Handelingen 8:4-13
Het raadsel van Simson is hier wederom opgelost: Spijze ging uit van den eter, en zoetigheid ging uit van den sterke. De vervolging, die bedoeld was om de kerk uit te roeien, werd door Gods voorzienigheid zo geleid, dat zij het middel werd om haar uit te breiden. Christus had gezegd: Ik ben gekomen om vuur op de aarde te werpen, en zij dachten door hen te verstrooien, die door dat vuur ontstoken waren, het te hebben uitgeblust, maar in stede hiervan hebben zij slechts medegewerkt om het te verspreiden.
I. Hier is een algemeen bericht omtrent hetgeen door allen gedaan werd, vers 4. Zij gingen het land door en verkondigden het woord. Zij zijn zich niet gaan verbergen uit vreze van te zullen lijden, evenmin als zij zich hoogmoedig betoonden op hun lijden, maar zij gingen overal heen om de kennis van Christus uit te strooien, waarheen zij zelven verstrooid waren. Zij gingen het land door, overal heen, op den weg der Heidenen en in de steden der Samaritanen, waar het hun te voren verboden was heen te gaan, Mattheus 10:5. Zij bleven niet allen bij elkaar, hoewel dat ene kracht, ene versterking voor hen had kunnen wezen, maar verstrooiden zich naar alle kanten, niet om het gemakkelijk te hebben, maar om te zien waar zij konden arbeiden. Zij gingen de wereld evangeliseren, predikende het woord des Evangelies. Dat was het wat hen vervulde, en waarmee zij trachtten het land te vervullen, de predikers onder hen door te prediken, en de anderen door hun gewone gesprekken. Zij waren nu in een land, waarin zij gene vreemdelingen waren, want Christus en Zijne discipelen hadden veel omgang gehad in het land van Judea, zodat daar een fondament voor hen gelegd was, waarop zij voort konden bouwen, en het was nodig om het volk aldaar te laten weten hoe het nu stond met de leer, die Jezus er enigen tijd geleden had gepredikt, dat die leer niet was verloren of vergeten, zoals men hen wellicht had doen geloven.
II. Een bijzonder bericht omtrent hetgeen gedaan werd door Filippus. Van het werk en den voorspoed van anderen hunner zullen wij later horen, Hoofdstuk 11:19, maar nu moeten wij acht geven op Filippus, niet Filippus den apostel, maar Filippus den evangelist, die gekozen en geordend was om de tafelen te dienen, maar die als diaken wel gediend hebbende, zich een goeden opgang heeft verkregen, en veel vrijmoedigheid in het geloof, 1 Timotheus 3:13. Stefanus was bevorderd tot den rang van martelaar, Filippus tot den rang van evangelist, en daar hij toen verplicht was zich te geven voor het gebed en de bedièning des woords, werd hij ongetwijfeld ontheven van het ambt van diaken, want, hoe kon hij de tafelen dienen te Jeruzalem, waartoe hij in dat ambt verplicht was, als hij predikte in Samaria? En waarschijnlijk zijn in de plaats van Stefanus en Filippus twee anderen verkozen. Nu hebben wij te letten op:
1. Den wonderbaren zegen, dien Filippus had op zijne prediking, en de ontvangst, die hem te beurt viel. De plaats, die hij uitkoos, was de stad Samaria, de hoofdstad van Samaria, gelegen op de plaats waar het vroegere Samaria had gestaan, van welker stichting wij lezen in 1 Koningen 16:24, en dat nu Sebaste genoemd wordt. Sommigen denken, dat het dezelfde plaats is als Sichem, of Sichar, die stad van Samaria, waar Christus geweest is, Johannes 4:5. Velen in die stad hebben toen in Christus geloofd, hoewel Hij er gene wonderen gedaan heeft, vers 39-41, en nu zet Filippus drie jaren later het werk voort, dat toen begonnen was. De Joden wilden geen omgang hebben met de Samaritanen, maar Christus heeft Zijn Evangelie gezonden om alle vijandschap te doden, inzonderheid die tussen de Joden en de Samaritanen, door hen te verenigen in Zijne