Jeremia 11:1-10
1. Hier spreekt de profeet als "openbaar ministerie" in Gods naam een beschuldiging tegen de Joden uit, dat zij de geboden van hun wettige Souverein met opzet overtreden hebben. Hij schepte geen vermaak in de beschuldiging van de kinderen zijns volks, maar God gebood hem te spreken tot de mannen van Juda, vers 1,2. In `t oorspronkelijke staat er: spreek gij dit. Want wat Hij Jeremia zei was hetzelfde dat Hij al Zijn dienaren de profeten opdroeg. Niemand van hen zei iets anders dan wat Mozes in de wet had gezegd, daarbij sloten zij zich dus aan en onderrichten het volk: "Hoort gijlieden de woorden dezes verbonds, " slaat uw Bijbel op laat die u oordelen." Jeremia moet dit nu in "de steden van Juda en op de straten van Jeruzalem" verkondigen, opdat allen wie het aanging, het horen zouden. Alle woorden van bestraffing en beschuldiging, die de profeten spraken, waren gegrond op de "woorden des verbonds," en stemden daarmee overeen. Daarom: "hoort gijlieden de woorden des verbonds en verstaat daaruit, hoe gij eerst tegenover God stondt, en wanneer gij u met het verbond vergelijkt, zult gij spoedig zien, hoe gij nu tegenover Hem staat."
II. Hij opent de grondwet, die hun staat en voorrechten had bepaald. Zij hadden de strekking ervan vergeten en leefden, alsof zij dachten dat de beloften onvoorwaardelijk waren, en zij mochten doen wat zij verkozen en toch ontvangen wat God beloofd had, of als had God niets geëist dan inwendige ceremoniën. Hij toont hun derhalve aan met alle mogelijke duidelijkheid, dat datgene waarop God stond, "gehoorzaamheid was, beter dan offeranden". Hij zei: Zijt Mijn stem gehoorzaam, vers 4, en weer in vers 7 : "Erkent God als uw Heere, onderwerpt u aan Hem als Zijn onderdanen en dienaren, luistert naar alle verklaringen van Zijn geest en wil, en onderhoudt die nauwgezet. Onderhoudt Mijn geboden, niet maar enkele, maar naar alles wat Ik u geboden heb, maakt vooral ernst van uw zedelijke plichten en vergenoegt u niet met de ceremoniën alleen, hoort de woorden des verbonds en doet ze."
1. Dit was het oorspronkelijke verbond tussen God en hen, toen Hij ze eerst vormde tot een volk. Dit was wat Hij hun vaderen geboden had ten dage, toen Hij ze uit Egypte uitvoerde, vers 4, 7. Hij bedoelde nooit, ze op andere voorwaarden onder Zijn leiding en bescherming te nemen. Dat was het wat Hij van hen verlangde uit dankbaarheid, dat Hij ze uit "de ijzeroven" had uitgevoerd. Hij had ze vrij gekocht uit de slavernij van de Egyptenaren, opdat Hij ze in Zijn eigen dienst neme, die volkomen vrijheid betekent, Lukas 1:74, 75.
2. Dat werd hun niet alleen ten laste gelegd, maar hun met allen nadruk op het hart gebonden, vers 7. God gebood niet alleen, maar "betuigde bovendien ernstig", toen Hij hen in een verbond met Zich bracht. Mozes scherpte het telkens weer in, door gebod op gebod, regel op regel.
3. Dat was de voorwaarde van de betrekking tussen hen en God, voor hen een grote eer en een onuitsprekelijk voorrecht: "Zo zult gij Mijn volk zijn, en Ik zal Uw God zijn, " Ik erken U als de Mijne, en gij moogt Mij dan de Uwe noemen. Hieruit volgt, dat, zo zij weigerden te gehoorzamen, zij ook niet langer de voorrechten dier betrekking konden verwachten.
