Jeremia 18:18-23
De profeet brengt hier, als soms tevoren, zijn eigen zaken ter sprake, maar zeer tot onze onderwijzing.
I. Ziehier wat de gewone manieren van vervolgers zijn. Wij kunnen dat zien aan Jeremia's vijanden in vers 18.
1. Zij staken de hoofden bijeen om te beraadslagen, wat zij tegen hem zouden doen om beide, zich op hem te wreken om wat hij gezegd had, en zijn mond te stoppen voor de toekomst. "Zij zeiden: Komt aan, laat ons gedachten tegen Jeremia denken." De vijanden van Gods volk en dienaren zijn vaak zeer sluw, en verbinden zich om hun kwaad te doen. Wat zij niet afzonderlijk kunnen doen ten nadele van de godsdienst, dat trachten zij in overleg met elkaar te doen. De goddeloze bedenkt listige aanslagen tegen de rechtvaardige. Kajafas, en de overpriesters en ouderlingen deden aldus tegen onze gezegende Zaligmaker zelf. De tegenstand, die de poorten van de hel aan het koninkrijk van de hemelen bieden, wordt met heel wat gevloekt overleg geleid. God had gezegd, vers 11 :"Ik denk tegen ulieden een gedachte, " en nu, alsof zij besloten waren hetzelfde te doen als Hij, en de oneindige Wijsheid te overtreffen, besluiten zij "gedachten te denken tegen Gods profeet, niet alleen tegen zijn persoon, maar ook tegen het woord, dat hij hun overgebracht heeft, `t geen zij door sluw beleid meenden teniet te doen". Hoe wonderbaarlijk is de dwaasheid van hen, die Gods raad hopen te schande te maken!
2. Hiertoe wendden zij grote ijver voor ten dienste van de kerk, welke, waar zij voorgaven, in gevaar verkeerde, als Jeremia toegelaten werd te blijven preken, zoals hij deed. "Komt", zeiden zij, maten wij hem tot zwijgen brengen en verpletteren "want de wet zal niet vergaan van de priester, de wet van de waarheid was in zijn mond," Maleachi 3:6, en daar zullen wij naar zoeken, de handhaving van de inzettingen, naar de wet, is in hun handen, en noch het een noch het ander zal hun ontrukt worden. "De raad zal niet vergaan van de wijze, het bestuur van de staatszaken zal altijd zijn bij de geheimen raad en de ministers van staat, aan wie het toekomt, ook zal het woord niet vergaan van de profeet" zij bedoelden de profeten van hun eigen keus, die hun aangename dingen profeteerden en hen vleiden met gezichten van vrede. Twee dingen gaven zij te kennen:
a. Dat Jeremia geen ware profeet kon zijn, maar dat hij zich het profeet-zijn aangematigd had, omdat hij niet gemachtigd was door de priesters en met de andere profeten niet samenstemde, wiens gezag daarom veracht zal worden als men hem voort laat gaan. Als Jeremia als een orakel beschouwd moet worden dan vaarwel de reputatie van onze priesters, onze wijzen, en onze profeten, maar die moet toch geschraagd worden, wat voldoende reden is om hem te verdekken."
b. Dat de inhoud van zijn profetieën niet van God kan zijn, omdat hij soms betrekking had op de profeten en de priesters, hij had hen beschuldigd de belhamels te zijn van al het kwaad, Hoofdstuk 5:31, en het volk te bedriegen, Hoofdstuk 14:14, hij had voorspeld, "dat hun hart zou vergaan, en ontzet zou zijn, Hoofdstuk 4:9, dat de wijzen beschaamd, Hoofdstuk 8:9, 10, dat de priesters en profeten met dronkenschap opgevuld zouden zijn", Hoofdstuk 13:13. Meer dan iets anders wekte dit hun gal op. Zich verlatende op de belofte van Gods tegenwoordigheid bij hun priesters en profeten, konden zij niet geloven, dat Hij hen ooit zou verlaten. De leidslieden van de kerk moesten noodzakelijk onfeilbaar zijn, en wie daarom voorspelde, dat zij tot dwaasheid zouden worden, moest als valse profeet veroordeeld worden. Aldus zijn onder de vlag van ijver voor de kerk, haar beste vrienden verslagen.
3. Zij kwamen overeen te doen al wat zij konden om zijn goeden naam te bezwalken. "Komt aan, en laat ons hem slaan met de tong, hem in een slechten reuk brengen, zijn karakter in discrediet brengen, hem aan sommigen voorstellen als verachtelijk en als iemand, die vermeden moet worden, aan anderen als gevaarlijk en als iemand, die vervolgd moet worden, aan allen als hatelijk en onverdraaglijk." Dat was hun gedachte, "fortiter calumniari, oliquid adhaerebit- hem met de vurigste laster te overladen in de hoop, dat iets ervan hem zou aankleven," hem in een berenhuid te kleden, bij wijze van lokaas. Zij, die dit plan maakten waren waarschijnlijk mannen van naam, wier laster niet weinig betekende, wier voorstellingen, hoe vals ook, beide door vorsten en volk zou geloofd worden, zodat hij gevaar liep voor `t gerecht van de ene en door de woede van de andere. De gesel van zulke tongen geeft niet alleen pijnlijke striemen, maar ook diepe wonden, zodat het een grote genade is "er voor verborgen te wezen," Job 5:21.