gemeente. De leer, die hij predikte, was: Christus, want hij had zich voorgenomen niets anders te weten. Hij predikte hun Christus, hij verkondigde hun Christus, zoals de betekenis is van het woord: gelijk wanneer een koning, als hij den troon beklimt, door geheel zijn gebied wordt uitgeroepen. De Samaritanen verwachtten de komst van den Messias, zoals blijkt uit Johannes 4:25. Nu verklaart hun Filippus, dat Hij gekomen is, en dat de Samaritanen Hem welkom zullen wezen. Wat Evangeliedienaren te doen hebben is Christus te prediken, Christus, en dien gekruist, Christus, en dien verheerlijkt. De bewijzen, die hij bijbracht ter bevestiging van Zijne leer, bestonden in wonderen, vers 6. Om hen er van te overtuigen, dat hij zijne opdracht had van den hemel, (waarom zij niet slechts mochten betrouwen op hetgeen hij zei maar verplicht waren het te geloven). Hij toont hun het groot-zegel, dat de hemel er op gezet had, en dat door den God der waarheid nooit op ene leugen zou gezet zijn. De wonderen waren onloochenbaar, zij hoorden en zagen de wonderen, die hij deed, zij hoorden de woorden van bevel, die hij sprak, en zagen er onmiddellijk de verbazingwekkende uitwerking van, - dat hij sprak, en het geschiedde. En de aard dier wonderen paste bij de bedoeling van zijne opdracht, en heeft er licht en glans aan verleend. Hij was gezonden om de macht des Satans te verbreken, en ten teken daarvan zijn de onreine geesten, wie in den naam van den Heere Jezus geboden werd heen te gaan, uitgegaan uit de velen, die door hen bezeten waren, vers 7. Waar het Evangelie de overhand heeft, is Satan gedwongen zijne macht en invloed op de mensen op te geven, en dan worden dezen aan zich zelven teruggegeven, en komen zij weer tot hun zinnen, die, zolang zij onder zijne macht waren, gans verbijsterd zijn geweest. Overal waar het Evangelie den toegang en de onderworpenheid verkrijgt, die het hebben moet, worden de boze geesten verdreven, inzonderheid de onreine geesten, alle geneigdheid tot de lusten van het vlees, die krijg voeren tegen de ziel, want God heeft ons van onreinheid tot heiligheid geroepen, 1 Thessalonicenzen 4:7. Dit werd aangeduid door het uitwerpen der onreine geesten uit het lichaam der mensen, die, gelijk hier gezegd wordt, uitgingen, roepende met grote stem, hetgeen betekent, dat zij uitgingen met groten weerzin, zeer tegen hun wil, gedwongen zijnde zich door ene hogere macht overwonnen te erkennen, Markus 1:32, 3:11, 9:26. Hij was gezonden om de ziel, den geest der mensen te genezen, ene zieke wereld te genezen, en haar in een goeden staat van gezondheid te brengen: ten teken daarvan werden vele geraakten en kreupelen genezen. Die krankheden worden genoemd, die het moeilijkst door natuurlijke middelen te genezen waren (opdat de wonderdadige genezing des te helderder zou uitblinken), en die welke het meest op de ziekte der zonde wezen, en op die zedelijke onmacht, waaronder de zielen der mensen gebukt gaan met betrekking tot den dienst van God. De genade van God in het Evangelie is bestemd tot genezing van hen, die geestelijk verlamd zijn, en zich zelven niet kunnen helpen, Romeinen 5:6. De leer van Filippus, die aldus bewezen werd van God te zijn, vond ingang in Samaria, vers 6. De scharen hielden zich eendrachtiglijk aan hetgeen van Filippus gezegd werd, hiertoe bewogen door de wonderen, die in het eerst dienden om de aandacht te trekken, en aldus langzamerhand instemming te verkrijgen. Als de mensen beginnen aandacht te schenken aan hetgeen hun gezegd wordt van de dingen, die hun ziel en de eeuwigheid raken, dan kan men beginnen hoop voor hen te koesteren, en als zij beginnen acht te geven op het woord van God, als degenen, die het gaarne horen, begerig