1. Salomo vertrouwelijk tot Sulamith: Zie, gij zat schoon 1), mijne vriendin! zie, gij zijt schoon: uwe ogen a) zijn duivenogen tussen uwe vlechten; 2) uw haar is zo blinkend zwart, zo weelderig en als zijde zacht en teder als ene zwarte, keurige kudde geiten, die het gras van den berg Gileads 3) afscheren.
a) Hooglied 4:3; 6:7. b) Hooglied 6:5.
1) Zie, gij zijt schoon, enz. Wij mogen hier zowel enkele gelovigen als de gemeente in haar geheel beschouwen als door Christus toegesproken. Al is het ons niet wel mogelijk de verschillende toespelingen op bevredigende wijze te verklaren, nochtans is dit duidelijk, dat de Heere Christus hier verschijnt om aan te tonen, dat de gemeente en de gelovigen alle soort van geestelijke uitnemendheid deelachtig zijn. Die Christus eren, zal Hij eren. 1 Samuël 2:30. Hij vleit den gelovige niet, noch heeft hij de bedoeling, de gemeente op zich zelf trots te maken, maar het is om haar onder de bedruktheden van het tegenwoordige te bemoedigen. Wat anderen ook van haar mochten denken, in Zijne ogen was zij beminnelijk. Ook spreekt Hij, aldus om anderen uit te nodigen, 3 om ook wèl van haar denken en zich bij de Kerk te voegen..
2) Nog in onzen tijd behoort door het gehele Oosten heen de sluier tot de degelijkste en onontbeerlijkste stukken der vrouwelijke kleding, en gene vrouw van stand en eergevoel vertoont zich zonder dezen ooit aan vreemden, noch in het openbaar, noch in haar eigen huis. Slechts slavinnen, publieke danseressen (tegelijk boeleersters) en soms vrouwen uit de laagste volksklasse maken op dezen regel ene uitzondering. Over `t algemeen schijnen bij de Israëlieten dezelfde grondstellingen gegolden te hebben, al moeten wij ons ook de ingetogenheid en afscheiding der vrouwen minder groot denken, dan in het tegenwoordige beschaafde Oosten: en voornamelijk in den aartsvaderlijken tijd bestond betreffende den sluier ene ruimere etiquette. Meisjes en zelfs vrouwen schijnen, vooral bij huiselijke bezigheden, zonder twijfel ongesluierd geweest te zijn. Evenwel bedekt zich de verloofde voor haren bruidegom (Genesis 24:65). Van den sluier kende men drie soorten: ten eerste de nu nog gebruikelijke, die van de slapen des hoofds afhing en daardoor bij het gaan zweefde, welke op de hoogte der ogen zo werd gevouwen, dat men er doorheen kon zien. Jesaja 3:19, Dan het sluierkleed, dat nog tegenwoordig de Oosterse vrouwen over de gehele kleding werpen, en eerder een mantel kan genoemd worden. Jesaja 4:1,3; 5:7; 6:7. Jeremia 5:23. Een derde sluier, welke men in Syrië en Egypte nog draagt, bedekte borst, hals en kin tot aan den neus; de ogen bleven vrij..
In het Hebreeën Ktmul debm (Meba'ad létsammatheek). Beter: achter uwen sluier. Zoals ook reeds boven is aangegeven, droeg ook de bruid een sluier.
De haarvlechten voor de ogen laten hangen deed niet een zedige jonkvrouw, maar een lichte vrouw.
De Bruidegom begint met den uitroep: Gij zijt schoon en bewijst dit door de schoonheid van het geheel in de enkele delen aan te wijzen en te prijzen.
De Gemeente van Christus is volmaakt in Hem, die haar Hoofd is.
3) Het gebergte Gilead aan de Oostzijde van den Jordaan wordt hier vermeld als bijzonder rijk aan kudden. (Num 32:1), gelijk ook latere reizigers het met kudden bezaaid vonden. Salomo zegt dus: "gelijk de geitenkudden verstrooid op den bergtop Gilead hem een keurig uitgezocht aanzien geven, terwijl hij vroeger als ene dorre en kale rots verscheen, zo wordt door uwe haren uw hoofd met edele kleur en volheid versierd."
Het haar of de wol der schapen in Palestina was wit, maar dat der geiten zwart, en het is daarom, dat de glans van het haar der bruid wordt vergeleken met den glans van het haar der geiten van Gileadsgebergte.