Judas 8-15
De apostel brengt hier ene beschuldiging in tegen de verleiders, die nu bezig waren de discipelen van Christus af te trekken van de belijdenis en de praktijk van Zijn heiligen godsdienst. Hij noemt hen mensen, die in slaap gebracht zijn. Het bedrog is een droom, en het begin van allerlei onreinheid. Zij slapen en dromen onreinheden. De zonde is onreinheid en maakt de mensen walgelijk en onrein in de ogen van den heiligen God, en vroeger of later, wanneer zij tot berouw komen, of wanneer zij zonder enig herstel er voor gestraft zijn, ook onrein in eigen ogen en in die van allen rondom hen. Deze slapers dromen dat zij op aarde in een paradijs van dwazen zijn en zullen eindelijk in de hel ontwaken. Laat hun karakter, hun levensweg, hun einde, een tijdige en voldoende waarschuwing voor u zijn, gelijke zonden zouden gelijke straffen en ellenden met zich brengen.
I. Het kenmerk van deze verleiders wordt ons meegedeeld.
1. Zij verontreinigen het vlees. Het vlees of het lichaam is de onmiddellijke zetel, en dikwijls de verstorende oorzaak, van veel schandelijke verontreinigingen, en deze, ofschoon door en tegen het lichaam misdreven, verontreinigen en beschadigen en wonden zeer zwaar ook de ziel. De vleselijke begeerlijkheden voeren krijg tegen de ziel, 1 Pet. 2:11, en in 2 Corinthiërs 7:1 lezen wij van onreinheid des vlezes en des geestes, elk van welke, ofschoon ieder op haar eigen wijze, bezoedelt den gehelen mens.
2. Zij verwerpen de heerschappij en lasteren de heerlijkheden, vers 8. Zij hebben een verstoorden zin en een aanmatigenden geest, en vergeten dat de machten die er zijn van God verordend zijn, Titus 3:2. God eist van ons dat wij van niemand kwaadspreken zullen, maar het is een grote verzwaring van die zonde, wanneer ons kwaadspreken gemikt is op de overheid, op de mensen, die God met gezag over ons bekleed heeft, door van hen kwaad te spreken of hen te lasteren doen wij het van God zelven. Men kan het ook, gelijk sommigen willen, verstaan met betrekking tot den godsdienst, die in de lagere wereld de heerschappij behoorde te hebben. Zulke kwaadsprekers verwerpen de heerschappij van het geweten, maken daar een spel van, en zouden het gaarne uit de wereld verbannen. En het Woord van God, dat het richtsnoer voor het geweten is, verachten zij. De openbaringen van Gods wil gelden bij hen weinig. Die achten zij wel een zegel voor geloof en gedrag te zijn, maar alleen nadat zij ze uitgelegd hebben en ze laten zeggen al wat zij begeren. Weer anderen verstaan dit zeggen van den apostel aldus: Het volk van God, dat het waarlijk en bepaald is, zijn de heerlijkheden, waarvan hier gesproken of waarop hier gedoeld wordt, overeenkomstig hetgeen de psalmist zegt: Tast mijne gezalfden niet aan en doet mijn profeten geen kwaad, Psalm 105:15.. Zij spreken kwaad. De godsdienst en zijn ware belijders zijn altijd de voorwerpen van kwaadsprekerij geweest. Ofschoon alles in den godsdienst zeer goed is en onze hoogste achting verdient, zowel omdat het onze natuur volmaakt als omdat het onze beste en hoogste belangen bevordert, toch wordt deze sekte, zoals zijn vijanden goedvinden hem te noemen, overal tegengesproken, Handelingen 28:22. Naar aanleiding hiervan spreekt de apostel over Michael, de archangel, vers 9. De uitleggers weten niet wat hier bedoeld wordt met het lichaam van Mozes. Sommigen denken dat de duivel eiste, dat Mozes een openbare en plechtige begrafenis zou hebben, opdat de plaats waar hij begraven werd algemeen bekend zou worden, en dat hij hoopte daardoor de Joden, die er maar al te zeer toe geneigd waren, tot een nieuwe en blijvende afgoderij te brengen. Anderen menen dat wij onder het lichaam van Mozes de Joodse kerk te verstaan hebben, voor welker verwoesting de duivel streed en twistte, omdat de Christelijke kerk in het Nieuw-Testamentische spraakgebruik het lichaam van Christus genoemd wordt. Anderen brengen weer andere uitleggingen, maar met die alle wil ik de lezers hier niet vermoeien. Ofschoon deze twist zwaar en zeer ernstig was en Michael de overwinning behaalde, durfde hij geen oordeel van lastering tegen hem voortbrengen. Hij wist dat een goede zaak met zulke wapenen niet verdedigd mocht worden. Er wordt gezegd: Hij durfde niet. Waarom