14. Zal men ook om enen kalen rotssteen des velds verlaten de velden, welke de sneeuw van Libanon bevochtigt (
Psalm 133:3)? Zullen ook voor de vreemdewateren koude, frisse, vlietende wateren verlaten worden? 1)
1) Zal iemand dwaas genoeg zijn, om enen dorren rotssteen, op welken niets kan groeien, te verkiezen boven de bergen van Libanon, die met de smeltende sneeuw de vruchtbaarheid rondom verspreiden? Kan men groter dwaasheid zich verbeelden, dan dat iemand de verkoelende wateren, welke in zijne nabuurschap stromen, verlaten zal, om in een vreemd land wateren te gaan opzoeken? En evenwel aan zulk ene verregaande dwaasheid, welke geen voorbeeld kent, maken zich de hardnekkige Joden schuldig.
Men kan ook vertalen en o. i. is die vertaling juister: Verlaat ook van den rotssteen van het gebergte, of de sneeuw van den Libanon, of drogen de vreemde, koud vlietende wateren uit?
Onder den rotssteen is den de top van den Libanon te verstaan.
De Profeet wil zeggen, de sneeuw van den Libanon blijft immer liggen en de ruisende wateren van den Hermon drogen niet uit, zij vertonen het beeld van standvastigheid, maar Zijn volk, de jonkvrouw Israëls, vertoont een heel ander beeld, het beeld der onstandvastigheid, der wispelturigheid.
In plaats van standvastig den Heere achter aan te kleven, had het (Vers 15) den Heere vergeten en de ijdelheid, d i. de afgoden gezocht.