4. Op deze voorwaarden was hier het land Kanaän tot erfelijke bezitting gegeven: "Zijt Mijner stem gehoorzaam, opdat Ik de eed bevestige, die Ik uw vaderen gezworen heb, hun te geven een land vloeiende van melk en honing," vers 5. God was bereid Zijn belofte te vervullen, maar dan moesten zij de voorwaarde houden, zo niet, dan was de belofte vervallen, en God was slechts rechtvaardig, als Hij ze uit de bezitting verdreef. Wijl ze op voorwaarde hunner gehoorzaamheid ingekomen waren, was het geen onrecht, dat zij om hun slecht gedrag uitgedreven werden. Gehoorzaamheid was de rente, door de pachtbrief bepaald, met het recht van opheffing ingeval van niet-betaling.
5. Deze gehoorzaamheid was niet alleen tot voorwaarde gesteld van de zegen, maar ook gevorderd op poena van de vloek. Dat was hier eerst vermeld, vers 3, opdat zij, zo mogelijk, tot de schrik des Heeren mochten ontwaken: Vervloekt zij de man, als ware hij maar een enkele, die niet blijft in de woorden dezes verbonds. Dat klemt nog sterker, wanneer van een geheel volk sprake is. Het verbond bevatte zowel vloeken als zegeningen, en Mozes had voor hen gesteld niet alleen "het leven en het goede, maar ook de dood en het kwade," Deuteronomium 30:15, zodat zij klaar en duidelijk gewaarschuwd waren voor de gevolgen van de ongehoorzaamheid.
6. Opdat dit verbond niet vergeten werd, en dan als verouderd mocht beschouwd worden, had God hen van tijd tot tijd eraan herinnerd door Zijn knechten de profeten en telkens weer Zijn bedongen huur gevorderd. Onwetendheid of verzuim van opvraag van de huurpenningen konden ze dus niet voorwenden. "Van de dag af, toen Hij hen opvoerde uit Egypte tot op deze dag" (en dat was omstreeks duizend jaren) had Hij, "vele malen en op velerlei wijzen," op gehoorzaamheid aangedrongen. God houdt boek van de tijd en de kracht van de genademiddelen, Hij weet hoe vaak men ons heeft vermaand en opgewekt aangaande onze plicht.
7. Dat verbond was aangenomen, vers 5 :Toen antwoordde ik en zei: Amen, o Heere! Dit zijn de woorden van de profeten, die uiting geven of
a. aan zijn eigen toestemming tot het verbond voor zichzelf en zijn wens, er de zegeningen van te genieten. God had Kanaän aan de gehoorzamen beloofd. "Heere", zegt hij, "ik vat U op Uw woord, ik wil gehoorzaam zijn, laat mij mijn erfenis hebben in het land van de beloften, waarvan Kanaän het type is." Of
b. Hij wenst en begeert, dat zijn volk er de zegen van moge verkrijgen. "Amen, " Heere laat hen in het bezit van dit goede land blijven en niet worden uitgeworpen, volbreng aan hen Uw belofte. Of
c. `s Volks aanneming van het verbond: "Toen antwoordde ik, in naam des volks, Amen." In deze zin genomen, verwijzen ze naar de uitgesproken toestemming des volks, toen het verbond werd afgekondigd: "Alles wat de Heere tot ons zal zeggen, zullen wij doen, en wij zullen gehoorzamen," maar zijn ook een amen op de vloeken van Ebal. Hoe plechtiger wij ons aan God verbonden hebben, zoveel sterker is de verwachting, dat het verbond eeuwig zal zijn. En toch was het met dit verbond niet zo gegaan.
