Jeremia 26:1-6
Hier hebben wij de prediking, door Jeremia gehouden, die zoveel aanstoot gaf, dat Hij er door in gevaar kwam zijn leven te verliezen. Er wordt hier verslag van gedaan als `t ware, als beroep op het oordeel van de onpartijdige mannen van alle tijden, of Jeremia waardig was te sterven om het overbrengen van een boodschap als deze van God, en of zijn vervolgers geen zeer goddeloze en onredelijke mensen waren.
I. God beval hem, waar hij deze prediking moest houden, en wanneer, en voor welk gehoor, vers 2. Dat niemand Jeremia onbescheiden oordele in de keuze van plaats en tijd, of zegge, dat hij zijn boodschap wel wat meer particulier had kunnen doen, in een hoek, onder zijn vrienden, op wie hij kon vertrouwen, en dat hij verdiende te lijden, omdat hij niet voorzichtiger handelde, want God gaf hem bevelen om te prediken "in het voorhof van het huis des Heeren," dat binnen het bijzonder rechtsgebied was van zijn gezworen vijanden de priesters, en die zich daarom in zeer bijzondere mate beledigd zouden gevoelen. Hij moest, schijnt het wel, prediken ter gelegenheid van een van de meest plechtige feesten, wanneer er kwamen uit al de steden van Juda om te aanbidden in het huis des Heeren. Deze aanbidders hadden, mogen wij veronderstellen grote verering voor hun priesters, geloofden wat zij van de mensen zeiden, en zouden hevig verbitterd zijn tegen hen, die door hen in een kwaad daglicht gesteld werden, bij gevolg zouden zij zich aan hun zijde scharen en hun handen sterken tegen Jeremia. Maar niets van dit alles moet hem bewegen of verschrikken, in het aangezicht van al deze gevaren moet hij deze prediking houden, die, als zij overtuigde, zeer kwetsend moest zijn. En omdat de profeet in verzoeking zou zijn, om de inhoud wat te verzachten, en die aangenamer te maken voor zijn hoorders dan God die voor hen gemaakt had, om een aanstotelijke uitdrukking te verwisselen voor een, die minder aanstoot gaf, daarom gelast God hem `t bijzonder, "doe er niet één woord af," maar spreek alle de dingen, ja alle de woorden, die Ik u bevolen heb. Gods gezanten moeten zich nauw aan hun instructies houden, en er niet `t minst van afwijken, om mensen te behagen of om zich tegen gevaar te beveiligen. Zij moeten er niet toe doen en er niet af doen, Deuteronomium 4:2.
II. God had hem bevolen, wat te prediken, en wel zulks, dat het niemand aanstoot geven kon dan de zodanigen, die besloten waren toch door te gaan met hun overtredingen.
1. Hij moest hun verzekeren, dat, als zij zich wilden bekeren van hun zonden, en zich er van afkeren, hoewel zij in dreigend gevaar verkeerden van ondergang, en oordelen van verwoesting direct voor de deur stonden, deze oordelen toch zouden ophouden en God Zijn twist met hen niet verder zou drijven, vers 3. Dit was de hoofdzaak van de bedoeling, waarmee God hem tot hen zond, om te beproeven, of zij zich van hun zonden wilden afkeren, opdat God Zich van Zijn toom mocht afwenden, en de oordelen die hen dreigden, te weerhouden, waartoe Hij niet alleen geneigd, maar hetgeen Hij ook zeer verlangend was, te doen, zodra Hij het doen kon, zonder tekort te doen aan de eer van Zijn rechtvaardigheid en heiligheid. Zie hoe God wacht, "opdat Hij u genadig zij," wacht totdat wij er met recht voor in aanmerking komen, totdat wij voor Zijn genade geschikt zijn, en tegelijkertijd verschillende manieren beproeft om het ons te maken.
2. Aan de andere kant moest hij hun verzekeren, dat, als zij voortgingen hardnekkig te zijn tegenover elke oproep, die van Godswege tot hen kwam, en volharden zouden in hun ongehoorzaamheid, dat zeker eindigen zou met de ondergang van hun stad en tempel, vers 4-6. a. Wat God van hen verlangde, was, dat zij in acht zouden nemen, wat Hij hun gezegd had, beide door het geschreven woord en door Zijn dienaren, "dat gij wandelt in Mijn wet, die Ik voor uw aangezicht gegeven heb, de wet van Mozes en de rechten en inzettingen er in vervat, horende naar de woorden Mijner knechten, de profeten," die hun niets op het hart drukten dan wat volgens de wet van Mozes was, die hun gegeven was als een toetssteen, om de geesten te beproeven, en hierdoor waren zij te onderscheiden van de valse profeten die hen van de wet af, in plaats van naar de wet toe trokken. De wet was, wat God zelf aan hen gaf. De profeten waren Zijn eigen dienaren, en werden onmiddellijk door Hem tot hen gezonden, en gezonden met grote zorg en bezorgdheid, "vroeg op zijnde en zendende" opdat zij niet te laat zouden komen, als hun vooroordelen over hen heersten en onoverwinnelijk waren geworden. Zij waren tot nu toe doof geweest beide voor de wet en de profeten: "Gij hebt niet gehoord." Al wat hij nu verwacht, is, dat zij tenslotte zouden in acht nemen, wat Hij zei, en Zijn woord tot hun regel maken-een redelijke eis.
b. Waarmee gedreigd wordt in geval van weigering is, dat deze stad en de tempel daarin het lot zullen delen van hun voorgangers, Silo en de tabernakel aldaar, wegens eenzelfde weigering om in Gods wet te wandelen en naar Zijn profeten te horen, ten tijde toen de tegenwoordige bedeling van de profetie juist begon met Samuël. Kon er nu een vonnis uitgesproken worden met minder uitzonderingen? Is het geen rechtsregel "ut parfum par ut ratio-"dat zij, wier geval gelijk staat, gelijk behandeld worden? Als Jeruzalem in zonde gelijk is aan Silo, waarom zou het dan ook niet gelijk zijn aan Silo ten opzichte van straf? Kan men iets anders verwachten? Het was niet de eerste maal, dat Hij hen op deze wijze waarschuwde, zie Hoofdstuk 7:12, 14. Toen de tempel, die de heerlijkheid van Jeruzalem was, verwoest werd, werd de stad daarmee tot een vloek gesteld, want de tempel was het, die ze tot een zegen maakte. "Indien het zout smakeloos wordt, deugt het nergens meer toe." Het zal tot een vloek zijn, dat is: het zal het voorbeeld van een vloek zijn, als iemand een stad wil vloeken zal hij zeggen. God stelle ze als Jeruzalem! Die niet onderworpen willen zijn aan Gods geboden, maken zichzelf aan Gods vloek onderworpen.