Jeremia 16:10-13
Hier is:
1. Een onderzoek, ingesteld naar de redenen, waarom God deze oordelen over hen brengen zou, vers 10. Als gij dit volk alle deze woorden zult aanzeggen, de woorden van deze vloek, zullen zij tot u zeggen: Waarom spreekt de Heere al dit grote kwaad tegen ons? Het ware te wensen, dat er onder hen waren, die deze vraag deden met een nederig, berouwvol hart, en begeerden te weten, wat de zonde was, waarom God met hen twistte, opdat zij die mochten wegdoen en het oordeel voorkomen. "Wijs ons de Jona, die de storm verwekt, en wij zullen hem overboord werpen." Maar het schijnt hier de taal te zijn van hen, die wrevelig waren over het woord van God, en Hem uitdaagden om aan te tonen, wat zij gedaan hadden om zo'n strenge straf te verdienen. "Welke is onze misdaad, en welke is onze zonde? Aan welke misdaad hebben wij ons ooit schuldig gemaakt, die evenredig is aan zulk een vonnis?" In plaats van zich te vernederen en te veroordelen, meenden zij zich te kunnen rechtvaardigen en gaven te kennen, dat God hun onrecht deed met dit kwaad tegen hen af te kondigen, dat Hij hun meer oplegde dan billijk was, en, dat zij reden hadden om "tegen God in `t gericht te treden," job 34:23. Het is verbazend te zien, hoe moeilijk zondaars ertoe gebracht worden om God rechtvaardig te verklaren en zichzelf te oordelen als zij in ellende zijn, en de ongerechtigheid en zonde te erkennen, die de oorzaak van hun ellende zijn.
2. Een volledig en duidelijk antwoord, op dit onderzoek gegeven. Vragen zij de profeet, waarom en om welke reden God zo vertoornd op hen is? Hij zal hun de mond niet stoppen, door hun te verzekeren, dat er een voldoende reden is, dat de rechtvaardige God nooit vertoornd is zonder reden, zonder goede reden, maar hij moet hun zeggen, wat de bijzondere reden is, opdat zij overtuigd en verzekerd mogen worden, of ten minste, opdat God rechtvaardig verklaard mag worden. Ze moeten dan weten,
a. Dat God aan hen de ongerechtigheden hunner vaderen bezoekt, vers 11 :Uwe vaders hebben Mij verlaten en Mijne wet niet gehouden. Zij schudden de goddelijke inzettingen van zich af en werden ze moede (zij vonden ze te gewoon te min), en toen hebben zij andere goden nagewandeld, wier dienst leer vrolijk en prachtig was, en daar zij verzot waren op afwisseling en al wat nieuw was, "hebben zij die gediend en zich voor die nedergebogen, " en dat was de zonde, waarvan God in het tweede gebod gezegd had, "dat Hij ze bezoeken zou aan hun kinderen, die deze afgodische gebruiken in standhielden die hun van de vaderen overgeleverd waren", I Petrus 1:8.
b. Dat God met hen afrekende om hun eigen ongerechtigheden, vers 12 :"Gij hebt de zonden uwer vaderen tot de uw gemaakt en verdient de straf, die in hun dagen uitgesteld werd, want gijlieden hebt erger gedaan dan uw vaderen." Indien zij een goed gebruik gemaakt hadden van het uitstel hunner vaderen, en tot berouw geleid waren door Gods geduld, zouden zij er beter door gevaren zijn en het oordeel zou voorkomen zijn, het uitstel verkeerd in een nationaal pardon, maar, daar zij er een slecht gebruik van maakten en er door verhard waren in hun zonden, voeren zij er slechter door, en na afloop van het uitstel, werd het vonnis verzwaard, en met meer strengheid uitgevoerd. Zij waren onbeschaamder en hardnekkiger in de zonde dan hun vaderen, zij hadden gewandeld een ieder naar het goeddunken "van zijn boos hart, maakten dat tot hun regel en richtsnoer en waren besloten dat te volgen, om naar Mij niet te horen, noch naar de profeten". Met opzet vierden zij hun laster en hartstochten de teugel om de stem van hun geweten te versmoren. Geen wonder, dat God aldus over hen besloten heeft, vers 13. Daarom zal Ik ulieden uit dit land werpen, dit land vol licht dit dal des gezichts. Sinds gij niet naar Mij wilt horen, zult gij Mij niet meer horen. Gij zult haastig weggevoerd worden, niet naar een naburig land, waaraan gij vroeger kennis en waar gij verkeer mee hadt, maar naar een ver land, naar "een land dat gij niet gekend hebt, gij noch uw vaders," waar gij geen belangen hebt, en waar gij niet verwachten kunt, troostrijk gezelschap te ontmoeten, om uw ellende te verzachten." Rechtvaardig was het, dat naar een vreemd land verbannen werden zij, die op vreemde goden verzot waren, die zij noch hun vaders gekend hadden, Deuteronomium 32:17. Tweeërlei zou hun lot daar zeer ellendig maken, en beide betreffende de ziel, die meer is de het lichaam, de grootste rampen van hun gevangenschap waren die welke deze betroffen en van zegen uitsloten.
c. Het is het geluk van een ziel bezig te zijn in de dienst van God: maar "aldaar zult gij andere goden dienen dag en nacht, dat is: gij zult in voortdurende verleiding zijn ze te dienen en misschien gedwongen worden het te doen door uw wrede meesters, en wanneer gij gedwongen wordt afgoden te aanbidden, dan zult gij zo walgen van die dienst, als gij er vroeger op verzot waart, toen het u door uw godzalige koningen verboden was." Zie hoe vaak God de zonden van de mensen tot hun straf maakt, en "die afkerig is van het hart, verzadigt van zijn wegen." "Gij zult volstrekt geen openbare eredienst hebben dan de eredienst van de afgoden, en dan zult gij met spijt er aan denken, hoe gij de dienst van de waren God hebt veronachtzaamd."
d. Het is het geluk van de ziel verschillende tekens te hebben van Gods goedertierenheid, maar gij zult gaan naar een vreemd land, waar "Ik u geen genade zal geven." Indien zij Gods gunst hadden gehad, dan zou dat zelfs het land van hun gevangenschap tot een aangenaam land hebben gemaakt, maar als zij onder Zijn toorn liggen, zal het juk van hun onderdrukking ondraaglijk zijn voor hen.