Jeremia 18:11-12
Deze verzen schijnen de toepassing te zijn van de algemene waarheden, in het voorafgaande deel van het hoofdstuk neergelegd, op het volk van de Joden en hun tegenwoordige toestand.
I. God sprak nu over "uitrekken en afbreken en verdoen" in verband met hen, want het is dat deel van de regel des oordeels, dat op hun geval betrekking heeft, vers 11. "Nu dan spreek nu tot de mannen van Juda" (zegt God). "Ziet, Ik formeer een kwaad tegen ulieden, en denk tegen ulieden een gedachte. De Voorzienigheid neemt klaarblijkelijk alle maatregelen om uw ondergang te bewerkstelligen. Let op uw gedrag tegen God, en gij zult moeten zien, dat gij het verdient, Iet op Zijn handelingen met u, en gij zult moeten zien, dat dat Zijn oogmerk is." Hij formeert kwaad, zoals de pottenbakker het vat formeert, om Zijn doel te bereiken.
II. Hij nodigt hen uit om door berouw en bekering Hem tegemoet te komen op de weg van Zijn oordelen en aldus Zijn verdere maatregelen tegen hen te voorkomen: "Bekeert u nu, een ieder van zijn boze weg, opdat aldus (naar de regel, tevoren vastgesteld) God zich mag afwenden van het kwaad, dat Hij zich voorgenomen had aan u te doen, en die beschikking, die als een vat op de schijven tegen u geformeerd scheen te worden zal onmiddellijk in een nieuwen vorm gedraaid worden, en de afloop zal in uw voordeel zijn." De waarschuwingen van Gods Woord en de bedreigingen van Zijn daden, moeten door ons aangegrepen worden als krachtige motieven om ons leven te verbeteren, want het is niet voldoende "ons van onze bozen weg te bekeren, maar wij moeten onze wegen en handelingen goed maken, in overeenstemming met de regel, met de wet."
III. Hij voorziet hun hardnekkigheid en hun onhandelbare weigering om op deze uitnodiging in te gaan, schoon de strekking ervan zozeer tot hun eigen voordeel was, vers 12 :Doch zij zeggen: Het is buiten hope. Als zij niet verlost kunnen worden, tenzij zij zich bekeren van onze boze wegen, dan moeten zij wel wanhopen ooit verlost te zullen worden, want zij zijn besloten te wandelen, "een ieder naar het goeddunken van zijn boos hart." Het dient nergens toe, dat de profeten nog iets zeggen, dat zij nog argumenten bezigen of de zaak verder aandringen, wij willen onze zin hebben, wat het ook koste: "wij zullen naar onze gedachten wandelen, en willen niet staan onder de dwang van de goddelijke wet." Wat zondaren in `t verderf stort, is te willen leven naar hun lust. Los te leven, noemen zij vrijheid, terwijl een slaaf van zijn lusten te zijn de ergste slavernij voor een man is. Zie hoe wonderlijk de harten van sommige mensen verhard zijn door de bedriegelijkheid van de zonde dat zij niet eens zoveel als verbetering beloven willen, ja, zij tergen de oordelen van God uit: "Wij willen voortgaan met onze gedachten en God mag voortgaan met de Zijne, en de afloop zullen wij afwachten."
IV. Hij werpt hun de monsterachtige dwaasheid voor de voeten van hun hardnekkigheid, en hun haat tegen verbetering. Zeker was nooit enig volk schuldig aan zo'n ongerijmdheid, nooit handelde er een, dat aanspraak maakte op verstand, zo onredelijk, vers 13 : Vraagt nu onder de heidenen, zelfs zij, die niet de weldaad van de goddelijke openbaring hadden gehad, geen godsspraken, geen profeten, zoals Juda en Jeruzalem, en toch: Wie van hen heeft alzulks gehoord? Toen de Ninevieten zo gewaarschuwd werden, bekeerden zij zich van hun boze weg. Sommigen, die tot de slechtste mensen behoren, zullen, als men ze hun fouten vertelt, vooral als ze er voor gaan boeten, ten minste verbetering beloven, en zeggen, dat zij zullen pogen anders te worden. "Maar de jonkvrouwe Israëls verzet zich tegen de gedachte aan berouw, is besloten weerspannig te blijven, wat ook haar geweten en de Voorzienigheid er tegen zeggen, en doet aldus een afschuwelijke zaak". Zij moest zichzelf kuis en onbevlekt bewaren voor God, die haar aan zichzelf gehuwd had, maar zij heeft zich van Hem vervreemd en weigert tot Hem terug te keren. "Het is een zaak, afschuwelijk genoeg, om iemand te doen sidderen bij de gedachte er aan, dat zij die hun toestand treurig hebben gemaakt door te zondigen, die wanhopig zouden maken door te weigeren zich te bekeren". Opzettelijke onboetvaardigheid is de grofste zelfmoord, en dat is "een afschuwelijke zaak, de gedachte daaraan moeten wij verafschuwen."
