9. Gij hebt mij het hart genomen, hebt mij bekoord, zodat ik nu geheel en al u toebehoor, en niet meer mijn eigendom ben, gij mijne zuster 1) mijne mij nu volkomen in afkomst gelijke koningin, gij mijne enige rechtmatige gemalin, o bruid! gij hebt mij het hart genomen, met een van uwe ogen, met een enkelen blik uwer ogen, met ene 2) keten van uwen hals, met het kleinste deel uwer lieflijk versierde gedaante.
1) Als de thans rechtmatige gemalin van Salomo staat nu, na gevolgd huwelijk, Sulamith tot hem als ene zuster tot haren broeder. Zij is geen bijwijf (Hoofdstuk 6:8), maar zusterlijke genoot van zijn koninklijken rang en naam; zij is koningin, gelijk hij koning is, ja "prinsen-dochter" (Hoofdstuk 7:1), gelijk hij prinsen-zoon is.
2) Wat den koning betoverd heeft, was natuurlijk niet ene sierlijkheid of het kunstmatige werk van dit tooisel op zichzelf, maar de verrukkelijkheid, waarmee Sulamith's hals daarin uitkwam.
Zo heeft ook Christus, die de meerdere is dan Salomo, die een Koning is aller koningen en een Heere aller heren, Zijne gemeente met ellende en nederigheid tot deelgenoot Zijner goddelijke heerlijkheid verheven, heeft de verachte en verlatene tot Zijne zuster-bruid, tot mede-erfgenaam Zijner eeuwige hemelglorie gemaakt. Hij heeft haar opgenomen in Zijn rijk, in het huis des hemelsen Vaders, en haar ene plaats bereid, die zij nimmer met haar voormalig oponthoud in het verre vreemde land, in de woestijn van het zondige, aardse leven zou willen verwisselen..
Er is wel op te letten, dat Sulamith hier eerst zuster en dan bruid genoemd wordt.
Dat is een zeer duidelijke voorstelling van de verhouding tussen Christus en Zijne Kerk. Om haar als Zijn verloste Bruid op den dag der Hemelvaart in de armen met zich mede in den hemel te zetten, moest Hij eerst in Bethlehems kribbe neergelegd worden, d.i. moest Hij eerst het vlees en bloed des mensen aannemen en den broeders in alles gelijk worden.
En Hij is des vleses en des bloeds deelachtig geworden en daarom kan Hij ook straks als de allesbetalende Borg optreden, die volkomen de schuld heeft betaald, van straf heeft gevrijwaard en het recht tot het eeuwige leven heeft gegeven.