Markus 3:1-12
Hier gelijk tevoren zien wij den Heere Jezus bezig met Zijn werk, eerst in de synagoge, en daarna aan de zee, om ons te leren dat Zijne tegenwoordigheid noch tot de ene, noch tot de andere plaats beperkt moet worden, maar overal waar zij vergaderd zijn in Zijn naam, hetzij in de synagoge of elders, daar is Hij in het midden van hen. Aan alle plaats, waar Hij Zijns naams gedachtenis stichten zal, daar zal Hij Zijn volk ontmoeten en hen zegenen. Het is Zijn wil, dat de mensen bidden aan alle plaatsen. Wij hebben hier enig bericht van hetgeen Hij deed.
I. Toen Hij wederom in de synagoge ging, maakte Hij gebruik van de gelegenheid, die Hem daar geboden werd, om goed te doen, en er ongetwijfeld gepredikt hebbende, deed Hij een wonder ter bevestiging van Zijne prediking, of tenminste ter bevestiging van deze waarheid, dat het geoorloofd is op de sabbatdagen goed te doen. Wij hadden dit verhaal in Mattheus 12:9.
1. Het geval van dezen lijder was zeer droevig, hij had een verdorde hand, waardoor hij niet instaat was om voor zijn levensonderhoud te werken, en zij, die in zulk een toestand verkeren, zijn wel de geschiktste voorwerpen van barmhartigheid. Laat diegenen geholpen worden, die zich zelven niet kunnen helpen.
2. De toeschouwers waren uiterst onvriendelijk, zowel voor den zieke als voor den geneesmeester. In plaats van een goed woord te doen voor hun naaste, deden zij wat zij konden, om zijne genezing te beletten, want zij gaven te verstaan dat, zo Christus hem thans op den sabbatdag genas, zij Hem als sabbatschender zouden aanklagen. Het zou zeer onredelijk geweest zijn, indien zij een arts of heelmeester hadden tegengestaan om een armen lijder in zijne smart en ellende bij te staan met gewone middelen, maar nog veel onzinniger was het, om Hem tegen te staan, die genas zonder arbeid te verrichten, door het spreken van een woord.
3. Christus handelde eerlijk en rondborstig met de toeschouwers en Hij handelde het eerst met hen, ten einde zo mogelijk de ergernis te voorkomen.
a. Hij streefde er naar hun oordeel te verlichten. Hij gebood den man op te staan, vers 3, opdat zij door hem aan te zien met ontferming over hem zouden bewogen worden, en zich dus zouden schamen om zijne genezing ene misdaad te noemen. En dan doet Hij een beroep op hun geweten, hoewel de zaak vanzelf spreekt, behaagt het Hem toch nog om hun te vragen: Is het geoorloofd op de sabbatdagen goed te doen, gelijk Ik voornemens ben, of kwaad te doen, zoals gij van zins zijt? Een mens te behouden of te doden? Wat billijker of redelijker vraag zou men kunnen stellen? En toch, wijl zij zagen dat dit tegen hen gekeerd zou worden, zwegen zij stil. Diegenen zijn wel hardnekkig in hun ongeloof, die, als zij niets kunnen zeggen tegen de waarheid, toch niets willen zeggen voor de waarheid, en zo zij niet kunnen tegenstaan, toch ook niet willen buigen.
b. Toen zij rebelleerden tegen het licht, was Hij bedroefd over de verharding van hun hart, vers 5, als Hij hen met toorn rondom had aangezien, meteen bedroefd zijnde over de verharding van hun hart. De zonde, die Hij zag, was de verharding van hun hart, hun gevoelloosheid voor het blijkbare van Zijne wonderen, en hun onverzettelijk besluit om in hun ongeloof te volharden. Wij horen wat verkeerds er gezegd en zien wat verkeerds er gedaan wordt, maar Christus ziet den wortel van bitterheid in het hart, de blindheid en hardheid daarvan. Merk op: a. hoe de zonde Hem tot toorn verwekte, Hij zag hen rondom aan, want zij waren zo talrijk en hadden zich zo geplaatst, dat zij Hem omringden, en Hij zag hen aan met toorn. Zijn toorn was waarschijnlijk zichtbaar in Zijn gelaat, Zijn toorn was, gelijk de toorn Gods, zonder de minste ontrusting voor Hem zelven, maar niet zonder grote terging van onze zijde. De zonde der zondaars mishaagt Jezus Christus ten hoogste, en de wijze om toornig te zijn en niet te zondigen is, om toornig te zijn zoals Christus het was, om niets anders dan om de zonde. Laat verharde zondaars sidderen bij de gedachte aan den toorn, waarmee Hij hen weldra van rondom zal aanzien, als de grote dag Zijns toorns gekomen is.
