Jeremia 34:1-7
Deze profetie betreffende Zedekia werd aan Jeremia gegeven en door hem aan de betreffende personen overgebracht, voordat hij in de gevangenis gesloten werd, want wij vinden, dat hij om deze voorspelling gevangen gezet werd als blijkt uit sommige passages, Hoofdstuk 32:4. Hier valt op te merken,
I. In welke tijd deze boodschap tot Zedekia gezonden werd, het was, toen de koning van Babel en zijn hele leger, en alle koninkrijken van de aarde, die onder de heerschappij van zijn hand waren, tegen Jeruzalem streden en tegen alle haar steden, vers 1, met het doel ze te verwoesten, daar zij reeds vaak geplunderd waren. De steden, die nog overgebleven waren, en het nog uithielden, worden genoemd, vers 7, Lachis en Azeka. Dit betekent, dat het einde nabij was, en toch hield Zedekia hardnekkig vol, daar zijn hart verhard was, tot zijn verderf.
II. De boodschap zelf, die tot hem gezonden werd.
1. Hier is een bedreiging van toorn. Hem wordt opnieuw gezegd, wat hem tevoren reeds zo vaak gezegd was, dat de stad door de Chaldeën zal gewonnen worden en met vuur verbrand, vers 2, dat hij zelf in des vijands hand vallen zal, dat hij gevangen genomen, voor Nebukadnezar, die grimmige vorst, gevoerd en gevankelijk naar Babel weggevoerd zal worden, vers 3, toch profeteerde Ezechiël, dat hij Babel niet zien zou, wat ook gebeurde, want zijn ogen worden uitgestoken, Ezechiël 12:13. Dit bracht Zedekia over zich van Godswege door zijn andere zonden, en van Nebukadnezars zijde door zijn woord aan hem te breken.
2. Hier is een bijmengsel van genade. Hij zal als gevangene sterven, maar hij zal door het zwaard niet sterven, hij zal een natuurlijke dood sterven, vers 4 hij zal zijn dagen niet troosteloos eindigen, hij zal in vrede sterven, vers 5. Hij was nooit een van de slechtste koningen geweest, maar wij zijn bereid te geloven, dat hij in zijn gevangenschap berouw had over het kwaad, dat hij voor het aangezicht des Heeren gedaan had, zoals Manasse en het was hem vergeven, en, als God met hem verzoend was, kon naar waarheid gezegd worden, dat hij in vrede stierf. Iemand kan in de gevangenis sterven en toch sterven in vrede. Ja, hij zal zijn dagen niet eindigen zonder eer zelfs met meer eer dan men verwachten zou, alles wel beschouwd. Zij zullen over hem branden, "naar de brandingen van uw vaderen," dat is, met de eerbied, gewoonlijk aan hun koningen bewezen, in `t bijzonder, die recht gedaan hadden in Israël. Het schijnt, dat hij zich in zijn gevangenschap zo goed gedragen had jegens zijn eigen volk, dat zij bereid waren hem deze eer te doen, en jegens Nebukadnezar, dat hij het toeliet. Indien Zedekia voorspoedig gebleven was, dan zou hij misschien slechter geworden en heengegaan zijn, "zonder begeerd te zijn", maar zijn beproevingen bewerkten zo'n grote verandering in hem, dat zijn dood als een groot verlies beschouwd werd. Het is beter berouwvol in een gevangenis te leven en te sterven, dan onboetvaardig in een paleis te leven en te sterven. "Zij zullen u beklagen, zeggende: Och heer! een eer die niet te beurt viel aan zijn broeder Jojakim" Hoofdstuk 22:18. De Joden zeggen, dat zij aldus over hem klaagden: Helaas! Zedekia is dood, die de droesem dronk van alle eeuwen, die hem voorafgingen dit is, die leed voor de zonden van zijn voorouders, daar de maat van de ongerechtigheid in zijn dagen vol was. Aldus zullen zij hem beklagen, "spreekt de Heere, want Ik heb het woord gesproken, " en wat God gesproken heeft, zal ongetwijfeld gebeuren.
III. Jeremia's getrouwheid in het overbrengen van deze boodschap. Hoewel hij wist, dat het ondankbaar zou zijn jegens de koning, en gevaarlijk voor hem zelf kon blijken te zijn, zoals inderdaad ook het geval was (want hij werd er om gevangen gezet, toch sprak hij alle deze woorden tot Zedekia, vers 6. Het is een geluk voor aanzienlijke mannen, dezulken bij zich te hebben, die getrouwelijk met hen handelen, en hen waarschuwen voor de boze gevolgen van hun boze daden, zodat zij zich kunnen verbeteren en leven.