4. Om anderen een voorbeeld te geven, besloten zij, zelf niet te letten op iets, dat hij zei, al scheen het nog zo gewichtig en bevestigd als een boodschap van God: "Laat ons niet luisteren naar enige van zijn woorden, want, waar of onwaar, zij zullen ze beschouwen als zijn woorden, en niet als die van God". Wat is er te beginnen met hen, die het woord van God horen, vastbesloten er niet naar te luisteren en het niet te geloven? Ja,
5. Om hem definitief tot zwijgen te brengen besluiten zij zijn dood te zijn, vers 23. Gij weet al hun raad tegen mij ten dode. Zij maken jacht op zijn kostbaar leven, het laaghartig karakter van Jeruzalem is langen tijd geweest: Gij, die velen van de profeten doodt, en ze allen hebt willen doden.
II. Ziehier, wat de gemeenschappelijke toevlucht is voor alle vervolgden. Wij kunnen het zien in de weg, die Jeremia insloeg, toen hij deze harde behandeling ondervond. Hij wendde zich tot God met gebed en verlichtte zichzelf op die wijze.
1. Hij droeg zichzelf en zijn zaak op aan God, vers 19. Zij wilden niet luisteren naar een van zijn woorden, wilden zijn klachten niet horen en geen kennis nemen van zijn grieven, maar, zegt hij, Heere, luister naar mij. Het is een troost voor trouwe dienaren, dat, als de mensen niet willen luisteren naar hun prediking, God niet wil luisteren naar hun gebed. Hij beroept zich op God als op een onpartijdig rechter, die beide partijen wil horen, zoals ieder rechter behoort te doen. Luister niet alleen naar mij, "maar hoor ook naar de stemme mijner twisters, hoor, wat zij tegen mij en voor zichzelf hebben te zeggen, en maak het dan duidelijk, dat Gij op de troon zit, o Rechter van de gerechtigheid." Hoor de stem mijner twisters, wat zijn ze luidruchtig en druk, hoe vals en boosaardig is alles, wat zij zeggen, en, "dat zij uit hun mond geoordeeld worden, dat hun tong ze doe aanstoten tegen zichzelf."
2. Hij klaagt over hun lage ondankbaarheid jegens hem, vers 20 :Zal dan kwaad voorgoed vergolden worden, en zal het ongestraft blijven? Zult Gij mij geen goed voor dat kwaad vergelden? 2 Samuël 16:12. Goed voor goed te vergelden is menselijk, kwaad voor kwaad is dierlijk, goed voor kwaad is christelijk, maar kwaad voor goed is duivels, het is zo iets ongerijmds en zo goddeloos, dat wij niet anders kunnen denken, dan dat God het wreken zal. Zie hoe groot het kwaad was, dat zij tegen hem deden: "Zij hebben mijn ziel een kuil gegraven, " zij bedoelden zijn leven te nemen (met minder waren zij niet te voldoen), en dat niet op een grootmoedige wijze, door een openlijken aanval, waartegen hij gelegenheid kon hebben zich te verdedigen, maar op een lage, lafhartige, heimelijke manier, zij groeven putten voor hem, waartegen hij zich niet hoeden kon. Maar zie, hoeveel goeds hij voor hen gedaan had: "Gedenk, dat ik voor Uw aangezicht gestaan heb, om goed voor hen te spreken, " hij was hun bemiddelaar bij God geweest, had zijn invloed in de hemel te hun bate gebruikt, wat de grootste vriendelijkheid was, die zij van iemand van zijn karakter konden verwachten. "Hij is een profeet en hij zal voor u bidden," Genesis 20:7. Mozes deed dat dikwijls voor Israël, en toch twistten zij met hem en spraken er soms van hem te stenigen. Hij was zo vriendelijk voor hen als zij in dreigend gevaar van vernietiging waren en zijn tussenkomst het meest nodig hadden. Zij hadden zelf Gods toorn tegen hen uitgedaagd, en die stond op het punt over hen los te barsten, maar hij stond in de bres (zoals Mozes, Psalm 106:2) en keerde Zijn grimmigheid af.
a. Dat was zeer laag van hen. Noem iemand ondankbaar en gij kunt hem niet slechter noemen. Maar het was niet vreemd, dat zij, die hun God vergeten hadden, hun beste vrienden niet kenden.
b. Het was zeer smartelijk voor hem, zoals het voor David was, Psalm 35:13, 109:4. "Voor mijn liefde staan zij mij tegen." Zo onoprecht handelen zondaars met de grote Middelaar, daar zij Hem opnieuw kruisigen, en tegen Hem getuigen op aarde, terwijl Zijn bloed voor hen getuigt in de hemel, Johannes 10:32. Maar
c. het was een troost voor de profeet, dat, terwijl zij zo vol wrevel tegen hem waren, hij het getuigenis van zijn geweten voor zich had, dat hij zijn plicht aan hem gedaan had, en dat zal ook onze verheuging zijn in zo'n dag des kwaads. "Bloedgierige lieden haten de vrome maar de oprechten zoeken zijn ziel", Spreuken 29:10.
