Exodus 23:10-19
Hier is:
I. De instelling van het sabbatjaar, vers 10, 11. Ieder zevende jaar moest het land rusten, zij moeten aan het begin des jaars ploegen noch zaaien, en dus konden zij aan het einde des jaars geen grote oogst verwachten, wat er vanzelf groeide moest om zo te zeggen van de hand in de tand gaan en niet bewaard of opgelegd worden. Nu was dit bedoeld:
1. Om te tonen welk een vruchtbaar land het was, waarin God hen bracht, daar zo'n talrijk volk overvloedig onderhoud kon verkrijgen uit de voortbrengselen van zo'n klein land, zonder handel met het buitenland, en er toch nog ieder zevende jaar de opbrengst van kon missen.
2. Om hen te herinneren aan hun afhankelijkheid van God, hun grote landheer, en hun verplichting om de vruchten des lands te gebruiken naar Zijn aanwijzing. Aldus wilde Hij hun gehoorzaamheid op de proef stellen in een zaak, die zeer van nabij hun belang raakte. Later zullen wij zien dat hun ongehoorzaamheid aan dit gebod het verbeuren van de belofte tengevolge had, 2 Kronieken 36:21.
3. Om hun te leren vertrouwen te hebben in de voorzienigheid Gods, en te geloven dat, zolang zij hun plicht deden, het gewas van het zesde jaar genoeg levensonderhoud zou opleveren voor twee jaren, gelijk het manna van de zesde dag genoeg spijs opleverde voor twee dagen. Aldus moeten zij leren "niet bezorgd te zijn voor hun leven," Mattheus 6:25. Als wij verstandig en naarstig zijn in onze zaken, dan kunnen wij vertrouwen dat Gods voorzienigheid ons het brood van de dag op dezelfde dag geven zal.
II. De herhaling van de wet van het vierde gebod betreffende de wekelijkse sabbat vers 12. Zelfs in het jaar van de rust moeten zij niet denken dat de sabbat gelijk was aan de andere dagen, ook in dat jaar moest hij Godsdienstig worden waargenomen, maar aldus hebben sommigen gepoogd de waarneming van de sabbat weg te nemen door voor te geven, dat elke dag een sabbatdag moet zijn.
III. Alle eerbied voor de goden van de heidenen wordt hier streng verboden, vers 13. Hieraan gaat een algemene waarschuwing vooraf welke betrekking heeft op al deze geboden In alles, wat Ik tot ulieden gezegd heb, zult gij op uw hoede zijn. Wij zijn in gevaar om naar rechts en links te dwalen, en het is op ons gevaar zo wij dit doen, daarom is het ons nodig goed uit te zien. Een mens kan zich door achteloosheid in het verderf storten, maar zonder grote zorg en voorzichtigheid kan hij zich niet redden. Daar afgoderij een zonde was, waartoe zij zeer geneigd waren, en die een zware verzoeking voor hen was, moeten zij in het bijzonder er naar streven om de gedachtenis aan de goden van de heidenen uit te wissen, alle vormen van bijgelovige spreekwijzen moeten in onbruik bij hen komen en worden vergeten, zij moeten ze niet anders dan met afschuw en verfoeiing noemen. Het zou te wensen zijn dat in Christelijke scholen en academiën (want het is tevergeefs om in dit opzicht aan een hervorming van de schouwburgen te denken) de namen en verhalen van heidense godheden, of liever demonen, niet zo dikwijls en zo gemeenzaam gebruikt werden als zij zijn, zelfs met nog enige eerbied, soms nog wel in de vorm van aanroeping. Wij hebben voorzeker Christus niet aldus geleerd
IV. Het plechtig vieren van hun Godsdienstige feesten en hun verschijnen daarbij voor Gods aangezicht in de plaats, die Hij verkiezen zal, wordt hier streng geboden, vers 14-17 1. Drie maal per jaar moesten alle mannen samenkomen in een heilige samenroeping, ten einde elkaar beter te kennen en lief te hebben, en hun gemeenschap met elkaar als een geëerd en bijzonder volk op te houden.
2. Zij moeten verschijnen voor het aangezicht des Heeren, vers 17, om zich Hem voor te stellen, ziende naar de plaats waar Zijn eer woonde, en Hem als hun opperheer hulde te doen, van wie en onder wie zij al hun bezittingen hadden.
3. Zij moeten tezamen feest houden voor het aangezicht des Heeren, tezamen eten en drinken ten teken van hun blijdschap in God en hun dankbare bewustheid van Zijn goedheid jegens hen, want "men maakt maaltijden om te lachen," Prediker 10:19. O welk een goede Meester dienen wij die het ons ten plicht heeft gesteld om voor Zijn aangezicht vrolijk te zijn, en Zijn dienstknechten onthaalt als zij dienst doen! Laat men nooit een Godsdienst droefgeestig noemen, waarvan de plechtige diensten plechtige feesten zijn.
4. Zij moeten niet ledig voor Gods aangezicht verschijnen, vers 15. Zij moeten het een of ander vrijwillig offer brengen ten teken van hun eerbied voor, en dankbaarheid aan hun grote weldoener. Gelijk zij toen niet met ledige handen mochten komen, zo moeten wij niet met een ledig hart komen om God te aanbidden, onze ziel moet vervuld zijn van genade met Godvruchtige genegenheden, met heilige begeerten naar Hem, en toewijding van onszelf aan Hem, want in zulke offeranden heeft God een welbehagen.
5. Het paasfeest, het pinksterfeest en het Loofhuttenfeest waren de drie tijden, bepaald voor hun verschijning voor het aangezicht des Heeren, dus in de lente, de zomer en de herfst, niet in het midden van hun oogsttijd, omdat zij dan op andere wijze bezig waren, zodat zij geen reden hadden om te zeggen, dat Hij hen Hem heeft doen dienen met spijsoffer, of hen vermoeid heeft met wierook.
V. Er worden hier enige bijzondere aanwijzingen gegeven omtrent de drie feesten, hoewel niet zo volledig als later.
1. Op het paasfeest was het hun niet geoorloofd met gedesemd brood te offeren, want op dat feest moest al het gedesemde weggeworpen worden, en het vet van het offer mocht niet tot de morgen bewaard worden, opdat het niet zou bederven, vers 18.
2. Op het pinksterfeest, bij het begin van hun oogst, moesten zij de eerstelingen van de eerste vruchten aan God brengen, door welke Godvruchtige offerande de gehele oogst geheiligd werd, vers 19.
3. Op het feest van de inzameling, zoals het genoemd wordt, vers 16, moeten zij Gode dank brengen voor de oogstzegeningen, die zij hadden ontvangen, en van Hem afhankelijk zijn voor de volgende oogst, en niet denken, dat zij nut of voordeel zouden verkrijgen door het bijgelovig gebruik van sommigen van de heidenen, die, naar men zegt, bij het eindigen van hun oogst een bokje kookten in de melk van zijn moeder, en dit melkkooksel onder het uitspreken van toverformules op hun tuinen en akkers sprenkelden, om ze vruchtbaar te maken voor het volgende jaar. Israël moest zulke dwaze gewoonten verafschuwen.