Jeremia 17:1-4
Het volk had gevraagd, Hoofdstuk 16:10 :Welke is onze zonde? Welke is onze misdaad? Als ware er niets, waarvan zij konden beschuldigd worden, dat van de moeite waard was of waarom God toornig op hen zou zijn, hun vraag wordt hier beantwoord, uitvoerig zelfs, waarin
I. De beschuldiging ten volle bewezen wordt, zowel de zonde van de overtreders als hun schuld, hun zonde is te openbaar om geloochend te worden, en zij hebben niets om hun zonde te verzachten of het oordeel te ontlasten.
1. Zij kunnen niet "onschuldig" pleiten, want hun zonden staan in Gods alwetendheid en hun eigen geweten opgetekend, ja ze zijn zichtbaar voor het oog van de gehele wereld, vers 1, 2. Zij zijn voor Gods oog geschreven met leesbare en onuitwisbare letters en "verzegeld in zijn schatten," Deuteronomium 32:34, om nimmer vergeten te worden. Zij zijn geschreven "met een ijzeren griffel, met de punt van een diamants." Wat zo geschreven is, wist de tand des tijds niet uit, maar is, gelijk Job zegt, "voor altijd in de rots gegraveerd." Zie, de zonde van de zondaars wordt nimmer vergeten, tot zij vergeven wordt. Ze is steeds voor Gods aangezicht, totdat ze door berouw steeds voor ons eigen aangezicht komt te staan, "gegraveerd in de tafel van hun hart." Hun eigen consciëntie getuigt tegen hen, sterker dan duizend andere getuigen. Wat "in het hart gegraveerd" staat, al zij het voor een tijd bedekt en opgesloten, kan, wijl het gegraveerd is, niet uitgewist worden, maar zal mee getuigen wanneer de boeken geopend worden. Ja, wij behoeven zelfs niet de tafelen hunner harten te raadplegen, misschien zullen zij het getuigenis hunner consciëntie niet bevestigen. Wij behoeven niet verder te gaan, dan "de hoornen hunner altaren", waarop het bloed hunner afgodenoffers gesprenkeld was, en misschien ook de namen ingegrift van de afgoden, tot wier eer zij waren opgericht. Hun naburen zullen tegen hen getuigen, en alle schepselen, die zij misbruikt hebben in de voldoening hunner lusten, om het getuigenis volledig te maken, zullen hun eigen kinderen tegen hen als getuigen optreden, die zullen de waarheid spreken, als hun vaders veinzen en ontkennen. Die zullen "hun altaren en hun bossen gedenken," waarheen zij werden meegenomen, toen zij nog klein waren, vers 2. Het land schijnt vol van die altaren en bossen geweest te zijn, en de kinderen er vroeg mee bekend geworden, er werd zo vaak, zo vertrouwelijk, met zoveel genot over gesproken.
2. Zij kunnen niet pleiten op boete en berouw of verbetering. Neen, gelijk de schuld hunner zonde onloochenbaar is, even onoverkomelijk en ongeneeslijk was hun begeerte om te zondigen. In deze zin verstaan velen vers 1 en 2. Hun zin is diep "gegraveerd als met een ijzeren griffel op de tafelen van hun harten". Hun zondige lust is ingeworteld, hij is in hun natuur ingeweven, hun zonde is hun dierbaar "gegraveerd in hun hart." Nog even sterk als altijd is hun ziel de afgoden toegewend, en noch het woord noch de roede Gods doen hen die vergeten of verminderen hun neiging tot die afgoden. Geschreven "aan de hoornen van hun altaren," want zij hebben hun naam en hun afgoden verbonden en zijn besloten, daarbij te blijven. Zij hebben zich als met touwen aan de hoornen van hun altaren gebonden. Vers 2 kan alleen gelezen worden: Gelijk zij hunner kinderen gedenken, zo gedenken zij hun altaren en hun bossen, zij zijn er even verzot op en scheppen er evenveel vermaak in als mensen in hun kinderen, en even ongezind zijn zij, ze te verlaten. Zij willen leven en sterven met hun afgoden en kunnen ze evenmin vergeten als "een vrouw haar zuigeling." II. De aanklacht is dus ten volle bewezen, en het oordeel wordt nu bevestigd en de straf vastgesteld, vers 3 en 4. Zoals zij nu, om zo te spreken, met hun zonden getrouwd zijn en ze niet verlaten willen,
1. Zo zullen ze thans van hun schatten moeten scheiden en ze in de hand van vreemden overgeven. Jeruzalem is "Gods berg in het veld, " het was gebouwd als een heuvel in het midden van een vlakte. "Al de schatten dier weelderige stad zal God ten roof geven, of: mijn bergen met de velden, uw rijkdom en al uw schatten zal Ik ten roof geven." Beide de vruchten des lands en de voorraad van de stad zullen door de Chaldeën genomen worden. Rechtvaardiglijk zullen de mensen van datgene beroofd worden, waarmee zij hun afgoden gediend of waarmee zij hun lust verzadigd hebben. "Mijn berg (dat was het gehele land, Psalm 78:54, Deuteronomium 11:1 hebt gij gemaakt tot hoge plaatsen om te zondigen, gij hebt uw afgoden gediend op de hoge heuvelen", vers 2, en nu zullen ze ten roof worden in al uw landpalen. Datgene, waarmee-wij zondigen, zal God ten roof geven, want wat troost kunnen wij verwachten van datgene, waarmee wij God onteerd hebben?
2. Zij zullen hun erfenis verliezen, hun landerijen even goed als hun persoonlijk eigendom, en zelf zullen zij weggevoerd worden in een vreemd land, vers 4. Alzo zult gij aflaten (en dat om uzelf) van uw erfenis, die Ik u gegeven heb. God bevestigt, dat het hun erfenis was en dat Hij het hun gegeven had, zij hadden er een onbetwistbaar recht op, en daarom was het juist te groter dwaasheid, zichzelf uit die bezitting te verbannen. "Het is door uzelf (zoals sommigen lezen), door uw eigen schuld, dat gij onterfd wordt. Gij zult aflaten of laten varen het bezit van het land. De wet beval hun, het land te laten rusten (dat woord wordt hier gebruikt) eens in zeven jaren", Exodus 23:11. Die wet hadden zij niet onderhouden, en nu zou God hen dwingen het land rust te geven, het land zou "aan zijn sabbatten een welgevallen hebben," Leviticus 26:34. Zij evenwel zouden geen rust genieten, zij zouden "hun vijanden dienen in een land, dat het hun niet was." Merk hierop:
a. De zonde neemt onze troost weg en verhindert het genot van hetgeen God ons gegeven heeft. Toch
b. is een ontzet uit de bezitting geen vernietiging van het recht, want hun wordt beloofd, dat zij, bij boete en berouw, weer in het bezit zullen worden gesteld. Voor het ogenblik hebben zij "een vuur aangestoken in mijn toorn, dat zo hevig brandt als zal het nimmer weer geblust worden". Dat zal zo duren, tenzij gij u bekeert, want het is de toorn van de Eeuwige tegen onsterfelijke zielen, en wie kent de sterkte Zijns toorns?