Jeremia 12:7-13
Het volk van de Joden wordt hier ten ondergang gedoemd.
I. God wordt hier voorgesteld in twist met hen en hen aan verwoesting overgevende, en zij zouden nooit teniet gedaan zijn als zij God niet getergd hadden om hen te verlaten. Het is een verschrikkelijk woord, dat God hier spreekt, vers 7 :Ik heb Mijn huis verlaten- de tempel, die Zijn paleis was geweest, zij hadden het verontreinigd en hem er zo uitgedrongen: Ik heb Mijn erfenis laten varen, en zal er niet meer naar omzien. Zijn volk, dat Zijn vermaak en Zijn zorg is geweest, zijn buiten Zijn bescherming geplaatst. Het was de beminde van Zijn ziel geweest, kostbaar in Zijn oog en eervol boven enig ander volk, wat vermeld wordt tot verzwaring hunner zonde, daar zij Hem haat voor liefde hadden gegeven, en hunner ellende, daar zij zichzelf buiten de gunst plaatsten van Eén, die zoveel vriendelijkheid voor hen had, en om Gods handelwijze tegenover hen te rechtvaardigen. Hij zocht geen twist met hen, maar, als zij zich slechts met dragelijke gepastheid gedragen, zou Hij er mee tevreden zijn geweest, want zij waren "de geliefde van zijn ziel, " maar zij hadden zich zo gedragen, dat zij Hem getergd hadden, om "hen in de hand van hun vijanden" te geven, om hen onbeschermd te laten, een gemakkelijke prooi, voor wie hun geen goed hert toedroegen. Maar welke was dan de twist, die God had meteen volk, dat Hem zo lang dierbaar was geweest? Welnu, om de waarheid te zeggen, zij waren ontaard.
Zij waren gelijk aan de roofdieren geworden, die niemand liefheeft, maar iedereen vermijdt en wel zo ver mogelijk, vers 8. Mijn erfenis is Mij geworden als een leeuw in het woud. Hun zonden schreien ten hemel om wraak, even luid als een leeuw brult. Ja, zij heeft haar stem tegen Mij verheven, in de dreiging en moord, die zij ademen tegen Zijn profeten, die tot hen spreken in Zijn naam, en wat tegen hen gezegd en gedaan wordt, dat rekent God als gezegd en gedaan tegen Hem zelf. Zij lasteren Zijn naam, verzetten zich tegen Zijn gezag, dagen Zijn rechtvaardigheid uit, en verheffen aldus hun stem tegen Hem als een leeuw in het woud. "Die de schapen van Zijn weide" waren geweest, waren nu wild en roofziek geworden en even weinig te regeren als leeuwen in het woud, daarom heb Ik ze gehaat, want welk vermaak kon de God van de liefde hebben in een volk, dat nu tot brullende leeuwen en wilde dieren geworden was, die men overvalt en neerschiet, als een kwelling en marteling voor hun omgeving? Zij waren roofvogels geworden, en daarom ook een plaats in Gods huis onwaardig, waar geen wilde dieren of roofvogels mochten geofferd worden, verse. "Mijn erfenis is Mij een vogel met klauwen" (zoals sommigen lezen), zij zijn onophoudelijk met elkaar aan `t plukharen, door hun onnatuurlijke twisten hebben zij `t land tot een hanenmat gemaakt. Of "een gesprenkelde vogel," geverfd, of besprenkeld, of bespat met het bloed van zijn prooi. Het vergieten van onschuldig bloed was de zonde, die de maat van Jeruzalem vol maakte, en haar ondergang verhaastte, daar zij niet alleen God, maar ook de naburen tegen haar in `t harnas joeg, want, "wier hand tegen allen is, tegen hen zal de hand van allen zijn," Genesis 16:12, zo volgt hier ook: "De vogels zijn rondom tegen haar. Sommigen maken haar een gesprenkelden, gevlekten of bonte vogel", om reden, dat zij de bijgelovige zeden en gebruiken van de heidenen met de goddelijke instellingen vermengden in de dienst van God, zij hielden van een bontgekleurde godsdienst, en dachten dat het hun goed stond, terwijl het hen gehaat maakte. Gods tortelduif is geen gesprenkelde vogel.
II. Hier wordt voorgesteld hoe de vijanden op hen aanvallen en hen vernielen. Sommigen menen, dat het daarom is, dat zij bij een gesprenkelde vogel vergeleken worden, omdat vogels gewoonlijk drukte maken over een vogel van een vreemde, onnatuurlijke kleur. Gods kinderen zijn onder de kinderen van de wereld, mensen waarover men zich verwondert, als "een gesprenkelde vogel," maar dit volk had zich zo gemaakt door zijn eigen dwaasheid, en wilde dieren en vogels worden geroepen en belast hen tot hun prooi te kiezen. "Komt aan verzamelt, al gij gedierte des velde, komt om te eten." Die anderen tot hun prooi hebben gekozen, zullen zelf een prooi worden. Het verminderde de zonde van de heidenen niet, dat de vernieling, die zij brachten, op bevel van de hemel geschiedde, maar het deed de ellende van Juda en Jeruzalem toenemen. Vogels en wilde dieren worden misschien geroepen om zich te vergasten aan de lijken van de verslagenen als in het visioen van Johannes, Openbaring 19:17. De volkomen verwoesting van het land door het Chaldeeuwse leger wordt hier besproken als voltooid, zo zeker, zo nabij is zij. God spreekt er van als van iets, dat Hij bevolen had te doen, en waarin Hij toch geen vermaak had, zomin als in de dood van andere zondaars.
