1. De ouderling, dat is de apostel Johannes als opziener van de gemeente in het kerspel van Efeze (Openbaring :4, 11), zendt dit schrijven (
Handelingen 23:26) aan de uitverkorene (
Titus 1:1.
1 Petrus 1:1 de Christelijke vrouw en aan haar kinderen, die ik, omdat zij oprecht zijn in het geloof (
Vers 4.
1 Corinthiërs 11:19, in waarheid liefheb, als degenen, die uit de waarheid zijn (
1 Johannes 3:19 Johannes 18:37) en daarin wandelen (
3 Johannes 1:1, 3 v.) en niet alleen heb ik ze lief, maar ook allen hebben hen lief, die, of zij ze persoonlijk kennen of niet, de waarheid gekend hebben, (hebben leren kennen) en van die leugenaars niets willen weten (
1 Johannes 2:21 v.).
De mening, die volgens de getuigenis van Hieronymus reeds in de oude kerk hier en daar verbreid was, dat met het "de ouderling" Ac 14:23 niet de apostel Johannes bedoeld zou zijn, maar dat een presbyter van diens naam de schrijver van deze brief zou zijn, is in de laatste tijd weer door vele schriftverklaarders op de voorgrond gesteld. Het is echter vrij twijfelachtig, of deze presbyter Johannes, die eveneens een leerling van Jezus geweest zou zijn, later nog door de apostel tot zijn opvolger in het opzienersambt van de Efezische gemeente zou zijn aangesteld en eveneens te Efeze begraven, een werkelijk geschiedkundig persoon is. Hij kan ook zeer goed slechts een product zijn van het misverstand van de door Eusebius berichte mededelingen van Papias (bisschop van Hiërapolis in Frygië in de eerste helft van de tweede eeuw), over de eerste Christelijke leraars, aan wie hij zijn wetenschap te danken had, een misverstand, uitgevonden om, zoals Guerike zich uitdrukt, het slaan in de lucht tegen de apostel Johannes op te vangen, d. i. om die Johanneïsche schriften, die men de apostel vermeent niet te mogen toekennen, op een andere persoonlijkheid van gelijke naam te kunnen overdragen. Maar bovendien, aangenomen dat werkelijk naast de apostel Johannes nog een presbyter Johannes toen ter tijd in de klein Aziatische kerk bestond, kon onmogelijk het woord "presbyter" zonder bijvoeging van zijn naam deze als briefschrijver aanwijzen. Het noemen van zijn ambt zou hem wel onderscheiden hebben van de apostel van dezelfde naam, maar niet van de vele andere oudsten, die er behalve hem waren, zodat het op zichzelf reeds voldoende zou zijn geweest, om de gedachte aan elke andere presbyter buiten te sluiten. Daarentegen bewijst het zeker deze dienst, als het de apostel Johannes is, die daaronder zijn naam verbergt. Hoe hij het juist probeert om de naam van zijn persoon buiten rekening te laten is ons uit zijn Evangelie voldoende bekend; het is dus niet te verwonderen, als wij hem ook hier zijn gewoonte zien volgen, terwijl, als de zogenoemde presbyter Johannes in deze tweede, evenals vervolgens in de derde brief van Johannes, dezelfde gewoonte had aangenomen, dit als een onwaardige navolging van de apostel van zijn naam beschouwd zou moeten worden, die hij dan nog verder zou hebben voortgezet in dezelfde eigenaardige ideeën en uitdrukkingen, die wij aantreffen, ja, in hele zinnen uit de eerste brief van Johannes overgenomen. Dat de apostel zichzelf niet "apostel" maar "ouderling" noemt, is daaruit te verklaren, dat, als hij zijn naam terzijde wilde laten, hij zich niet apostel kon noemen, zonder inbreuk te maken op de autoriteit van zijn mede-apostelen, van wie zonder twijfel minstens Simon Kananites en Judas, de broeder van Jakobus, toen nog in leven waren. Maar wel had in 1 Petrus 5:1 reeds Petrus tegenover de oudsten, die hij daar vermaant, zich bescheiden slechts hun mede-ouderling genoemd en als nu hier Johannes met de titel "de ouderling", die hij zich geeft, uit de rij van de andere ouderlingen uittreedt als een, die dat nog in hogere zin is dan zij, die juist als opziener aan het hoofd van de gemeenten staat, waarvoor zij slechts gewone ouderlingen zijn, dan kent hij zichzelf niet meer toe, dan hem betaamt. Hij maakt slechts gebruik van de hem toekomende autoriteit, die zoals uit 3 Johannes 1:9, blijkt, in de tijd, dat hij schrijft door een overmoedige, naar onafhankelijkheid strevende, gewonen-ouderling bestreden werd. Wij nemen aan, dat de tweede en derde brief evenals de eerste, door de apostel nog gedurende zijn verblijf op Patmos, waarschijnlijk in dezelfde tijd is opgesteld. Juist de omstandigheid, dat men zijn autoriteit wilde bestrijden, is alleen dan te verklaren, als hij geruime tijd van zijn werkkring verwijderd was gehouden en wel als een verbannene van zijn ambt geremoveerde. Dan had iemand, die in zijn omgeving geëerd wilde zijn, zeker gelegenheid, om zich van de ouderling, de opziener van het hele kerspel, te emanciperen, hem gehoorzaamheid te weigeren, en met boze woorden tegen hem op te staan. Hadden wij bij 1 Johannes 1:1, het gemis van een eigenlijke inleiding van deze brief daaruit verklaard, dat Johannes het edict, hetzij het van de keizer van Rome zelf, of van de stadhouder van de keizer, dat hem van zijn ambt ontzet en uit het land verbannen had, wilde respecteren, zoveel dat mogelijk was, zonder ontrouw te worden aan het ambt, hem door zijn hemelse Heer opgedragen, dan moesten in korte tijd de omstandigheden veranderen, de door keizer Nero begonnen eerste grote Christenvervolging met diens dood haar einde bereiken en onder de opvolgers op de keizerlijke troon kon de apostel het terugkeren tot zijn gemeenten eerder verwachten (Vers 12; 3 Johannes 1:13 v Zo kon hij zijn gezag, dat hij, wat het kerkelijke bestuur aangaat, sinds had laten rusten, nu snel weer doen gelden, hetgeen hij reeds nu voor dringend noodzakelijk houdt.