zijn het te verstaan en in hun herinnering te bewaren, en die zich zelven beschouwen als er belang bij te hebben. Het gewone volk gaf acht op Filippus, oi ochloi, ene menigte van hen, niet maar hier en daar een, maar eenstemmig, zij waren allen van hetzelfde gevoelen, dat het gepast was om onderzoek te doen naar het Evangelie, dat men er met onpartijdigheid naar behoort te luisteren. De voldoening, die zij smaakten in het bijwonen van de prediking van Filippus, en hoe zij bij velen ingang vond, vers 8, daar werd grote blijdschap in die stad, want, vers 12, zij geloofden Filippus en werden gedoopt in het geloof van Christus-de meesten hunner-beiden mannen en vrouwen. Filippus predikte de dingen het koninkrijk Gods betreffende, de constitutie van dat koninkrijk, deszelfs wetten en inzettingen, deszelfs vrijheden en voorrechten, en de verplichting voor allen, om de getrouwe onderdanen van dat koninkrijk te wezen. En hij predikte den naam van Jezus Christus, als Koning van dat koninkrijk, Zijn naam die boven allen naam is, hij predikte dien in zijne gebiedende kracht en invloed, al hetgeen, waardoor Hij zich bekend gemaakt heeft. Het volk gaf niet slechts acht op hetgeen hij zei, maar geloofde het ten laatste. Zij waren volkomen overtuigd, dat het van God was, en niet van de mensen, en zij wilden er zich door laten leiden en beheersen. Wat dezen berg betreft, waarop zij tot nu toe God hadden aangebeden, en waaraan zij zulk een Godsdienstig denkbeeld hadden gehecht, zij waren er nu even volkomen van gespeend, als zij er te voren aan gehecht waren geweest, en zij zijn de ware aanbidders geworden, die den Vader aanbidden in geest en in waarheid, en in den naam van Christus, den waren Tempel, Johannes 4:20, 23. Toen zij geloofden zonder bezwaar (hoewel zij Samaritanen waren) en zonder dralen, werden zij gedoopt, hebben zij openlijk het Christelijk geloof beleden, en toen hebben zij hen, door hen te wassen met water plechtig opgenomen in de gemeenschap der Christelijke kerk, en werden zij door de discipelen erkend als broeders. Alleen mannen konden in de Joodse kerk worden toegelaten door de besnijdenis, maar om te tonen, dat in Jezus Christus geen man en vrouw is, Galaten 3:28, maar dat beiden Hem gelijkelijk welkom zijn, is de inzetting der inwijding van dien aard, dat ook vrouwen er toe bekwaam zijn, want zij worden gerekend tot Gods geestelijk Israël, hoewel niet tot het Israël naar het vlees, Numeri 1:2. En hieruit is gemakkelijk af te leiden, dat vrouwen tot het Avondmaal des Heeren toegelaten moeten worden, hoewel het niet blijkt, dat er vrouwen waren onder hen, aan wie het voor het eerst bediend werd. Dit veroorzaakte grote blijdschap, ieder verheugde zich voor zichzelf, zoals de man in de gelijkenis, die den schat in den akker had gevonden, en zij allen verblijdden zich wegens het goede, dat hierdoor tot hun stad was gebracht, en dat het kwam zonder tegenstand, hetgeen moeilijk had kunnen gebeuren, indien Samaria binnen het rechtsgebied van de overpriesters was geweest. Het is ene oorzaak van grote vreugde als het Evangelie tot enigerlei plaats wordt gebracht. Vandaar dat de verbreiding van het Evangelie in de wereld dikwijls in het Oude- Testament voorzegd is als de verspreiding van blijdschap onder de natiën, Psalm 67:5.
De natiën zullen zich verblijden en juichen, 1 Thessalonicenzen 1:6. Het Evangelie van Christus maakt de mensen niet droefgeestig, maar vervult hen van blijdschap, als het ontvangen wordt, zoals het behoort ontvangen te worden, want het is grote blijdschap al den volke, Lukas 2:10.
2. Het bijzondere in deze stad Samaria, dat de voorspoed van het Evangelie aldaar meer dan gewoonlijk bewonderenswaardig maakte.