1. Zie met welk een tedere genegenheid Hij spreekt van dit land, ondanks het vol van zonde is, in herinnering aan Zijn verbond, en de schatting van eer en heerlijkheid die Hij er vroeger van ontvangen had: Het is Mijn wijngaard, Mijn akker, Mijn gewenste akker, vers 10.
Merk op, God heeft nog vriendelijkheid en zorg voor Zijn kerk, al is er veel verkeerds in, en Zijn straffen zijn alleszins bestaanbaar met Zijn welbehagen in haar.
2. Zie, met welk een teder medelijden Hij spreekt van de verwoesting van dit land: "Vele herders, (de Chaldeeuwse generaals, die zich meester maakten van het land en het met hun legers opaten, zo gemakkelijk, als de Arabische herders met hun kudden de vruchten eten van een stuk grond, dat tussen hen ligt) hebben Mijnen wijngaard verdorven," zonder enige rekening te houden, of met de waarde er van, of met het belang, dat Ik er bij heb, met de grootste onbeschaamdheid en verachting hebben zij die vertreden, en wat een gewenst land was hebben zij tot een woeste wildernis gesteld. De verwoesting was algemeen. Het gehele land is verwoest, vers 11. Zo is het geworden door het oorlogszwaard: De verstoorders, de Chaldeeuwse soldaten zijn op alle hoge plaatsen in de woestijn gekomen, zij hebben zich meester gemaakt van alle natuurlijke sterkten en kunstmatige vestingen, vers 12. Het zwaard verteert van het een einde des lands tot het andere einde des lands, alle plaatsen liggen open, en het talrijke leger van de aanvallers verspreidt zich tot in elke hoek van dat vruchtbare land, zodat "er geen vrede is voor enig vlees," niemand zal vrij zijn van de ramp of in staat enige rust te genieten. Wanneer alle vlees zijn weg bedorven heeft, zal geen vlees vrede hebben, alleen, die de Geest achterna wandelen, hebben vrede.
3. Zie, waar al die ellende vandaan komt.
a. Zij komt van Gods ongenoegen. Het is het zwaard des Heeren, dat verteert, vers 12. Zolang Gods volk bij Hem blijft, is het zwaard van hun beschermers en verlossers het zwaard des Heeren, getuige dat van Gideon, maar, als zij Hem verlaten hebben, zodat Hij hun vijand geworden is en tegen hen strijdt, dan wordt het zwaard van hun aanvallers en verstoorders het zwaard des Heeren, getuige dat van de Chaldeën. Het is vanwege de hittigheid van de toorn des Heeren, vers 13, dat was het, wat het vuur aanstak en hun vijanden zo verwoed maakte. En wie zal voor zijn aangezicht bestaan, wanneer Hij toornig is?
b. Het is hun zonde, die God tot hun vijand heeft gemaakt, in `t bizonder hun onverbeterlijkheid onder vroegere verwijten, vers 11. Het land treurt tot Mij, de akkers, die verstoord liggen, storten als het ware, hun kracht uit voor God en vernederen zich onder Zijn hand, maar de inwoners zijn zo verstandeloos en stompzinnig, dat niemand het ter harte neemt, zij klagen niet tot God, maar blijven onaandoenlijk voor Zijn misnoegen, terwijl zelfs de grond, waarop zij lopen, hen beschaamd maakt.
Merk op. Als Gods hand opgeheven is, en men die niet wil zien, zal zij neerkomen, en men zal het moeten voelen, Jesaja 26:11.
4. Zie hoe weinig zij in staat zijn zich daartegen te beschermen, vers 13 :Zij hebben tarwe gezaaid, d.w.z. zij hebben veel moeite gedaan voor hun eigen veiligheid en zich veel beloofd van hun inspanning, maar het is alles tevergeefs, "maar zij hebben doornen gemaaid," dit is wat zeer smartelijk en kwellend voor hen zal zijn. Inplaats van zich te verbeteren, zullen zij verslechteren. "Zij hebben zich gepijnigd," beide door hun inspanning en hun verwachtingen, "maar zijn niet gevorderd", zij zullen er niet in slagen zich uit de moeilijkheden te redden, waarin zij zich gedompeld hebben. "Wordt alzo beschaamd vanwege ulieder inkomsten," beschaamd, dat zij zich zo volkomen verlaten hebben op hun toebereidselen tot de oorlog en in `t bizonder op hun kracht om er de kosten van te dragen. Geld is de zenuw van de oorlog, zij dachten genoeg te hebben, maar zullen te schande worden, want hun zilver en goud zal hun niet baten in de dag van de toorn des Heeren.