durfde hij niet? Voor den duivel was hij niet bevreesd, maar hij geloofde dat hij God zou beledigen door in dit twistgesprek op die wijze te werken. Hij achtte het beneden zich om met den groten vijand van God en mensen een proeve te nemen, wie het verst was in de kunst om den ander te schelden en te lasteren. Een vermaning voor allen, die in twistgesprekken gewikkeld worden, om zich in hun redenen te onthouden van lasterlijke beschuldigingen. De waarheid heeft geen steun nodig van leugen en grofheid. Sommigen menen dat Michael geen oordeel van lastering tegen den duivel wilde of durfde voortbrengen, omdat hij wel wist dat deze met dat wapen zijn meerdere was. Anderen oordelen dat de apostel hier doelt op de merkwaardige plaats, die wij lezen in Numeri 20:7-14. Satan zou Mozes dan in een kwaad daglicht gesteld hebben met het oog op die gebeurtenis, waartoe deze godvrezende toen maar al te veel aanleiding gegeven had. Michael, dat horende stond op ter verdediging van Mozes en sprak, in den ijver van een oprechten en vrijmoedigen geest, tot den duivel: De Heere bestraffe u! Hij wilde niet met den duivel in een twistgesprek gewikkeld worden, allerminst over de waardering van die gebeurtenis. Hij wist dat Mozes zijn mededienstknecht van God was, Gods gunsteling, en hij kon niet geduldig verdragen dat die beledigd werd, ook niet door den overste der duivelen. Maar in heilige verontwaardiging riep hij uit: De Heere bestraffe u! gelijk onze Heere zelf tot hem zei: Ga achter mij, Satan! Mattheus 4:10. Mozes was een waardigheidsbekleder, een overheid, door den groten God verkoren en geliefd, en de aartsengel achtte het onverdraaglijk, dat zo iemand op die wijze zou behandeld worden door een bozen afvalligen geest, hoe hoog zijn rang ook eenmaal mocht geweest zijn. Voor ons ligt daar de les in opgesloten dat wij moeten opstaan ter verdediging van hen, die Gods als de Zijnen erkent, hoe scherp de Satan en zijn werktuigen ook mogen zijn in hun veroordeling van die mensen en hun handelingen. Zij, die oprechte overheden veroordelen om elke fout in hun gedrag, kunnen verwachten te horen: De Heere bestraffe u! En goddelijke bestraffingen zijn zwaarder te verduren dan zorgeloze zondaren zich nu voorstellen!
3. Hetgeen zij niet weten, dat lasteren zij, vers 10. Zij, die kwaadspreken van den godsdienst en de godvrezenden, lasteren hetgeen zij niet weten of kennen, want indien zij ze gekend hadden, dan zouden zij er goed van gesproken hebben. Immers van den waren godsdienst kan in oprechtheid niets dan goeds gezegd worden, en het is treurig wanneer iets tegenovergestelds ooit met reden van zijn belijders kan gezegd worden. Een godsdienstig leven is het veiligste, gelukkigste, troostrijkste en eervolste leven, dat men denken kan. De mensen zijn het meest geneigd om kwaad te spreken van personen en dingen, waarvan zij het minst weten. Hoe menigeen zou nooit door lasterpraat geleden hebben, indien men hem beter gekend had. Maar aan de andere zijde onttrekt te grote onbekendheid sommigen ook aan rechtvaardige beoordeling. En hetgeen zij natuurlijk, als de onredelijke dieren weten, enz. Het is moeilijk, ja bijna onmogelijk, enige verklaarde vijanden van den Christelijken godsdienst te vinden, die in den dagelijksen gang van het leven niet in openbaren of verborgen tegenspraak met de eerste beginselen van den natuurlijken godsdienst handelen. Velen komt deze uitspraak hard en liefdeloos voor, maar ik vrees zeer dat zij bevestigd zal worden in den dag der openbaring van het rechtvaardig oordeel Gods. De apostel vergelijkt hen met onredelijke dieren, ofschoon zij zich zelven dikwijls denken en roemen dat zij, indien niet de wijste, dan toch de vernuftigste der mensen zijn. Daarin verderven zij zich, dat is: in de eenvoudigste, natuurlijkste en noodzakelijkste dingen, de dingen die het meest open en waarneembaar liggen voor de natuurlijke rede en het geweten, in die dingen bederven, verlagen en bezoedelen zij zich. De oorzaak daarvan ligt niet in hun verstand en geestvermogens, maar in hun bedorven wil en ontredderde lusten en genegenheden. Zij konden en zouden beter gehandeld hebben, maar dan moesten zij die slechte genegenheden bedwingen, die zij hardnekkig eer begunstigden dan doodden.