b. Hoe Hij medelijden had met de zondaars, Hij was bedroefd over de verharding van hun hart, zoals God veertig jaren lang verdriet heeft gehad van de verharding van het hart hunner vaderen in de woestijn. Het is voor onzen Heere Jezus een grote smart om zondaren te zien, die op hun eigen verderf uit zijn, en zich hardnekkig verzetten tegen alle middelen, die aangewend worden tot hun overtuiging en herstel, want Hij wil niet, dat iemand hunner zal omkomen. Dit is een goede reden, waarom de hardheid van ons eigen hart en van het hart van anderen ene smart voor ons moet zijn.
4. Christus was zeer vriendelijk voor den lijder, Hij gebood hem zijne hand uit te strekken, en toen werd zij terstond hersteld. Hiermede heeft Christus ons geleerd vastberaden voort te gaan op den weg des plichts, hoe heftig ook de tegenstand is, dien wij ontmoeten. Voor ons zelven moeten wij soms afzien van gemak en genoegen veeleer dan ergernis te geven aan hen, die er nodeloos aan geërgerd zouden zijn, maar wij moeten ons niet het genoegen ontzeggen om God te dienen en goed te doen, al zou dit dan onrechtvaardige ergernis bij anderen verwekken. Niemand kon met meer tederheid en zorg vermijden om ergernis te geven dan Christus, maar toch, veeleer dan dezen armen mens ongenezen weg te zenden, waagt Hij het de schriftgeleerden en Farizeeën, die Hem omringden, te ergeren. Hierin geeft Hij ons tevens een voorbeeld van de genezingen, die door Zijne genade aan onze zielen zijn gewrocht. In geestelijken zin zijn onze handen verdord, de vermogens onzer ziel zijn verzwakt door de zonde en onmachtig voor hetgeen goed is. De grote dag der genezing is de sabbat, en de plaats der genezing is de synagoge, de genezende kracht is de kracht van Christus. Het Evangeliegebod is gelijk dit, hetwelk hier vermeld wordt, en dat gebod is billijk en rechtvaardig. Hoewel onze handen verdord zijn, en wij ze uit ons zelven niet kunnen uitstrekken, moeten wij het toch beproeven, ze zo goed wij kunnen tot God in het gebed uitstrekken, Christus en het eeuwige leven aangrijpen, en ze gebruiken in goede werken. En als wij dan doen wat wij kunnen, dan gaat er kracht uit met het woord van Christus, en Hij brengt de genezing tot stand. Hoewel onze handen verdord zijn, is het toch, zo wij niet beproeven ze uit te strekken, onze schuld als wij niet worden genezen. Maar als wij het wèl doen en genezen worden, dan moet Christus en Zijne macht en genade er al de eer voor ontvangen.
5. De vijanden van Christus hebben zeer barbaars met Hem gehandeld. Zulk een werk van barmhartigheid had liefde in hen moeten wekken voor Hem, en zulk een wonder geloof in Hem. Maar in plaats hiervan hebben de Farizeeën, die zich voordeden als orakels in de kerk, en de Herodianen, die zich voordeden als de steunpilaren van den staat, hoewel onenig onder elkaar en gans verschillende belangen toegedaan, tezamen raad gehouden tegen Hem, hoe zij Hem zouden doden. Zij, die lijden omdat zij goed doen, lijden slechts zoals hun Meester geleden heeft. II. Toen Hij zich terugtrok naar de zee, heeft Hij ook daar goed gedaan. Daar Zijne vijanden Hem zochten te doden, verliet Hij die plaats, om ons te leren hoe in tijden van beroering voor onze veiligheid te zorgen. Maar zie hier:
1. Hoe Hij ook in die afzondering gevolgd werd. Als sommigen zulk ene vijandschap jegens Hem koesterden, dat zij Hem uit hun landpale verdreven, zijn er anderen, die Hem zo waarderen, dat zij Hem volgden, waar Hij ook heenging, en de vijandschap, die hun leidslieden aan Christus betoonden, heeft hun eerbied voor Hem niet doen afnemen. Grote scharen volgden Hem uit alle delen des lands, uit het noorden kwamen zij van Galilea, uit het zuiden van Judea en Jeruzalem, uit het oosten kwamen zij van over de Jordaan, uit het westen van Tyrus en Sidon, vers 7, 8. Merk op:
a. Wat hen bewoog Hem te volgen, het was dat zij gehoord hadden hoe grote dingen Hij deed voor allen, die tot Hem kwamen. Sommigen wensten Hem te zien, die zulke grote dingen gedaan had, anderen hoopten, dat Hij zulke grote dingen voor hen zou doen. De gedachte aan de grote dingen, die Christus gedaan heeft, moet ons bewegen om tot Hem te komen.
