Handelingen 23:1-5
Paulus was dikwijls voor Heidense overheden en raadsvergaderingen gebracht, door welke hij, en de zaak die hij voorstond, geminacht werden, omdat zij hem noch zijne zaak begrepen, en nu dacht hij misschien, dat hij voor het sanhedrin te Jeruzalem gebracht zijnde, er een beter gehoor zou vinden, maar wij zien, dat hij daar al evenmin vordert. Wij hebben hier:
I. Paulus' betuiging van zijn oprechten wandel. Of de hogepriester hem ene vraag deed, of de overste aan den raad zijne zaak heeft voorgesteld, wordt ons niet gezegd. Maar Paulus treedt hier op:
1. Met grote kloekmoedigheid. Hij was volstrekt niet onthutst, of van zijn stuk gebracht nu hij voor zulk ene hoge vergadering gebracht is, waarvoor hij in zijne jeugd zo groot een eerbied gekoesterd heeft, ook vreesde hij niet hun rekenschap te doen van de brieven, die zij hem gaven naar Damascus om de Christenen aldaar te vervolgen, hoewel het nu -voor zoveel wij weten-voor de eerste maal was, dat hij hen sedert dien tijd wedergezien heeft, maar hij hield de ogen op den raad. Toen Stefanus voor hen gebracht was, dachten zij hem te overbluffen, maar konden het niet, omdat hij zulk ene heilige kalmte en gerustheid had, allen, die in den raad zaten, de ogen op hem houdende, zagen zijn aangezicht als het aangezicht eens engels, Hoofdstuk 6:15. Nu Paulus voor hen gebracht was, dacht hij hen beschaamd te kunnen maken door hen zo vrijmoedig aan te zien, maar hij kon het niet, zo groot was hun goddeloze onbeschaamdheid. Maar nu werd in hem vervuld wat God aan Ezechiël had beloofd, Hoofdstuk 3:8, 9, Ik heb uw aangezicht stijf gemaakt tegen hun aangezichten, vrees hen niet, en ontzet u niet voor hun aangezichten.
2. Met een goed geweten, en dat gaf hem goeden moed. "Mannen broeders", zei hij, "ik heb met alle goede consciëntie voor God gewandeld tot op dezen dag. Hoe ik ook beschuldigd word, mijn hart beschuldigt mij niet, maar getuigt voor mij." Hij is altijd een Godsdienstig man geweest. Hij heeft nooit vrij geleefd, maar steeds verschil gemaakt tussen zedelijk goed en kwaad, zelfs reeds in zijn onwedergeboren staat. Hij was, naar de rechtvaardigheid, die in de wet is, onberispelijk. Hij was geen onnadenkend man, niet iemand, die niet denkt bij hetgeen hij doet, geen listig man, die zich niet bekommert om hetgeen hij doet, zo hij er slechts zijn doel mede kan bereiken. Zelfs toen hij de gemeente Gods heeft vervolgd, dacht hij, dat hij dit doen moest, en dat hij er God een dienst mede bewees. Zijn geweten was niet verlicht, maar hij heeft altijd naar deszelfs inspraak gehandeld, zie Hoofdstuk 26:9. Hij schijnt veeleer te spreken van den tijd sedert zijne bekering, sints hij den dienst des hogepriesters verliet, en hierdoor hun misnoegen tegen zich had gaande gemaakt. Hij zegt niet: Van het begin tot op dezen dag, maar: "Al den tijd, waarin gij mij beschouwd hebt als een afvallige, een vijand van uwe kerk, tot op dezen dag heb ik met alle goede consciëntie voor God gewandeld. Wat gij ook van mij moogt denken, ik heb mij in alles loffelijk gedragen, ik heb eerlijk gewandeld," Hebr. 13:18. Hij heeft niets anders op het oog gehad dan God te behagen, zijn plicht te doen in die zaken, waarover zij zo vertoornd op hem waren. In alles wat hij gedaan heeft voor de oprichting van het koninkrijk Gods, het koninkrijk van Christus onder de Heidenen, heeft hij naar zijn geweten gehandeld. Zie hier den aard van een eerlijk man:
a. Hij ziet God voor zich, leeft als onder Zijne ogen, en met het oog op Hem.
