Jeremia 25:1-7
Wij hebben hier een boodschap van God, die het gehele volk van Juda aangaat, vers 1, die Jeremia in Zijn naam, aan al het volk van Juda, overbracht, vers 2. Let er op, dat alles wat van algemeen belang is ook ter algemene kennis behoort te worden gebracht. Het is recht, dat het woord, dat het gehele volk aangaat, zoals Gods Woord doet, in `t bijzonder het Evangeliewoord, allen in `t algemeen worde verkondigd en voor zoverre dit kan, ook aan ieder in `t bijzonder. Jeremia werd in Hoofdstuk 22:1 naar het huis des konings gezonden en hij schepte moed om daar zijn boodschap over te brengen. Hier wordt hij gezonden naar het gehele volk, en hij ontziet de moeite niet aan al die mensen zijn boodschap te zeggen, waarschijnlijk deed hij dit, toen ze allen naar Jeruzalem waren opgekomen om op een van de plechtige feesten te aanbidden, dan had hij ze bijeen en dan ook, indien ooit, was het te verwachten, dat zij geneigd zouden zijn raad aan te nemen en onderwijs te ontvangen.
Deze profetie dagtekent uit het vierde jaar van Jojakim en uit het eerste jaar van Nebukadrezar. Nebukadrezar nam, in het laatst van Jojakims derde regeringsjaar, zelf de regering op zich (hij had enigen tijd samen met zijn vader geregeerd), zoals blijkt uit Daniël 1:1. Maar het vierde jaar van Jojakim was ingetreden, voor `t eerste jaar van Nebukadrezar aan `t eind was. Nu die werkzame, vermetele, krijgshaftige vorst begon te streven naar de wereldheerschappij, laat God door Zijn profeet hem weten, dat hij Zijn dienaar is, en geeft hem te verstaan voor welk werk Hij hem denkt te gebruiken, opdat zijn toenemende grootheid, zo geducht voor alle volken, niet zo zal worden uitgelegd, dat er ook maar enige schaduw valt op de macht en voorzienigheid van Gods wereldbestuur. Nebukadrezar zou niet zo'n grote kans hebben alleenheerser te worden, of liever gezegd, de tiran te worden over zo'n groot koninkrijk, indien God geen redenen uit zichzelf had om zich van hem te bedienen. De wereld zal door de uitvoering van Gods raadsbesluiten verstaan, waartoe God veroorloofde, ja zelfs iets beval, dat zo'n schaduw op Zijn soevereiniteit en goedheid scheen te werpen.
Nu kunnen we in deze boodschap opmerken, dat er zeer veel moeite gedaan is om het volk tot berouw te brengen, hetwelk hun hier herinnerd wordt en als een verzwaring hunner zonde wordt aangemerkt, waardoor ook Gods rechtvaardigheid in Zijn handelingen tegen hen in `t licht treedt.
I. Wat Jeremia betreft, hij had aanhoudend onder hen gepredikt drie en twintig jaren lang, in het dertiende jaar van Josia, die een en dertig jaren regeerde, was hij er mee begonnen, zodat hij ongeveer achttien of negentien onder zijn regering profeteerde, daarna onder de regering van Joahaz en dan vier jaren onder Jojachin.
Merk op: God tekent aan, of wij het doen of niet, hoelang wij onder de genademiddelen hebben verkeerd, en hoe langer wij ze genoten hebben, zoveel zwaarder zal onze verantwoordelijkheid zijn, als wij er geen gebruik van hebben gemaakt. "Ik kom nu drie jaren" (drie en twintig jaren) zoekende vracht op deze vijgeboom, Lukas 13:7. Al die tijd was God,
1. Getrouw geweest in `t zenden van boodschappen tot hen, als daar behoefte voor was: "Van die tijd tot op deze dag is het Woord des Heeren tot mij geschied, voor ulieder nut." Hoewel zij in de boeken van Mozes reeds het hoofdbestanddeel van de waarschuwingen hadden ontvangen, zond God, toch, daar er niet genoeg acht op werd geslagen en men ze ook verkeerd toepaste, meer waarschuwingen om ze te versterken en meer in bijzonderheden, opdat zij geen uitvluchten zouden kunnen bedenken. Aldus was Gods geest twistende met hen, zoals in vroeger tijd, Genesis 6:3.
