Jeremia 21:8-14
Uit de beleefde boodschap, die de koning aan Jeremia zendt, zou men opmaken, dat zowel de vorst als het volk eerbied beginnen te krijgen voor de profeet, en deze zou daarvan hebben kunnen gebruikmaken om voor zichzelf enig voordeel te behalen. Maar het antwoord dat God hem in de mond legt, is voldoende om alle eerbied voor hem weg te nemen en ze nog meer tegen hem te verbitteren. Niet alleen de voorspellingen in de vorige verzen maar ook de aanwijzingen, die de profeet nu gaat geven, prikkelen hen, want
I. Hij raadt het volk aan zich over te geven en uit te gaan naar de Chaldeën, als het enige middel om hun leven te redden, vers 8-10. Deze raad mishaagde ten zeerste degenen, die door hun valse profeten waren aangespoord tot het wanhopig besluit om ten uiterste vol te houden, vertrouwende op de sterkte van de muren en de moed van de krijgslieden om de vijand buiten de stad te houden, of op hulp van vreemden om ze te ontzetten. De profeet verzekert hen: "Deze stad zal gegeven worden in de hand des konings van Babel, en hij zal ze niet alleen plunderen, maar bovendien met vuur verbranden, want God zelf heeft zich tegen deze stad gesteld ten kwade, en niet ten goede, om ze te verwoesten en niet te verschonen, ten kwade, waarmee geen goed zal verbonden worden geen verzachting of barmhartige verkorting". Daarom, zo gij van twee kwaden het beste wilt kiezen, vraagt gratie van de Chaldeën en wordt krijgsgevangenen. Tevergeefs trachtte Rabsake de Joden daartoe over te halen, toen God vóór hen was, Jesaja 36:16, maar het was nu de beste weg, daar God nu tegen hen was. Zowel de wet als de profeten hadden hun menigmaal beide leven en dood voorgesteld maar in een andere zin: het leven, indien zij Gods stem zouden gehoorzamen, de dood zo ze in ongehoorzaamheid bleven volharden, Deuteronomium 30:19. Maar zij hadden dat leven versmaad, hetwelk hen waarlijk gelukkig zou gemaakt hebben, om hun dat te verwijten, gebruikt de profeet hier dezelfde uitdrukking, vers 8. Ziet ik stel voor ulieder aangezicht de weg des levens en de weg des doods. Die woorden geven nu niet een heerlijk vooruitzicht, maar een treurige keuze, hun aanradende, van twee kwaden het minste te kiezen, en dat minste, een schandelijke en ellendige ballingschap, is al het leven dat zij nu voor zichzelf kunnen verwerven. "Hij die in de stad blijft, en daarin heil zoekt, zal zeker sterven of door het zwaard des vijands of door honger of pestilentie". "Maar hij, die zich daartoe kan vernederen, dat hij, de ijdelheid van zijn hoop inziende, uitgaat en valt tot de Chaldeën die zal leven en zijn ziel zal hem tot een buit zijn." Hij zal er het leven afbrengen, maar met moeite en als bij toeval, als een prooi de machtigen ontnomen. Hij wordt "behouden doch alzo als door vuur." Hij zal ternauwernood ontkomen, het zal hem een vreugde en voldoening vol verbazing zijn, als hij zijn leven redt van zo'n algehele verwoesting als door een, die de buit uitdeelt. Zij meenden het kamp van de Chaldeën ten buit te hebben, zoals hun vaderen dat van de Assyriërs, Jesaja 33:23, maar zij zullen deerlijk ontnuchterd worden. Zich op genade of ongenade overgeven, ziedaar al de buit, die hun ten deel zou vallen. Niemand kon veronderstellen, dat deze raad van de profeet in Gods naam, enige instemming zou ontmoeten of gevolgd worden. Het schijnt ook, dat niemand, of slechts een enkele daaraan gehoor heeft gegeven, zo zeer waren hun harten tot hun eigen verderf, verhard.