Wandel voor Mijn aangezicht, en wees oprecht. b. Hij maakt ene gewetenszaak van hetgeen hij zegt en doet, en hoewel hij in dwaling kan zijn, onthoudt hij zich toch naar zijn beste weten van hetgeen slecht is, en houdt zich aan hetgeen goed is.
c. Hij is nauwgezet in alles -en die dat niet zijn, zijn ook niet waarlijk nauwgezet-hij is het in al zijn wandel. Ik heb met alle goede consciëntie voor God gewandeld, mijn gehele wandel was onder de leiding en de heerschappij van het geweten.
d. Hiermede gaat hij voort, hierin volhardt hij, "zo heb ik geleefd tot op dezen dag." Welke veranderingen er ook in hem plaats hebben, hij is nog altijd dezelfde, strikt nauwgezet van geweten. En zij, die aldus met alle goede consciëntie voor God wandelen, kunnen, gelijk Paulus hier, hun aangezicht opheffen en niet vrezen, en, indien hun hart hen niet veroordeelt, dan hebben zij vrijmoedigheid tegenover God en de mensen, zoals Job, toen hij nog vasthield aan zijne oprechtheid, en zoals Paulus zelf, wiens roem deze was: namelijk de getuigenis van zijn geweten.
II. De gewelddadigheid, waaraan Ananias, de hogepriester, zich schuldig maakte: hij beval degenen, die bij hem stonden, de beambten van het hof, dat zij hem op den mond zouden slaan, vers 2, hem, hetzij met de hand of met ene roede, een slag op de tanden te geven. Onzen Heere Jezus werd aldus in dit hof smaadheid aangedaan door een der dienstknechten, Johannes 18:22, zoals voorzegd was, Micha 4:14, zij zullen den Richter Israël's met de roede op het kinnebakken slaan. Maar hier was nu een bevel van het hof om dit te doen, en waarschijnlijk werd het ook gedaan.
1. De hogepriester had zich ten hoogste aan Paulus geërgerd, sommigen denken, dat het was, omdat hij den raad zo vrijmoedig aanzag, alsof hij wilde, dat zij de ogen voor hem neer zouden slaan, anderen denken dat het was, omdat hij zich in zijne toespraak niet tot hem in het bijzonder, als voorzitter van het hof, heeft gewend, met de ene of andere benaming om zijn eerbied voor hem te kennen te geven, maar hen allen vrij en gemeenzaam als mannen broeders had toegesproken. Zijn betuiging van oprechtheid was al ene genoegzame reden om toorn en ergernis te wekken bij iemand, die vast besloten had hem te verderven. Toen hij hem gene misdaad ten laste kon leggen, dacht hij, dat het al misdadig genoeg in hem was om zijne eigene onschuld te betuigen.
2. In zijne woede gaf hij bevel hem te slaan, en hem aldus schande aan te doen, hem op den mond te slaan, als hebbende overtreden met zijne lippen, en als teken, dat hij zwijgen moest. Tot deze brutale en barbaarse wijze van doen nam hij de toevlucht, toen hij niet kon antwoorden op de wijsheid en den Geest door welken hij sprak. Zo heeft Zedekia Micha, en Pashur Jeremia geslagen, 1 Koningen 22:24, Jeremia 20:2, toen zij in den naam des Heeren hebben gesproken. Indien wij dus zulke smaad aan Godvruchtige mensen zien aangedaan, of indien wij zelven dien hoon hebben te verduren wegens ons wèl doen en wèl spreken, dan moeten wij dit niet vreemd vinden. Christus zal de kussen Zijns monds, Hooglied 1:2, geven aan hen, die om Zijnentwil op den mond geslagen worden. En hoewel men verwachten mag, dat, gelijk Salomo zegt, men de lippen zal kussen degene, die rechte woorden antwoordt, Spreuken 24:26, zien wij toch dikwijls, dat het tegenovergestelde plaats heeft.
III. De aankondiging van Gods toorn tegen den hogepriester wegens deze goddeloosheid ter plaatse des gerichts, Prediker 3:16, het komt overeen met hetgeen daar volgt in vers 17, en waarmee Salomo zich troost: Ik zei in mijn hart: God zal den rechtvaardige en den goddeloze oordelen. God zal u slaan, gij gewitte wand, vers 3. Paulus heeft dit niet in zondige drift of hartstocht gezegd, maar in heilige verontwaardiging wegens dit misbruiken van macht door den hogepriester, en met iets van een' profetischen geest, volstrekt niet in een geest van wraakzucht.
