Prediker 10:16-20
Salomo merkt hier op:
1. Hoeveel het geluk van een land afhangt van het karakter van zijn heersers. Het is goed of slecht met het volk, al naar de vorsten goed of slecht zijn.
A. Het volk kan niet gelukkig zijn, als zijn vorsten kinderachtig en weelderig zijn, vers 16, wee u, land, zelfs het land Kanaän zelf, hoewel het anders de roem is van alle landen, als uw koning een kind is, niet zozeer in jaren, (Salomo zelf was jong toen zijn koninkrijk gelukkig in hem was) als wel in verstand, als de vorst zwak en dwaas is als een kind, wispelturig en verzot op veranderingen, gemelijk en humeurig, gemakkelijk te bedriegen, en moeilijk aan het werk en de zaken te krijgen, dan staat het slecht met het volk. Het lichaam wankelt als het hoofd duizelig is. Misschien heeft Salomo dit geschreven, omdat hij het slechte gedrag van zijn zoon Rehabeam voorzag, 2 Kronieken 13:7, hij was een kind, alle dagen van zijn leven, en zijn geslacht en zijn koninkrijk is het zoveel erger er om gegaan. Het staat ook niet veel beter met een volk als zijn vorsten in de morgenstond eten, een god maken van hun buik, en zich tot slaven maken van hun lusten. Indien de koning zelf een kind is, maar de vorsten en raadslieden wijze en getrouwe mannen zijn, die zich toeleggen op de zaken en ze goed behartigen, dan kan het er met het land te beter om zijn, maar indien zij zich wijden aan hun genoegen en vermaak, de voorkeur geven aan het verzorgen van het vlees boven het afdoen van de openbare zaken, waarvoor zij zich ongeschikt maken door in de morgenstond te eten en te drinken, als rechters genotzuchtig zijn, en niet eten om te leven maar leven om te eten, welk goed kan een volk dan verwachten?
B. Het volk kan niet anders dan gelukkig zijn, als zijn heersers edelmoedig en bedrijvig werkzaam zijn, sober en matig, mannen van zaken zijn. Het land is welgelukzalig:
a. als de soeverein geregeerd wordt door beginselen van eer, als de koning een zoon is van de edelen bezield en gedreven wordt door een edele geest die het veracht om iets laags te doen, iets dat, niet betaamt aan een zo hoog en eervol karakter, die zorgt voor het openbare welzijn, en dat stelt boven zijn particuliere belangen. Wijsheid, deugd en de vreze Gods, weldadigheid en bereidwilligheid om aan geheel het mensdom goed te doen, deze hoedanigheden veredelen het koninklijk bloed.
b. Als de mindere magistraten meer in zorg zijn om zich te kwijten van hun plicht dan om hun lusten te bevredigen, als zij ter rechter tijd eten, dat is: als zij eten wanneer zij hun zaken hebben afgedaan, en dan honger hebben. God geeft aan de schepselen hun spijs te eten op zijn tijd, Psalm 145:15. Laat ons de onze niet ontijdig nemen opdat wij er het lieflijke niet van missen van te zien, dat God ze ons geeft. Magistraten behoren te eten tot sterkte, opdat het lichaam geschikt zal zijn om hun ziel te dienen in de dienst van God en van hun land, en niet tot drinkerij, om zich ongeschikt te maken om iets te doen voor God of de mens en inzonderheid om te zitten in het gericht, want zij zullen dwalen van de wijn, Jesaja 28:7, drinken en de inzetting vergeten Spreuken 31:5. Het is wel met een volk, als zijn vorsten voorbeelden zijn van matigheid, als zij, die het meest aan zich ten koste kunnen leggen, zich weten te verloochenen.
2. Van welke slechte gevolgen traagheid is, beide voor particuliere en openbare zaken, vers 18. Door grote luiheid en slapheid van de handen, het veronachtzamen van de zaken en de liefde tot gemak en genot, verzwakt het gebinte, vermolmt het gebouw, wordt het huis eerst doorlekkende en langzamerhand valt het in, als het niet goed gedekt wordt gehouden, en er niet voor wordt gezorgd om de breuken te herstellen, zo die voorkomen, het zal inregenen, en het houtwerk zal verrotten, en het huis zal onbewoonbaar worden. Zo is het ook met het gezin en de zaken ervan, als de mensen het niet van zich kunnen verkrijgen om zich moeite te geven in hun beroep en bedrijf, om hun winkels of werkplaatsen goed in orde te houden, en wel acht te geven op hun zaken, dan zullen zij spoedig schulden maken en achteruit gaan en in plaats van hetgeen zij hebben te vermeerderen voor de kinderen, zullen zij het verminderen. Zo is het met het publiek: indien de koning een kind is, en voor niets wil zorgdragen, indien de vorsten in de morgenstond eten en zich geen moeite willen geven, dan zullen de zaken van de natie verlies lijden, haar belangen worden benadeeld, haar eer bevlekt, haar macht verzwakt, haar grenzen worden geschonden, de loop van het recht worden belemmerd, haar schatkist worden uitgeput, en al haar grondslagen uit hun voegen gerukt, en dit alles door de luiheid en de zelfzucht van hen, die de bressen behoorden dicht te metselen, en de paden weer moesten opmaken om te bewonen, Jesaja 58:12.
