijn woorden was dezelfde: Zion "zal als een akker geploegd worden, het gebouw zal geheel verwoest worden, zodat niets beletten zal om het te ploegen, Jeruzalem zal tot steenhopen worden, en de berg dezes huizes, waarop de tempel gebouwd is, zal zijn tot hoogte van een woud, door doornen en distelen bezet". Die profeet sprak het niet alleen, maar beschreef het, en liet dat geschrift achter, wij vinden dat in Micha 3:11. Hieruit blijkt, dat iemand als Micha een waar profeet des Heeren kan zijn en toch de verwoesting van Zion en Jeruzalem voorspellen. Wanneer wij zondaars, die zeker zijn, dreigen met de wegneming van Gods Geest en het koninkrijk Gods van hen, en kwijnende kerken met het weren van de kandelaar, dan zeggen wij niet meer, dan wat reeds vaak gezegd is, en waartoe wij volmacht hebben om het zeggen van Gods Woord,
2. Werd het billijk geoordeeld door de vorsten Jeremia te rechtvaardigen in `t geen hij gedaan had? Het was hetgeen Hizkia in eenzelfde geval tevoren gedaan had. Klaagden Hizkia en het volk van Juda (dat is: de vertegenwoordigers van het volk) over Micha de profeet? Werd hij aangeklaagd, en een vonnis tegen hem uitgesproken en hij ter dood gebracht? Neen integendeel, zij namen de waarschuwing ter harte, die hij hun gaf. Hizkia, die beroemde vorst, gezegende gedachtenis, gaf een goed voorbeeld aan zijn opvolgers, want hij vreesde de Heere, vers 19, als Noach, die door goddelijke aanspraak vermaand zijnde van de dingen, die niet gezien werden, bevreesd geworden is. Micha's prediking bracht hem op de knieën, hij smeekte de Heere het gedreigde oordeel af te wenden en Zich met hem te verzoenen, en hij bevond, dat het niet tevergeefs was zulks te doen, want "het berouwde de Heere over het kwaad en Hij keerde in genade tot hen weer, Hij zond een engel, die het leger van de Assyriërs sloeg, dat Zion dreigde te ploegen als een akker." Hizkia voer wel bij de prediking, en men kan er zeker van zijn, dat hij de prediker geen kwaad deed. Deze oudsten besluiten, dat het gevaarlijke gevolgen zou hebben voor de staat, wanneer zij de heerszucht van priesters en profeten tegemoet kwamen en Jeremia ter dood brachten. "Wij dan doen een groot kwaad tegen onze zielen." Het is goed onszelf van de zonde af te schrikken door de overweging van de schade, die wij onszelf zeker aandoen en het onherstelbaar verlies, dat onze zielen er door lieden zullen.
III. Hier is een voorbeeld van een ander profeet, die door Jojakim ter dood gebracht werd omdat hij profeteerde, zoals Jeremia gedaan had, vers 20 en verv. Sommigen menen, dat dit door de aanklagers werd aangehaald als een geval, dat in `t voordeel van de beschuldigers was, een geval van jonge datum, waarbij dergelijke woorden als Jeremia gesproken had, als verraad beschouwd werden. Anderen menen, dat de oudsten, die als verdedigers voor Jeremia optraden, dit bijbrachten om te tonen, dat zij aldus "groot kwaad zouden doen tegen hun zielen", want het zou zijn zonde tot zonde toedoen. Jojakim, de tegenwoordige koning, had al een profeet gedood, laat men dan de maat niet vol maken door er nog een te doden. Hizkia, die Micha beschermde, was voorspoedig, maar was Jojakim voorspoedig, die Uria doodde? Neen, zij zagen allen het tegendeel. Zoals goede voorbeelden en de goede gevolgen ervan, ons behoren aan te moedigen in hetgeen goed is, zo moeten de voorbeelden van slechte mensen en de slechte gevolgen ervan ons afschrikken van wat kwaad is. Maar sommige goede uitleggers houden het voor het verhaal van de geschiedschrijver, die het boek schreef, Jeremia zelf, of Baruch, die om de verlossing van Jeremia door de vorsten wonderlijker te maken, zijn aandacht vestigt op wet ter zelfder tijd gebeurde, want beide vonden plaats onder de regering van Jojakim, en dit in het begin des koninkrijks, vers 1. Merk nu op,
1. Uria's profetie. "Hij profeteerde tegen deze stad en tegen dit land, naar alle woorden van Jeremia." De profeten van de Heere stemden overeen in hun getuigenis, en men zou denken, dat het woord uit de mond van zovele getuigen de aandacht trekken zou.
2. Hoe hij daarom vervolgd wordt, vers 21. Jojakim en zijn hovelingen waren verbitterd tegen hem, en zochten hem te doden, in dit boze plan was de koning voornamelijk zelf betrokken.