1. Hij duidt hem aan in zijn waren aard: Gij gewitte wand, gij geveinsde, een muur van slijk, afval en vuil, met wat puin er onder, die dan gepleisterd of gewit was. Het is dezelfde vergelijking, die Christus gebruikt heeft, toen Hij de Farizeeën vergeleek bij witgepleisterde graven, Mattheus 23:27. Zij, die met loze kalk pleisterden, zijn niet in gebreke gebleven om zich zelven te pleisteren met iets, waardoor zij niet alleen rein, maar ook fraai uitzagen.
2. Hij kondigt hem zijn oordeel aan: "God zal u slaan, zal Zijne schrikkelijke oordelen over u brengen, inzonderheid geestelijke oordelen. Hugo de Groot is van mening, dat dit spoedig daarna vervuld werd in zijne verwijdering uit zijn ambt als hogepriester, hetzij door den dood, of door dat hij er uit ontzet werd, want hij vindt dat spoedig daarna een ander met dit ambt bekleed is, waarschijnlijk is hij plotseling door een slag der Goddelijke wrake getroffen. Jerobeams hand verdorde, toen hij haar tegen een profeet had uitgestrekt.
3. Hij toont ene goede reden voor dat oordeel: "wat zit gij daar, als president van het hoogste gerechtshof der kerk, voorgevende mij te oordelen naar de wet, mij volgens de wet schuldig te verklaren en te veroordelen, en beveelt gij, dat men mij zal slaan voordat nog ene misdaad tegen mij bewezen is, hetgeen tegen de wet is?" Niemand moet geslagen worden, tenzij hij slagen waardig is, slagen verdiend heeft Deuteronomium 25:2. Het is in strijd met alle wetten, menselijke en Goddelijke, natuurlijke en positieve, om een mens te verhinderen zich te verdedigen, hem ongehoord te veroordelen. Toen Paulus geslagen werd door het gemeen, kon hij zeggen: Vader vergeef hun, zij weten niet wat zij doen, maar het is onverschoonbaar in een hogepriester, die gesteld is om naar de wet te oordelen.
IV. Hoe dit woord van Paulus ergernis heeft gegeven, vers 4. Die daarbij stonden, zeiden: scheldt gij den hogepriester Gods? Er is iets waarschijnlijks in de gissing, dat zij, die Paulus laakten om hetgeen hij gezegd had, gelovige Joden waren, die ijverden voor de wet, en bijgevolg ook voor de eer van den hogepriester, en het dus kwalijk namen, dat Paulus aldus gesproken had, en er hem om bestraften. Zie hier dan:
1. In hoe grote moeilijkheid Paulus zich bevond. Zijne vijanden mishandelden hem, en zijne vrienden waren gans niet geneigd hem te steunen, zich voor hem in de bres te stellen, of voor hem op te komen, integendeel, zij hebben hem om zijne houding en woorden gelaakt.
2. Hoe zelfs de discipelen van Christus ene neiging hebben om uiterlijke majesteit en macht te overschatten. Gelijk er onder de volgelingen van Christus geweest zijn, die omdat de tempel Gods tempel geweest is, en een majestueus gebouw was, het niet konden dragen, dat er iets gezegd werd, dat de verwoesting er van aankondigde, zo waren dezen, omdat de hogepriester een hoog ambt bekleedde en een man van aanzien was, hoewel een onverzoenlijke vijand van het Christendom, aan Paulus geërgerd omdat hij hem onverholen de waarheid zei.