III. Hij beschuldigt hen van een breken des verbonds, een breuk gelijk staande met verbeurte van alle goed, vers 8. God had hun door de profeten herhaaldelijk laten zeggen, dat zij van Zijn stem zouden gehoorzaam zijn, doet wat u geboden is, en het zal u welgaan. Maar zij gehoorzaamden niet, en omdat zij besloten hadden, hun ziel niet te onderwerpen aan Gods geboden, wilden zij zelfs hun oor niet neigen, maar stopten hun oor toe. "Zij wandelden in de inbeeldingen van hun boze hart," volgden hun eigen verzinsel, iedereen deed naar zijn fantasie en humeur hem leidde, recht of onrecht, wettig of onwettig, zowel in hun plechtigheden als in hun wandel, zie Hoofdstuk 7:24. Wat konden zij dan anders verwachten, dan te vallen onder de vloek des verbonds, nu zij naar de geboden, de voorwaarden ervan niet horen wilden? "Daarom heb Ik over hen gebracht alle de woorden dezes verbonds," dit is alle de daarin vervatte bedreigingen, omdat "zij niet gedaan hebben wat hun bevolen was." Zie, de woorden des verbonds zullen niet ter aarde vallen. Indien wij niet door gehoorzaamheid ons voor de zegen des verbonds geschikt maken, dan brengen wij door ongehoorzaamheid de vloek over ons. Wat hun vergrijp tegen God en hun opstand tegen Hem erger maakte, was de algemeenheid ervan, er was een verbintenis onder hen, vers 9, 10. Jeremia zelf zag dat velen in openlijke ongehoorzaamheid jegens God leefden, maar de Heere zei hem, dat het er erger mee stond dan de profeet dacht. Er was een verbintenis bevonden onder hen, door Hem, wiens oog geopend is voor de verborgen werken van de duisternis. Er is een verbintenis tegen God en godsdienst, een gevaarlijk complot om Gods heerschappij af te schudden en de afgoden binnen te halen. Dit toont ons aan, dat de goddeloosheid welberaden en vastbesloten was, zij rebelleerden niet uit onwetendheid tegen God, maar vermetel en hooghartig. Zij waren listig en vindingrijk in goddeloosheid met veel kunst en overleg. Zij spanden samen in hun plannen, en gelijk het geval met samenzweerders is, zij waren overeengekomen om samen te leven en samen te sterven. Zij waren besloten te volharden. Een vervloekte verbintenis! O, dat zo iets in onze dagen niet te zien ware!
Merk op,
1. Welke verbintenis het was. Zij bedoelde de goddelijke openbaring op zij te zetten en omver te werpen, en het volk te overreden, niet naar God te horen noch op Zijn woorden acht te geven. Zij deden al wat zij konden om de autoriteit van de Schrift te ondermijnen en haar waarde te verkleinen, zij bedoelde het volk af te wenden "achter andere goden om die te dienen," hun te vragen als hun orakels en hun hulde te brengen als hun weldoeners. De menselijke rede zal hun god zijn, een onfeilbare rechter hun god, heiligen en engelen hun goden, de god van het een of andere volk hun god, zo is er, onder allerlei vermomming, dezelfde verbintenis "tegen de Heere en tegen Zijn Gezalfde."
2. Wie hadden deze verbintenis aangegaan? Men zou hebben verwacht, dat het enige uitlandse belhamels waren, maar niet alzo,
a. "De inwoners van Jeruzalem hebben zich verbonden met de mannen van Juda," stad en land stemmen in deze samen, hoewel ze in andere zaken mogen verschillen.
b. De mannen van dit geslacht schijnen samengezworen te hebben met die van voorbijgegane geslachten om de strijd tegen de godsdienst van eeuw tot eeuw voort te zetten: "Gijlieden zijt opgestaan in stede van uw vaderen een menigte van zondige mensen, om de hittigheid van des Heeren toorn tegen Israël te vermeerderen," Numeri 32:14. In Jozua's tijd was er een reformatie geweest, maar na zijn dood keerde het volk tot de afgoderijen terug, die ze eerst hadden laten varen.
c. Juda, het rijk van de twee stammen en Israël, dat van de tien, die dikwijls hooggaande twist met elkaar hadden, waren nu in een verbintenis getreden om "het verbond te verbreken dat God met hun vaderen gemaakt had," namelijk met de hoofden van alle twaalf stammen. Het huis Israëls begon de opstand, maar het huis van Juda werd spoedig in de samenzwering betrokken. Wat anders kon nu worden verwacht, dan dat God strenge maatregelen zou nemen beide om deze samenzweerders te kastijden en dit verbond te vernietigen, want niemand heeft ooit zijn hart tegen God aldus verhard en is gezegend geworden. Hij, die deze steen slingert, zal bevinden, dat hij op hem zelf zal terugkeren.