1 Koningen 6:15-38
I. Wij hebben hier een beschrijving van de lambrisering van het huis, zij was van cederhout, dat sterk en duurzaam was en een aangename reuk verspreidde, de lambrisering was kunstig gesneden met knoppen (als eieren of appelen) en bloemen, zoals dit toen ongetwijfeld in zwang was, vers 18.
II. Het huis was van binnen, niet verguld maar geheel met goud overtogen, vers 22, tot zelfs de vloer overtoog hij met goud, vers 30 en de aanspraakplaats overtoog hij met gesloten goud, vers 21. Salomo ontzag geen onkosten, die nodig waren, om de tempel in ieder opzicht prachtig te maken. Goud was daar onder de voet, zoals het in alle levende tempels behoort te zijn, de overvloed er van verminderde zijn waardij.
III. De aanspraakplaats, of het heilige van de heiligen, aldus genoemd omdat vandaar God tot Mozes gesproken heeft, en misschien tot de hogepriester, als hij de borstlap des gerichts raadpleegde. In die plaats moest de ark des verbonds gezet worden, vers 19. Salomo maakte alles nieuw en prachtiger dan het geweest is, behalve de ark, die nog dezelfde was, welke Mozes had gemaakt, met haar verzoendeksel en cherubim. Zij was het teken van Gods tegenwoordigheid, die altijd dezelfde is bij Zijn volk, of zij in een tent of in een tempel samenkomen, en verandert niet met hun toestand.
IV. De cherubim. Behalve die aan het einde van het verzoendeksel, die de ark bedekte:
1. Heeft Salomo er nog twee gesteld, zeer grote. Het waren (naar sommigen denken) beelden van jongelingen, met vleugelen van olijvenhout, en geheel met goud overtogen vers 23 en verv. Dit heilige der heiligen was veel groter dan dat in de tabernakel en daarom zou de ark er als verloren in schijnen, en de dode muur zou lelijk geweest zijn, indien hij niet aldus ware versierd.
2. Hij graveerde cherubim op al de muren van het huis, vers 29. De heidenen richtten beelden op van hun goden, en aanbaden die, deze cherubim waren bestemd om de dienaren van de God Israëls voor te stellen, de heilige engelen, niet om zelf aangebeden te worden (Zie toe dat gij dat niet doet) maar om te tonen hoe groot Hij is, die wij moeten aanbidden.
V. De deuren. De deuren die toegang geven tot de aanspraakplaats, besloegen slechts een vijfde van de muur, vers 31, die van de tempel waren er een vierde deel van, vers 33, maar zij waren versierd met cherubim, die er op gegraveerd waren, vers 32, 35.
Vl. Het binnenste voorhof, waar het koperen altaar was, waaraan de priesters dienden, dit was van het voorhof, waar het volk was, gescheiden door een lage muur, drie rijen van gehouwen stenen waarboven een rij was van cederen balken als kroonlijst, vers 36, opdat het volk er over heen zou kunnen zien naar hetgeen gedaan werd, en horen kon wat de priesters tot hen zeiden, want ook onder die bedeling werden zij niet geheel in het duister gelaten of op een afstand gehouden.
Eindelijk. De tijd, die met deze bouw werd doorgebracht. Het was slechts zeven en een half jaar van de grondlegging tot aan de voltooiing er van, vers 38. In aanmerking genomen de uitgestrektheid en de sierlijkheid van het gebouw en de vele aanhangsels er van, die nodig waren om het geschikt te maken voor het gebruik, was het spoedig gedaan. Salomo was er zeer ijverig voor, had geld genoeg, had niets om er hem van af te leiden, en "vele handen maken licht en ook snel werk" hij voltooide het met al zijn stukken, met al de aanhangselen en de inzettingen er van. Hij bouwde niet slechts de plaats, maar hielp het werk vooruit, waarvoor zij gebouwd was.
Laat ons nu zien wat door deze tempel afgebeeld, of afgeschaduwd werd.
1. Christus is de ware tempel, Hijzelf heeft van de tempel Zijns lichaams gesproken, Johannes 2:21. God zelf heeft Hem het lichaam toebereid, Hebreeën 10:5. "In Hem heeft de volheid van de Godheid gewoond," zoals de Shechina in de tempel, in Hem ontmoeten zich allen, die tot het geestelijk Israël Gods behoren, door Hem hebben wij toegang met vrijmoedigheid tot God, al de engelen Gods, deze gezegende cherubim, hebben als taak Hem te aanbidden.
2. Ieder gelovige is een levende tempel, in wie de Geest Gods woont, I Corinthiers 3:16. Zelfs het lichaam is dit krachtens zijn vereniging met de ziel, I Corinthiers 6:19. Wij zijn niet alleen wonderbaarlijk gemaakt door de Goddelijke voorzienigheid, maar nog wonderbaarlijker opnieuw gemaakt door de Goddelijke genade. Deze levende tempel is gebouwd op Christus als zijn fundament, en zal ter bestemder tijd volmaakt worden.
3. De Evangeliekerk is de mystieke tempel zij "wast op tot een heilige tempel in de Here" Efeziers 2:21. Zij wordt verrijkt en versierd met de gave en genade des Geestes, zoals Salomo's tempel met goud en kostelijke stenen. Alleen Joden hebben de tabernakel gebouwd, maar in het bouwen van de tempel hebben heidenen zich bij hen gevoegd, zelfs vreemdelingen en bijwoners zijn mee gebouwd "tot een woonstede Gods," Efeziers 2:19, 22. De tempel was verdeeld in het heilige en het heilige der heiligen, de voorhoven in een binnenste en buitenste voorhof, zo is er de zichtbare en de onzichtbare kerk. De deur van de tempel was breder de die van de aanspraakplaats, velen komen wel in, maar worden niet zalig. Deze tempel is vast gebouwd op een rots, werd niet uit elkaar genomen zoals de tabernakel van het Oude Testament. De voorbereiding voor de tempelbouw duurde lang, maar ten laatste werd hij gebouwd. De hoofdsteen van de Evangeliekerk zal ten laatste voortgebracht worden met toeroepingen, en het is te betreuren dat het gedruis van bijlen en hameren bij het bouwen er van gehoord wordt. Engelen zijn gedienstige geesten, die de kerk aan alle zijden, en al de leden er van, vergezellen en bewaren.
4. De hemel is de eeuwige tempel, daar zal de kerk gevestigd zijn en niet langer bewogen worden. Met toespeling op de vloer des tempels wordt gezegd dat de straten van het nieuwe Jeruzalem van zuiver goud zijn, Openbaring 22:21. Daar omringen de cherubim steeds de troon van de heerlijkheid. De tempel was eenvormig, en in de hemel is de volmaaktheid van de schoonheid en van de harmonie. In Salomo's tempel was geen gedruis van bijlen en hameren, in de hemel is alles rustig en kalm, allen, die stenen zullen zijn in dat gebouw, moeten in de tegenwoordige tijd van beproeving en toebereiding er geschikt en bekwaam voor worden gemaakt, moeten door genade gehouwen en gefatsoeneerd, en aldus voor een plaats aldaar bekwaam worden gemaakt.