V. Hij toont hun dwaasheid in twee opzichten:
1. In de aard van de zonde zelf, waaraan zij schuldig waren. Zij verlieten God voor afgoden wat het afschuwelijkst mogelijke was, want zij bedrogen zichzelf op een uiterst gevaarlijke wijze, vers 14,15 "Zal een dorstig reiziger de sneeuw verlaten, die gesmolten van de bergen van Libanon afvloeit, en dat om een steenrots des velde?" Zal hij deze verlaten, voorbij gaan, en zich beter menen te helpen met water uit een modderpoel? "Zullen ook de vreemde, koude, vlietende wateren verlaten worden in de hitte des zomers?" Neen, als men van hitte en droogte versmacht, en koele verfrissende stromen ontdekt, zal men er gebruik van maken en ze niet de rug toekeren. In de kanttekening staat: "Zal een man, die langs de weg reist mijn velden verlaten, die vlak en effen zijn, voor een steenrots, die ruw en hard is, of voor de sneeuw van de Libanon, die tot hopen opgewaaid, de weg onbegaanbaar maakt? Of zullen de vlietende wateren verlaten worden voor de vreemde, koude wateren?" Neen, in deze opzichten weten de mensen wel, wanneer ze goed af zijn en blijven daar bij, zij nemen het onzekere niet voor het zekere. Nochtans heeft Mijn volk Mij vergeten, vers 15, zij hebben een fontein van levend water verlaten voor gebroken bakken. Zij roken van de ijdelheid, dat is afgoden, die even ijdel zijn als zij zelf, die niet zijn, wat zij moeten voorstellen, noch kunnen doen, wat van hen verwacht wordt. Zij hadden niet het gewone verstand van reizigers, maar ook hun leiders deden hen dwalen, en zij waren er tevreden mee, misleid te worden.
a. Zij verlieten de oude paden, die aangewezen waren door de goddelijke wet, waarin al de heiligen gewandeld hadden, die daarom de goede weg is naar het doel hunner reis, een veilige weg en daar er vele voetsporen stonden, gemakkelijk te vinden en gemakkelijk te bewandelen. Maar als hun geraden werd, de goeden oude weg te houden, zeiden zij beslist, dat zij niet wilden, Hoofdst.6:16.
b. "Zij verkozen zijpaden, zij wandelden op een weg die niet opgehoogd is, ziet op de hoofdweg, de koninklijke weg, waarlangs zij veilig konden reizen, en die hen zeker aan hun doel zou brengen, maar op een vuile weg, een ruwe weg, een weg, waarop zij wel moesten struikelen, zodanig was de weg van de afgoderij (zodanig is de weg van alle ongerechtigheid- het is een valse weg, een weg vol van struikelblokken), en toch verkozen zij deze weg zelf te bewandelen en anderen die te wijzen".
2. In de boze gevolgen daarvan. Hoewel de zaak op zichzelf slecht was, zouden ze er enige verontschuldiging voor hebben, als ze er zich wat goeds van konden beloven. Maar de onmiddellijke strekking ervan, was, om "hun land woest te maken," en bij gevolg, hen zelf ellendig (want dat moeten de inwoners noodzakelijkerwijs zijn, als hun land verwoest is) en beide hen zelf en hun land tot "eeuwige aanfluitingen." Die ruimschoots waarschuwingen hebben gehad, en er zich niet aan storen, verdienen een aanfluiting te zijn. Al wie daar voorbijgaat, zal zijn opmerkingen over hen maken, en "zal zich ontzetten, en met zijn hoofd schudden, sommigen met verwondering, anderen met medelijden, weer anderen juichende over de verwoesting van een land, dat de heerlijkheid van alle landen was". Zij zullen het hoofd schudden ter bespotting, en hun de dwaasheid verwijten, van hun verzaken van God en plicht, en dat ze zo zichzelf de ellende op de hals hebben gehaald. Die tegen God opstaan, zullen rechtvaardiglijk tot verachting zijn van allen om hen heen, en daar zij de Heere hebben verworpen, zullen zij zelf verworpen worden. Als dan hun land verwoest is, wordt als vervolg op de verwoesting, gedreigd, vers 17 :Als een oostenwind zal Ik ze verstrooien die hevig en geweldig is, daardoor zullen zij voor het aangezicht des vijands heen en weer gedreven worden, en geen uitweg vinden om te ontsnappen. Zij zullen niet alleen vlieden voor de vijand (het was mogelijk om dat te doen in een geregelde terugtocht), maar zij zullen verstrooid worden, sommigen hierheen en anderen daarheen. Wat hun ellende voltooit is: "Ik zal hun de nek en niet het aangezicht laten zien ten dage huns verderfs." Onze rampen zijn gemakkelijk te dragen, als God ons Zijn aangezicht zien laat en ons bestraalt, terwijl wij er onder gebukt gaan, als Hij ons steunt en Zijn gunst schenkt, maar als Hij ons de rug toekeert, als Hij Zijn misnoegen toont, als Hij doof is voor onze gebeden en ons Zijn hulp weigert als Hij ons verzaakt, en ons aan onszelf overlaat, en zich van ons verwijdert, zijn wij teniet gedaan. "Als Hij het aangezicht verbergt, wie zal Hem dan aanschouwen?" Job 34:29. Hierin zou God met hen handelen, zoals zij met Hem gehandeld hadden, Hoofdstuk 2:27. "Zij keren mij de nek toe en niet het aangezicht." Het is rechtvaardig van God, dat Hij zich vreemd houdt ten dage hunner ellende, tegenover hen, die ten dage van hun voorspoed zich ruw en ongevoelig voor hun plicht hebben getoond tegenover Hem. Dit zal zijn volkomen vervulling hebben ten dage dat God tot hen, die, schoon vroom met de mond, toch werkers van de ongerechtigheid waren zeggen zal: "Gaat weg van mij, Ik ken u niet, ja, Ik heb u nooit gekend."