II. Hij raadt de koning en de vorsten, de plichten, aan hun rang verbonden, ter harte te nemen. Omdat het de koning was, die een boodschap had gezonden, bevat ook het antwoord een woord bijzonder tot "het huis des konings" gericht. Niet om hem te vleien of te behagen (dat was des profeten werk niet, zelf niet wanneer men hem eerde, door hem een boodschap te zenden), maar om hem heilzamer raad te geven vers 11, 12. "Richt des morgens recht, doe dat zorgvuldig en volijverig. Die overheden, die hun ambt waardiglijk wilden bekleden, moesten vroeg opstaan. Haast u, vertoeft niet, recht te doen, wanneer men tot u komt en vermoei hen, die recht zoeken, niet langer, gelijk gij gedaan hebt. Blijft niet in uw slaapkamer om de door uw uitspattingen van de vorige avond verloren slaap in te halen, en brengt uw morgens niet door met uw lichaam te verzorgen (zoals de vorsten in Prediker 10:16), maar gebruikt ze om uw ambt waar te nemen. Dan zult ge verlost worden uit de hand dergenen, die u verdrukken, en mogen verwachten, dat God u recht zal doen. Ziet dus, dat gij recht doet dengenen, die er u om vragen, en "verlost de beroofde uit de hand des verdrukkers, opdat mijn gramschap niet uitvare als een vuur tegen u op een bijzondere wijze, en zij, die het best dachten te varen, er het slechtst afkomen, vanwege de boosheid uwer handelingen." Nu
1. Tonen deze woorden aan, dat de veronachtzaming van hun plicht al deze ellende over het volk had gebracht. Het was de boosheid hunner handeling, die het vuur van Gods toorn had ontstoken". Zo duidelijk spreekt hij zich ten opzichte van des konings huis uit, want wie het voorrecht van des profeten gebeden begeerden, moesten ook dankbaar zijn vermaningen aanhoren.
2. Dit leert hun de rechte manier om een nationale reformatie op touw te zetten. Zij moeten beginnen en een goed voorbeeld geven, en dan het volk tot reformatie opwekken. Zij moeten hun macht gebruiken om wie onrecht deden, te straffen, en dan zou het volk tot reformatie moeten komen. Hij herinnert hun, dat "zij het huis Davids" zijn en daarom in Zijn voetstappen moeten wandelen. die ook recht en gerechtigheid onder Zijn volk handhaafde
3. Dit geeft hun aanmoediging om te hopen, dat er verlenging hunner rust mocht zijn, Dan 4:27. Als iets hen van de rand des verderfs kan terugvoeren, dan is het dat.
III. Hij toont hun aan, hoe ijdel al hun hoop is, zolang zij van geen bekering weten willen, vers 13, 14. Jeruzalem is een inwoner van het dal, aan alle zijden door bergen beschermd, die haar natuurlijke versterkingen uitmaakten, zodat een leger de stad moeilijk naderen kon. "Ze is de rots van de vlakte," die het voor een vijand moeilijk maakte, ze te ondermijnen. Op deze lokale voordelen vertrouwden ze meer dan op de macht en de beloften Gods, en menende, dat de stad daardoor onneembaar werd, spotten zij met Gods oordelen, zeggende: "Wie zou tegen ons afkomen? Niemand van onze buren zal dat durven bestaan, of, indien al, wie zou komen in onze woningen?" Er was enige reden voor dit vertrouwen, want allen rondom hen schijnen van mening geweest te zijn, "dat geen vijand tot de poorten van Jeruzalem zou ingaan," Klaagliederen 4:12. Maar zij zijn het minst veilig, die het zekerst zijn. Spoedig zou God hun de holheid van deze vraag laten zien, Wie zou tegen ons afkomen? wanneer Hij zegt, vers 13, zie, Ik wil aan u. Door hun goddeloosheid hadden zij inderdaad God uit hun stad verdreven, toen Hij als hun Vriend met hen zou gebleven zijn, maar hun bolwerken zouden Hem er niet buiten houden, wanneer Hij tegen hen kwam als een vijand. Zo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn? Maar, zo Hij tegen ons is, wie kan voor ons zijn, om ons te helpen? Ja, Hij komt niet tegen hen als een vijand, die wettig en met enige hoop op goede uitslag bestreden kan worden, maar als een rechter, die men niet weerstaan kan. Hij zegt namelijk, vers 14 :Ik zal, door het recht zijn loop te laten, over ulieden bezoeking doen naar de vrucht uwer handelingen, dat is: naar derzelver verdienste en bedoelingen. Wat over u gebracht wordt, is het natuurlijk gevolg uwer zonde. Ja, Hij zal over hen komen niet alleen met de toorn van een vijand en de rechtvaardigheid van een rechter, maar ook met de macht van een verterend vuur, dat van geen sparen weet, gelijk een rechter soms maar verteert alles brandbaars, dat onder zijn bereik komt. Jeruzalem is een woud geworden, waarin God "een vuur zal aansteken, hetwelk alles zal verteren. Want God zelf is een verterend vuur, en wie kan voor Hem bestaan, wanneer Zijn toorn ontstoken is?"