2. Jeremia is getrouw en ijverig geweest in het overbrengen van zijn boodschappen. Hij kon zich op henzelf zowel als op God en zijn eigen geweten beroepen, wat deze zaak betreft: "Ik heb tot ulieden gesproken, vroeg op zijnde en sprekende. Hij had hun de wet Gods verklaard, hij had zeer veel zorg en moeite besteed aan de manier waarop hij zijn opdracht mocht volbrengen, opdat hij hun mocht winnen en op de juiste plaats treffen". Wanneer mensen ergens naar streven en dit ook zeer wensen te bereiken, dan staan ze vroeg op om er naar te jagen. Het duidt hier aan, dat zijn hoofd zo vol gedachten daarover was, en zijn hart zo sterk verlangend was goed te doen, dat het zijn slaap verkortte, en hem vroeg op deed staan om plannen te vormen op welke manier hij te werk zou gaan, opdat hij tot hun nut onder hen werkzaam mocht zijn. Hij stond vroeg op omdat hij geen tijd wilde verliezen en ook omdat hij beslag wilde leggen en gebruik wilde maken van de besten tijd om onder hen te werken. Indien al, dan was de morgenstond de tijd, dat zij nuchter en kalm waren. Christus kwam "vroeg in de morgen om in de tempel te prediken, en het volk kwam even vroeg om Hem te horen", Lukas 21:38. Morgendiensten hebben hun voordeel." Gij zult Mijn stem in de morgen horen."
II. Naast hem, had God ook andere profeten met dezelfde boodschap tot hen gezonden, vers 4. Van de profeten, die alles te boek stelden, waren Micha, Nahum en Habakuk enige tijd vóór hem geweest en was Zefanja zijn tijdgenoot. Maar behalve deze waren er vele anderen van "Gods knechten, de profeten," die door hun predikingen het volk tot bekering riepen, maar deze leerredenen zijn niet opgetekend. En hier wordt van God zelf gezegd, "dat Hij vroeg op was en Zijn knechten zond. Dit duidt aan hoe ook zijn hart begerig was, dat dit volk zich zou bekeren en leven mocht en niet sterven zou," Exodus 33:11
III. Al de hun gezonden boodschappen leidden tot een doel en waren ongeveer van gelijke inhoud, vers 5, 6.
1. Werden hun gebreken vermeld, "hun boze weg en de boosheid van hun handelingen." Zulke boodschappen, waarin zij gevleid werden, alsof er geen kwaad onder hen was, zond God hen niet.
2. Zij, allen, berispten hen in `t bijzonder over hun afgoderij, dit was een zonde, die in bijzondere mate Gods toorn opwekte, hun "nawandelen van andere goden om die te dienen en voor die neer te buigen."
3. Zij, allen, vermaanden hen tot berouw over hun zonden en tot bekering huns levens. Bekeert u toch, een ieder van zijn bozen weg", was het refrein van elk lied. Let er op, dat er op een persoonlijk en bijzonder herstel moet aangedrongen worden, wil men een uitredding voor het gehele volk: "een ieder moet zich van zijn bozen weg bekeren." De straat is niet schoon of iedereen moet de straat voor zijn eigen deur reinigen.
4. Zij, allen, gaven hun de verzekering, dat indien zij er naar deden, zij zeker zouden zijn van "verlenging van hun vrede." Zij zouden bij voortduur genieten van de genadegiften: "Gij zult wonen in het land, in gerustheid, in vrede wonen, in dit goede land, hetwelk de Heere u en aan uw vaders gegeven heeft." Niets dan zonde zal er u uit verdrijven en gij zult niet verdreven worden, indien gij verre blijft van `t kwade." De gevreesde oordelen zouden tegengehouden worden. "Vertoornt Mij niet door het werk van uw handen, opdat ik u geen kwaad doe," of (naar de Engelse vertaling): Vertoornt Mij niet en ik wil u geen kwaad doen. Let er op. God zou ons nooit door `t kwade van de straf treffen, indien wij Hem niet door `t kwade van de zonde vertoornden. God handelt goedgunstig met ons tuchtigt Zijn kinderen nooit zonder oorzaak of doet ons smart aan, tenzij wij Hem aanstoot geven.
IV. Toch was alles vergeefs. Zij waren niet te bewegen de enige en rechte weg te kiezen, die hen zeker leiden zou tot het afwenden van Gods gramschap. Jeremia was een zeer levendige, hartelijke prediker, maar toch, zij hebben niet gehoord, noch hun oor geneigd om te horen, vers 4. Van alle zonden was deze zonde, die hun voorgehouden werd, in bijzondere mate de Heere een gruwel en deed hen in `t gericht komen voor God. Zij gingen moedwillig in die zonde voort: Gij vertoornt Mij door het werk van uw handen, u zelf ten kwade.
Merk op. Waarmee wij God vertoornen zal ten laatste blijken te zijn: kwaad over onszelf gebracht en wij moeten er zelf de schuld van dragen. "O Israël! gij hebt uzelf verdorven."