3. Hoe ijverig allen in het algemeen, beide vorsten en volk, zijn om geld te verkrijgen omdat dit tot alle doeleinden dient, vers 19. Hij schijnt geld te stellen boven vrolijkheid men maakt maaltijden om te lachen, niet alleen om te eten, maar voornamelijk voor aangename gesprekken en het gezelschap van vrienden, niet om het lachen van de dwaas, dat onzinnigheid is, maar dat van wijzen, waardoor zij zich geschikt maken voor zaken en ernstige studie. Geestelijke maaltijden worden gemaakt voor geestelijk lachen, voor heilige blijdschap in God. De wijn maakt vrolijk, de wijn verheugt de levenden, maar geld is de maat van alle dingen en verantwoordt alles. Hoewel de wijn vrolijk maakt, zal hij geen huis voor ons zijn, noch een bed, noch kleren, noch provisie van levensmiddelen, noch een bruidsschat voor onze kinderen, maar geld zal, als de mensen genoeg ervan hebben, dit alles wezen. De maaitijd kan niet gemaakt worden zonder geld, en hoewel de mensen wijn hebben, zijn zij niet zo geneigd om vrolijk te zijn, als zij geen geld hebben voor het noodzakelijke levensonderhoud. Geld op zichzelf verantwoordt niets, het zal noch voeden noch kleden, maar daar het een instrument is van de handel, verantwoordt het al de behoeften van het tegenwoordige leven, wat te verkrijgen is, is te verkrijgen voor geld maar het verantwoordt niets voor de ziel, het zal de vergeving van zonde niet teweegbrengen, de gunst van God niet verkrijgen, noch de vrede van de consciëntie, de gemoedsrust, gelijk de ziel niet verlost is door vergankelijke dingen, zoals zilver en goud, zo wordt zij er ook niet door onderhouden. Sommigen vinden dat dit ziet op de heersers, het staat slecht met een volk als deze zich overgeven aan weelde en overdadigheid, aan maaltijden en vrolijkheid, niet alleen omdat dan hun zaken veronachtzaamd worden, maar omdat er geld moet zijn om dit alles te verantwoorden, en te die einde moet het volk dan maar uitgezogen worden door zware belastingen.
4. Hoe voorzichtig onderdanen moeten wezen dat zij geen verraderlijke ontwerpen koesteren, geen oproerige beraadslagingen tegen de regering voeren, omdat het tien tegen een is, dat zij worden ontdekt en aan het licht gebracht vers 20. "Al is het ook dat heersers schuldig zijn aan sommige dwalingen, ga daarom niet bij alle gelegenheden hun beheer en bestuur aanklagen, maar bezie het van de beste kant." Hier:
a. Leert het gebod onze plicht: "Vloek de koning niet, zelfs niet in uw gedachte, wens in uw hart geen kwaad aan de regering." Daar begint alle zonde, en daarom moet het eerste opkomen ervan onderdrukt worden verraad en rebellie. Vloek de rijke niet, de vorsten en bestuurders, in het binnenste van uw slaapkamer, in een conclaaf of club van ontevredenen met de regering, vergezel u niet met de zodanigen, kom niet in hun verborgen web, verenig u niet met hen in kwaad te spreken van de regering, of in het complotteren er tegen."
b. De reden is onze veiligheid, "A1 is het plan nog zo in het geheim beraamd, het gevogelte des hemels zou de stem wegvoeren tot de koning, die meer spionnen om zich heen heeft dan gij weet, het gevleugelte zou het woord te kennen geven, tot uw beschaming en uw verderf." God ziet wat de mensen doen en hoort wat zij zeggen in het verborgene, en als het Hem behaagt kan Hij het door vreemde en ongedachte middelen aan het licht doen komen. Wilt gij nu door de gestelde machten niet geschaad worden, en wilt gij ze niet vrezen, doe het goede, en gij zult lof van haar hebben. Maar indien gij kwaad doet, zo vrees Romeinen 13:3,4.