A. Dat Simon de Tovenaar aldaar gewerkt had, en groten invloed op het volk had verkregen, en toch geloofden zij hetgeen door Filippus gezegd werd. Te verleren hetgeen slecht is, is ten allen tijde gebleken moeilijker te zijn, dan te leren wat goed is. Hoewel deze Samaritanen gene afgodendienaars waren, zoals de Heidenen, noch bevooroordeeld waren tegen het Evangelie door de inzettingen, hun overgeleverd door hun vaderen, waren zij toch kortelings er toe gekomen, om Simon den Tovenaar te volgen, die veel opgang onder hen maakte, en hen op vreemde wijze had verrukt, of betoverd. Hier wordt ons gezegd: Hoe sterk de begoocheling was van Satan, waardoor zij onder den invloed gebracht werden van dezen groten bedrieger. Hij was enigen tijd, ja langen tijd, in de stad geweest, plegende toverij. Wellicht is hij er op aandrijven van den duivel gekomen, spoedig nadat onze Zaligmaker er geweest was, om te vernietigen wat Hij daar tot stand had gebracht, want het is altijd Satans wijze van doen geweest om een goed werk reeds in de kiem te verstikken, 2 Corinthiërs 11:3, 1 Thessalonicenzen 3:5. Nu had Simon Ten eerste, zich uitgegeven voor iets groots. Hij zei van zich zelven, dat hij wat groots was, en wilde, dat alle mensen hem daarvoor zouden houden, en hem dienovereenkomstig eerbied zouden bewijzen, dan konden zij voor het overige doen wat hun behaagde. Hij had geen plan om ene verbetering van leven bij hen te bewerken, of hun wijze van Godsverering te veranderen, of te hervormen, hij wilde hun slechts doen geloven dat hij was tis megas -een goddelijk persoon. Justinus de Martelaar zegt dat hij aangebeden wilde worden als prooton theon de opperste god. Hij gaf zich uit voor den Zoon van God, den Messias, denken sommigen, of voor een engel, of een profeet. Wellicht had hij zich bij zelven nog niet beslist, op welken eretitel hij aanspraak zou maken, maar hij wilde in elk geval voor iets groots gehouden worden. Hoogmoed, eerzucht en een streven naar grootheid is altijd de oorzaak geweest van zeer veel kwaad, zo voor de wereld als voor de kerk.
Ten tweede. Het volk schreef hem toe alles wat hij begeerde. Allen hingen zij hem aan, van den kleine tot den grote, jong en oud, armen en rijken, regeerders en geregeerden, zij hingen hem aan, vers 10, 11, te meer wellicht, omdat de tijd, bepaald voor de komst van den Messias, nu voorbij was, hetgeen algemeen de verwachting had opgewekt, dat er toen een groot persoon verschijnen zou. Waarschijnlijk was hij hun landgenoot, en hebben zij hem daarom des te eerder gehoor gegeven, daar de ere, hem aangedaan, op hen zelven zou terug stralen. Zij zeiden van hem: Deze is de grote kracht Gods, de kracht Gods, de grote kracht, (zoals het gelezen kan worden,) de kracht, die de wereld gemaakt heeft. Zie, hoe onwetende, onbezonnene mensen hetgeen door Satan gedaan wordt, beschouwen als gedaan door de kracht Gods! Zo worden ook in de Heidenwereld duivelen voor godheden gehouden, en in het anti-christelijk koninkrijk verwondert zich de gehele wereld achter het beest, waaraan de draak zijne kracht geeft, en zijn' mond opent in lastering tegen God, Openbaring 13:2, 3. Zij waren er toe gebracht door zijne toverijen, hij verrukte de zinnen des volks van Samaria, vers 9, hij had met toverijen hun zinnen verrukt, vers 11, dat is: hij heeft door zijne toverkunsten de zinnen des volks betoverd, of ten minste van sommigen hunner, die dan wederom anderen medesleepten. Door Gods toelating heeft Satan hun harten vervuld om Simon te volgen. O gij uitzinnige Galaten, zegt Paulus, wie heeft u betoverd! Galaten 3:1. Deze mensen worden gezegd betoverd te zijn door Simon, omdat zij zo verdwaasd waren, dat zij een leugen geloofden. Of, door zijne toverijen heeft hij vele tekenen en wonderen der leugen gedaan, die wonderen schenen te zijn, maar het in werkelijkheid niet waren, zoals die van de Egyptische tovenaars, en die van den mens der zonde, 2 Thessalonicenzen 2:9. Toen zij nog niet beter wisten, hadden deze toverijen invloed op hen, maar toen zij met de wezenlijke wonderen van Filippus bekend werden, zagen zij duidelijk, dat het ene