3. Hoe hij zich daarop verbergde, toen hij hoorde, dat de koning zijn vijand geworden was, en hem naar het leven stond, "zo vreesde hij, en vluchtte en kwam in Egypte." Dat was zeker een fout, en een gevolg van de zwakheid van zijn geloof, en de afloop was ermee in overeenstemming. Hij wantrouwde God en Zijn macht om hem te beschermen en hem te steunen, hij was te zeer onder de macht van de vrees voor mensen, die ten val brengt. Het leek wel, dat hij niet durfde te blijven bij wat hij gezegd had of zich schaamde over zijn meester. Het was bijzonder opgepast voor hem "naar Egypte" te vluchten, en aldus inderdaad het land van Israël te verlaten en zichzelf buiten staat te stellen om nuttig te zijn. Er zijn er velen, die veel genade hebben, maar weinig moed, die zeer eerlijk zijn, maar daarbij zeer vreesachtig.
4. Hoe hij niettemin gedood wordt. Jojakims boosheid, zou men denken, kon tevreden zijn met zijn verbanning, en hij kon volstaan met hem uit het land verdreven te hebben, maar "bloedgierige lieden haten de vrome," Spreuken 29:10. Het was zijn ziel, zijn kostbare ziel, die hij zocht, en niets minder dan dat kon hem bevredigen. Zo onverzoenlijk is zijn wraakzucht dat hij een troep soldaten zendt naar Egypte enige honderden mijlen ver, en met wapengeweld brengen zij hem terug. Het was hem niet genoeg voldoening, dat hij in Egypte gedood werd, maar hij wil zijn ogen verlustigen aan het bloedig schouwspel. "Zij brachten hem tot Jojakim en hij sloeg hem met het zwaard niet beter te weten met zijn eigen handen". Toch bevredigde ook dit zijn onverzadelijke boosheid niet, maar hij overlaadt het lijk van de goede man met schande, hij wilde het de voegzame eerbied niet gunnen, die gewoonlijk en terecht bewezen werd aan de overblijfselen van aanzienlijke personen, maar "wierp het in de graven van de kinderen des volks, alsof hij geen profeet des Heeren was geweest, aldus werd het schild van Saul smadelijk weggeworpen, alsof hij niet gezalfd ware geweest met olie". Zo hoopte Jojakim beide zijn reputatie onder het volk te vernietigen, opdat men geen acht zou geven op zijn voorspellingen, en anderen af te schrikken van op dezelfde manier te profeteren, maar tevergeefs: Jeremia zegt hetzelfde. Met het Woord van God valt niet te twisten. Herodes dacht, dat hij het gewonnen had, toen hij Johannes de Doper onthoofd had, maar bemerkte, dat hij zich bedrogen had, toen hij spoedig daarna van Jezus Christus hoorde, en zei, verschrikt. Het is Johannes de Doper.
IV. Hier is Jeremia's verlossing. Hoewel Uria pas ter dood was gebracht, en vervolgers, als zij het bloed van de heiligen hebben geproefd, geneigd zijn naar meer te dorsten (zoals Herodes, Handelingen 12:2, toch bewaarde God Jeremia wonderlijk, schoon hij niet vlood, zoals Uria deed, maar stand hield. Gewone dienaren mogen gewone middelen gebruiken, mits zij wettig zijn, voor hun eigen behoud, maar die een buitengewone zending hebben, mogen een buitengewone bescherming verwachten. God verwekte Jeremia een vriend, wiens hand met hem was hij nam hem op vriendelijke wijze bij de hand bemoedigde hem, gaf hem bijstand, en trad voor hem op. Het was Ahikam, de zoon van Sephan, die staatsdienaar was in Josia's tijd, wij lezen van hem in 2 Koningen 22:12. Sommigen denken, dat Gedalja de zoon van deze Ahikam was. Het schijnt, dat hij grote invloed op de vorsten had, en hij gebruikte allen ten gunste van Jeremia, om de verdere plannen van de priesters en profeten tegen hem te beletten, die hem wilde overgeven in de hand des volks niet het volk, vers 16, dat hem onschuldig had verklaard, maar het ruwe onbeschaamde gepeupel, dat zij konden overhalen door hun vervloekten laster, niet alleen om te roepen: "Kruis hem, kruis hem," maar om het stenigen in een volksoploop, want misschien had Jojakim zoveel gewetenswroeging, dat hij Uria gedood had, dat zij er aan wanhoopten, hem tot het werktuig van hun boosheid te maken. Als het Hem behaagt, kan God grote mannen verwekken om goede te beschermen, en het is een bemoediging voor ons in de weg van de plicht op Hem te vertrouwen, dat Hij de harten van alle mensen in Zijn hand heeft.