V. Hoe Paulus zich verontschuldigde om hetgeen hij gezegd had, daar hij bevond, dat het een steen des aanstoots was voor zijne zwakkere broederen, en hen ook omtrent andere dingen tegen hem kon bevooroordelen. Deze Joodse Christenen waren wel zwak, maar zij waren toch broeders, zo noemt hij hen hier, en, in aanmerking hiervan, is hij schier geneigd zijne woorden te herroepen, want: Wie wordt er geërgerd, zegt hij, dat ik niet brande? 2 Corinthiërs 11:29. Zijn vast besluit was zich zelven veeleer te verkorten in het gebruik van zijne Christelijke vrijheid, dan aanstoot te geven aan een zwakken broeder, veeleer dan zijn broeder te ergeren, zal hij in eeuwigheid geen vlees eten, 1 Corinthiërs 8:13. Zo ook hier, hoewel hij de vrijheid had genomen den hogepriester te zeggen waar het op stond, riep hij: Peccavi -ik heb verkeerd gedaan, toen hij bevond, dat het aanstoot had gegeven, en wenste hij, dat hij het niet gedaan had. En hoewel hij er den hogepriester niet om vergeving voor vroeg, noch zich bij hem er over verontschuldigde, heeft hij wel hun om vergeving gevraagd, die er over geërgerd waren, omdat het nu de tijd niet was om hen beter in te lichten of om te zeggen hetgeen er hem in kon rechtvaardigen.
1. Hij verontschuldigt zich hiermede, dat hij, toen hij het zei, niet bedacht met wie hij sprak, vers 5. Ik wist niet, broeders, dat het de hogepriester was, ouk êdein "ik dacht toen niet aan de waardigheid van zijn ambt, anders zou ik met meer eerbied tot hem hebben gesproken." Ik zie niet in, hoe wij met enige waarschijnlijkheid kunnen denken dat Paulus niet wist, dat hij de hogepriester was, want Paulus was op het feest zeven dagen in den tempel geweest, waar hij niet kon falen hem te zien, en dat hij hem zegt, dat hij daar zit om hem te oordelen naar de wet, toont, dat hij wist wie hij was, maar, zegt hij, ik bedacht het toen niet. Dr. Whitby geeft er dezen zin aan: de profetische aandrift, die over hem kwam en hem innerlijk bewoog om te zeggen wat hij gezegd heeft, liet hem niet toe er acht op te geven, dat het de hogepriester was, anders zou deze wet hem weerhouden hebben van aan die aandrift toe te geven, maar de Joden erkenden, dat de profeten ene vrijheid van spreken mochten gebruiken, ook als zij van oversten spraken, die anderen zich niet mochten veroorloven, zoals in Jesaja 1:10, 23. Of (als hij wijst op de betekenis, die Hugo de Groot en Lightfoot er aan hechten) Paulus verontschuldigt zich volstrekt niet in hetgeen hij gezegd heeft, maar rechtvaardigt het veeleer, "Ik erken, dat de hogepriester Gods niet gescholden moet worden, maar ik erken dezen Ananias niet als hogepriester, hij is een overweldiger, hij heeft dit ambt verkregen door omkoping, en de Joodse rabbijnen zeggen, dat hij die dit doet, geen rechter is, noch als zodanig moet geëerd worden." Maar:
2. Hij draagt zorg, dat wat hij gezegd heeft niet tot een precedent gesteld zal worden ter verzwakking van de verplichting, door die wet opgelegd. Want er is geschreven, en het blijft ene wet in volle kracht: Den overste uws volks zult gij niet vloeken. Het strekt tot algemeen welzijn, dat de eer der overheid hoog gehouden worde, en niet zal lijden om het zich misdragen van hen, die het ambt bekleden, daarom behoort in het spreken van en tot vorsten en rechters dat decorum in acht te worden genomen. Zelfs in den tijd van Job werd het niet betamelijk geacht om tot een koning te zeggen: gij Belial, en tot prinsen: gij goddelozen, Job 34:18. Zelfs als wij weldoen, en er om lijden, moeten wij het geduldig dragen, 1 Petrus 2:20. Niet alsof voorname lieden niets van hun fouten en gebreken mogen horen, en over openbare grieven niet door daartoe bevoegde personen op betamelijke wijze geklaagd zou mogen worden, maar wij moeten toch grote bezorgdheid koesteren voor de eer en den goeden naam van hen, die in hoogheid zijn gezeten en met gezag zijn bekleed, omdat de wet Gods eist, dat hun bijzondere eerbied worde betoond, als Gods plaatsvervangers, en het kan gevaarlijke gevolgen hebben om diegenen op enigerlei wijze te steunen, die de heerschappij verwerpen, en de heerlijkheden lasteren, Judas 8. Vloek den koning niet, zelfs in uwe gedachte, Prediker 10:20.