Deuteronomium 11:26-32
Hier besluit Mozes zijn algemene vermaning tot gehoorzaamheid, zijn wijze van spreken is zeer aandoenlijk, en men zou denken dat zij er door aangespoord zouden zijn, om zich voor altijd aan God te verbinden, en dat er een onuitwisbare indruk van bij hen zou achterblijven.
I. Hij vat al zijn argumenten voor gehoorzaamheid samen in twee woorden: zegen en vloek, vers 26, dat is: beloning en straf, zoals zij staan in de beloften en bedreigingen, die de grote bevestiging zijn van de wet, hoop aangrijpende en vrees, de twee handvatsels van de ziel waaraan zij gegrepen en vastgehouden wordt. Deze twee: zegen en vloek, stelt hij hun voor, dat is:
1. Hij verklaart ze, opdat zij ze zouden kennen, hij noemt de bijzonderheden, vervat beide in de zegen en de vloek, opdat zij des te duidelijker zouden zien, hoe begeerlijk de zegen en hoe ontzettend de vloek is.
2. Hij bevestigde ze, opdat zij eraan zouden geloven, hij maakte het hun duidelijk door de bewijzen, die hij hun gaf van zijn opdracht, dat de zegen geen ijdele belofte en de vloek geen ijdele bedreiging is, maar dat beide wezenlijke aankondigingen zijn van Godsvoornemens met hen.
3. Hij zegt hun tussen deze twee te kiezen welke zij begeren. Zo open en eerlijk handelt hij met hen, en zo ver is het van hem de ogen van deze mannen uit te graven, wat hem ten laste was gelegd, Numeri 16:14. Aan hen en aan ons wordt duidelijk gezegd op welke termen wij staan bij de almachtige God.
a. Indien wij gehoorzaam zijn aan Zijn wetten, kunnen wij zeker zijn van de zegen, vers 27. Maar:
b. Indien wij ongehoorzaam zijn, kunnen wij even zeker wezen van de vloek, vers 28. Zegt de rechtvaardige, (want God heeft het gezegd, en geheel de wereld kan dit niet herroepen of tegenspreken) dat het hem wel gaan zal, maar wee de goddeloze, het zal hem kwalijk gaan.
II. Hij beveelt dat er een plechtige afkondiging zal gedaan worden van de zegen en de vloek, die hij hun voorgesteld had, op twee bergen, Gerizim en Ebal, vers 29, 30. Meer bijzondere aanwijzingen voor deze plechtigheid hebben wij in hoofdst. 27:11 en verv. en een bericht van de volbrenging er van in Jozua 8:33 en verv. Het moest geschieden, en het is ook geschied, terstond na hun komst in Kanaän, opdat zij bij het in bezitneming van het land zouden weten op welke voorwaarden zij het zouden houden. De plaats, waar dit moest geschieden, wordt nauwkeurig beschreven door Mozes, hoewel hij haar nooit gezien had, hetgeen een omstandigheid is onder velen, waaruit blijkt dat hij zijn instructies van God had. Zij wordt gezegd te zijn nabij de eikenbossen van More, die een van de eerste plaatsen was waar Abraham gekomen is in Kanaän, zodat God, door hen daarheen te zenden om de zegen en de vloek te horen, hen herinnerde aan de belofte, die Hij aan Abraham aan diezelfde plaats gedaan heeft, Genesis 12:6, 7,. De vermelding hiervan dient:
1. Tot aanmoediging van hun geloof in de belofte van God, dat zij weldra meesters zouden zijn van Kanaän. Doet het, zegt Mozes, aan gene zijde van de Jordaan, vers 30, want gij kunt er zeker van zijn, dat gijlieden over de Jordaan zult gaan, vers 31. De inzetting van deze dienst, die in Kanaän gedaan moet worden, was hun een verzekering, dat zij er ingebracht zullen worden om het te erven, een teken, zoals dat, hetwelk God aan Mozes heeft gegeven, Exodus 3:12, Gijlieden zult God dienen op deze berg En:
2. Het was een aansporing voor hen om gehoorzaam te zijn, opdat zij aan die vloek ontkomen en die zegen verkrijgen, waarvan zij, behalve hetgeen zij reeds gehoord hadden, weldra als oor-en ooggetuigen de plechtige afkondiging zullen bijwonen, vers 32. Neemt dan waar te doen al de inzettingen en de rechten, opdat gij in die plechtigheid niet getuigen zult zijn tegen uzelf.