echt, het andere namaaksel was, en dat er een even groot verschil was, tussen die beiden, als tussen den staf van Aäron, en die van de tovenaars. Wat heeft het stro met het koren te doen? Jeremia 23:28. Aldus heeft het volk, niettegenstaande den invloed door Simon den tovenaar op hen uitgeoefend, en in weerwil van den tegenzin der mensen om te erkennen, dat zij in dwaling zijn, en die dwaling te herroepen, toen zij het verschil zagen tussen Simon en Filippus, Simon verlaten, hielden zij zich niet langer aan hem, maar aan Filippus, en zo ziet gij: Hoe groot de kracht is der Goddelijke genade, waardoor zij tot Christus gebracht werden, die de Waarheid is, en hen, als ik dit eens zo zeggen mag, uit den droom heeft geholpen. Door die genade, werkende met het woord, waren zij, die door Satan gevangen waren geleid, tot de gehoorzaamheid van Christus gebracht. Waar Satan, als een sterke gewapende, bezit hield van het huis, en zich veilig dacht, heeft Christus, als de sterkere, hem uit het bezit verdreven, zijn roof uitgedeeld, de gevangenis gevangen geleid, en diegenen tot de trofeeën Zijner overwinning gemaakt, over wie de duivel had getriomfeerd. Laat ons ook aan de ergsten niet wanhopen, als zelfs zij, wier zinnen door Simon den tovenaar verrukt waren, tot het geloof zijn gebracht. B. Nog verwonderlijker is het, dat Simon de tovenaar zelf bekeerd werd tot het geloof van Christus, ten minste een tijd lang in uiterlijke belijdenis. Is Saul ook onder de profeten? Ja, vers 13, Simon geloofde ook zelf. Hij was er van overtuigd, dat Filippus ene ware leer predikte, omdat hij haar bevestigd zag door ware wonderen, waarover hij des te beter kon oordelen, omdat hij zich wel bewust was van het bedrog zijner eigene voorgewende wonderen. Die overtuiging ging zo ver, dat hij gedoopt werd, evenals andere gelovigen, toegelaten werd tot de kerk, en wij hebben gene reden te geloven, dat Filippus verkeerd gedaan heeft met hem te dopen, neen, zelfs niet in hem spoedig te dopen. Hoewel hij een zeer goddeloos man was geweest, een tovenaar, iemand die naar Goddelijke ere stond, is hij toch op zijne plechtige betuiging van berouw over zijne zonde en zijne belijdenis van geloof in Jezus Christus, gedoopt geworden. Want, gelijk grote goddeloosheid voor de bekering, oprechte berouwhebbenden niet buitensluit van Gods genade, zo moet zij ook hen, die belijden te geloven, niet van de kerkgemeenschap buitensluiten. Verloren zonen moeten, als zij terugkeren, met blijdschap ontvangen en welkom geheten worden, hoewel wij er niet zeker van kunnen zijn, dat zij niet opnieuw zullen weg dwalen. Ja, hoewel hij nu slechts een geveinsde was, en al dien tijd in ene gans bittere gal en samenknoping der ongerechtigheid was, en spoedig genoeg in zijn waar karakter bekend zou zijn geworden, heeft Filippus hem toch gedoopt, want het is Gods kroonrecht het hart te kennen, de kerk en hare leraren moeten handelen naar een oordeel der liefde, voor zo ver daar plaats voor is. Er is een grondregel in de wet: Donec contrarium patet, semper præsumitur meliori parti -Wij moeten zo lang als wij kunnen het beste hopen. En het is een grondregel in de kerkelijke tucht: De secretis non judicat ecclesia -God alleen oordeelt de verborgenheden van het hart. Zijne tegenwoordige overtuiging duurde zo lang, als hij bij Filippus bleef, later is hij afvallig geworden van de kerk, maar niet spoedig. Hij dong naar bekendheid met Filippus, en nu is hij, die zich voor iets groots ha d uitgegeven, tevreden om aan de voeten te zitten van een prediker van het Evangelie. Zelfs slechte mensen, zeer slechte mensen, kunnen soms in ene goede, ja zeer goede, gemoedsgesteldheid verkeren, en zij, wier hart hun gierigheid nog na wandelt, kunnen niet slechts tot God komen, gelijk Zijn volk pleegt te komen, maar ook bij hen blijven. Zijne tegenwoordige overtuiging was gewerkt en werd in stand gehouden door de wonderen, hij ontzette zich, of, hij verwonderde zich, dat hij in tekenen en wonderen zo ver overtroffen werd. Velen verwonderen zich over de bewijzen der Goddelijke waarheden, die er nooit zelf de kracht van hebben ervaren.