b. Waarom zij Hem volgden, vers 10. Al degenen, die enige kwalen hadden, overvielen Hem, opdat zij. Hem mochten aanraken. Krankheden worden hier plagen, mastigas, tuchtigingen of kastijdingen genoemd, daartoe zijn zij ook bestemd, zij moeten ons doen lijden om onze zonden. opdat wij er smart over gevoelen, en er door gewaarschuwd worden om er niet weer in te vervallen. Zij, die onder die tuchtroeden waren, kwamen tot Jezus. Dat is de boodschap, die de ziekte ons brengt, zij moet ons opwekken om naar Christus te vragen, ons tot Hem te wenden als tot onzen geneesmeester. Zij overvielen Hem, ieder voor zich er naar strevende om het dichtst tot Hem te komen en het eerst geholpen te worden. Zij vielen voor Hem neer, als smekelingen om Zijne gunst, zij verlangden slechts verlof om Hem aan te raken, geloof hebbende dat zij genezen zullen worden, niet slechts door Zijne aanraking van hen, maar door hun aanraking van Hem, waarvan zij ongetwijfeld vele voorbeelden hadden gezien.
c. Welke voorziening Hij trof om voor hen gereed te zijn, vers 9 :Hij zei tot Zijne discipelen, die vissers waren en over vissersboten hadden te beschikken, dat een scheepje steeds omtrent Hem blijven zou, om Hem aan dezelfde kust van plaats tot plaats te brengen, zodat Hij, wanneer het nodige werk in de ene plaats gedaan was, gemakkelijk naar een andere plaats kon gaan, waar Zijne tegenwoordigheid vereist werd, zonder dat Hij door de menigte heen behoefde te dringen, die Hem uit nieuwsgierigheid was gevolgd. Verstandige mensen zullen zoveel mogelijk grote volksmenigten mijden.
2. Zeer veel goed heeft Hij tot stand gebracht, toen Hij zich aldus van de stad had teruggetrokken. Hij trok zich niet terug om ledig neer te zitten, ook heeft Hij hen niet weggezonden, die zich zo ruw aan Hem opdrongen in Zijne afzondering. Hij nam het vriendelijk op, en gaf hun hetgeen waarvoor zij kwamen, want nooit heeft Hij tot hen, die Hem naarstiglijk zochten, gezegd: Zoekt Mij tevergeefs.
a. Krankheden werden afdoend genezen, Hij had er velen genezen, verschillende soorten van lijders, aangetast door verschillende soorten van ziekten, hoe talrijk zij ook waren en hoe verschillend, Hij genas hen. b. Duivelen werden voor goed ten onder gebracht, zij, die bezeten waren door onreine geesten, sidderden toen zij Hem zagen, en ook zij vielen voor Hem neer, niet om Zijne gunst af te smeken, maar om Zijn toorn af te bidden, en door hun eigen angsten werden zij gedwongen te erkennen, dat Hij de Zone Gods was, vers 11. Het is treurig, dat deze grote waarheid door iemand uit de kinderen der mensen ontkend zou worden, die er het voordeel en de weldaad van zou kunnen hebben, als de belijdenis er van zo menigmaal aan duivelen ontrukt is, die van de weldaad er van zijn buitengesloten.
c. Christus had gene toejuiching of lof voor zich zelven op het oog, toen Hij deze grote dingen deed, want Hij heeft hen, voor wie Hij ze gedaan heeft, scherpelijk geboden dat zij Hem niet zouden openbaar maken, vers 12, dat zij het bericht van Zijne genezingen niet ijverig zouden verspreiden, zoals wij doen door advertenties in de nieuwsbladen, maar dat zijne werken Hem zouden prijzen, en laat het gerucht er van zich verspreiden. Laat hen, die genezen zijn, niet ijveren om dit openbaar te maken, opdat dit hun hoogmoed niet zou strelen wijl zij zo hogelijk bevoorrecht zijn, maar laat de toeschouwers het bekend maken. Als wij doen wat prijzenswaardig is, en toch niet begeren om er door de mensen om geprezen te worden, dan is in ons het gevoelen, dat is de gezindheid, die ook in Christus Jezus was.