3. Hij smeekt Gods oordelen over hen af niet uit wraakzuchtige neigingen, maar in profetische verontwaardiging over hun afschuwelijke goddeloosheid. vers 21-23. Hij bidt
a: Dat hun gezinnen van honger mogen sterven: "Geef hun zonen de honger over, de honger, op het land door gebrek aan regen, in de stad door de strenge belegering. De ongerechtigheid van de vaderen moge aldus aan de kinderen gewroken worden."
b. Dat zij mogen afgesneden worden "door het geweld des zwaards, `t welk, wat het ook was in `s vijands hand, in Gods hand, een zwaard van de gerechtigheid zou zijn: Doe ze wegvloeien (zo staat er) door het geweld des zwaards, Iaat hun bloed overvloedig vergoten worden als water, laat hun vrouwen van kinderen beroofd en weduwen worden, laat hun mannen door de dood omgebracht worden (sommigen menen, dat de profeet pestilentie bedoelt), Iaat hun jongelingen die de kracht van dit en de hoop van het volgend geslacht zijn, met het zwaard geslagen worden in de strijd."
c. Mogen de verschrikkingen en de verwoestingen van de oorlog hen plotseling en bij verrassing aangrijpen, opdat hun straf aldus moge beantwoorden aan hun zonde, vers 22 :Laat er een geschrei uit hun huizen gehoord worden, luide kreten, wanneer Gij haastelijk een bende Chaldeën over hen zult brengen, om hen te grijpen en al wat zij hebben, om hen gevangen en hun goederen een prooi te maken, want dat wilden zij aan Jeremia doen, zij dachten hem in eens te verderven, voor hij er erg in had: "Zij hebben een kuil voor mij gegraven, als voor een wild dier, en strikken voor mij verborgen, als voor een vraatzuchtige schadelijke vogel". Die anderen denken te verstrikken, zullen rechtvaardiglijk, te kwader ure, zelf in de strik vallen.
d. Dat het hun vergaan mocht, zoals zij door hun zonde verdiend hadden, die niet te verontschuldigen was: "Maak geen verzoening over hun ongerechtigheid, en delg hun zonde niet uit van voor Uw aangezicht, dat is: laat hen de rechtvaardige straf er voor niet ontsnappen, laat ze gebukt gaan onder al de ellenden van hen, wier zonden niet vergeven zijn."
e. Dat Gods wraak tegen hen hun ondergang zijn moge: "laat ze neergeveld worden voor Uw aangezicht." Dit betekent, dat zij vervolgd worden door de rechtvaardigheid, dat zij die poogden te ontsnappen, maar tevergeefs, men zal ze doen struikelen op hun vlucht, en eenmaal gevallen, zullen zij zeker achterhaald worden. En dan, Heere, "ten tijde van Uw toorn, doe hun (hij zegt niet wat hij wilde, dat hun gedaan zou worden, maar) doe hun, naar het recht is bij U, zoals gij gewoon zijt te doen aan hen, op wie gij toornig zijt-handel alzo met hen". Nu is dit niet geschreven voor ons tot navolging. Jeremia was een profeet en onder de invloed van de geest van de profetie, en bij het vooruitzicht van het verderf, dat met zekerheid voor zijn vervolgers in aantocht was, mocht hij gebeden opzenden, die wij niet mogen bidden en als wij met dit voorbeeld ons menen te rechtvaardigen, wanneer wij zodanige dingen afsmeken, dan "weten wij niet van hoedanigen geest wij zijn, onze Meester heeft ons door Zijn voorschrift en voorbeeld geleerd, te zegenen, die ons vervloeken en te bidden voor hen, die ons geweld aandoen". Toch is het geschreven voor onze onderwijzing en is van nut om ons te leren.
a. Dat zij, die de gunst verbeurd hebben, dat Gods profeten voor hen bidden, naar recht mogen verwachten, dat die gebeden tegen hen zullen zijn.
b. Laat vervolging een zonde is, die de maat van de ongerechtigheid van een volk zeer snel vol maakt, en een zekerder en smartelijker verwoesting over hen brengen zal dan iets anders.
c. Die niet gewonnen willen worden door Gods vriendelijkheid en die van Zijn profeten, zullen ten laatste zeker het rechtvaardige misnoegen gevoelen van beide.