4. In vers 11 stelt de apostel hen voor als volgelingen van Kaïn, en in vers 12 en 13 als godloochenaars en lichtzinnigen, die weinig denken aan en misschien niet veel geloven van God en een toekomend leven, als inhalig en gierig, die, indien zij slechts de goederen van deze wereld kunnen winnen, zich weinig bekreunen om de volgende, opstandelingen tegen God en de mensen, die gelijk Korach zich verlopen in aanvallen, waarin zij zeker moeten omkomen. Van dezulken zegt de apostel verder:
A. Dezen zijn vlekken in uwe liefdemaaltijden, de agapai of liefdefeesten, waarover bij de ouden veel gesproken wordt. Het gelukte hun, door een of ander bedrog of misverstand, daarbij toegelaten te worden, maar zij waren vlekken, die deze maaltijden ontreinigden. Het is, ofschoon onverdiend en onopzettelijk, een grote smaadheid voor den godsdienst, wanneer zij, die hem belijden en aan zijn heiligste instelling deelnemen, in hart en leven er lijnrecht tegenover staan. Zij zijn vlekken. En toch hoe dikwijls komen, in alle Christelijke kringen hier op aarde, zulke vlekken voor! Het is treurig! Onze Heere herstelle op Zijn tijd en wijze dit gebrek, niet door de ruwe en blinde handelwijze van de mensen, die de tarwe met het onkruid uitrukken. Maar in den hemel, dien we verwachten, waar we op hopen en waarvoor we toebereid worden, is niets meer van deze onzinnige dingen en van deze wanordelijke toestanden.
B. Als zij met u ter maaltijd zijn, weiden zij zich zelven zonder vrees, vers 12. Zij waren zonder twijfel brutale gulzigaards, die niets anders beoogden dan hun lusten te voldoen voor de grootte van hun bijdragen, zij sloegen geen acht op de vermaning, die Salomo in Spreuken 23:2 geeft. In het gewone eten en drinken is een heilige vrees noodzakelijk, des te meer in feesten, ofschoon wij soms gemakkelijker en ongevoeliger onmatig worden aan een gewonen maaltijd dan aan een feestdis, want in het onderstelde geval zijn wij minder op onze hoede, en soms, ten minste voor sommige mensen, is de overvloed van een feestmaal zijn eigen tegengif, gelijk het voor anderen een gevaarlijke strik is.
C. Zij zijn waterloze wolken, die regen beloven in tijden van droogte, maar hun belofte niet vervullen. Dat is het geval met uitwendige belijders, die bij hun eerste toetreden veel beloven, gelijk vroeg-bloeiende bomen in het begin der lente, maar ten slotte dragen zij slechts weinig vruchten. Die van de winden omgedreven worden, licht en ledig, gemakkelijk naar alle kanten voort geblazen, zoals de wind mag draaien. Zo zijn de ledige, ongefundeerde belijders een gemakkelijke prooi voor iedere verleider. Het is verwonderlijk te horen hoe gemakkelijk velen praten over dingen, daar zij weinig of niets van weten, terwijl zij niet de wijsheid en de nederigheid bezitten om te onderscheiden en te gevoelen hoe weinig zij weten. Hoe gelukkig zou de wereld zijn indien de mensen meer wisten of werkelijk wisten hoe weinig zij weten!
D. Zij zijn als bomen in het afgaan van den herfst, tweemaal verstorven en ontworteld. Zij zijn bomen, want zij zijn in den wijngaard des Heeren geplant, maar zij zijn onvruchtbare bomen. Zij, wier vruchten bedierven, kunnen gezegd worden onvruchtbaar te zijn. Nooit iets staat gelijk met nooit iets goeds. Het is treurig wanneer de mensen beginnen in den Geest en eindigen in het vlees, het is echter even gewoon als bedroevend. De tekst noemt dezulken tweemaal gestorven. Men zou denken: een dood is genoeg, geen onzer, tenzij de genade ons tot een hoger leven heeft vernieuwd, denkt gaarne aan ons eenmaal-sterven, ofschoon dat ons aller lot zal zijn. Wat wordt dan bedoeld met dit: tweemaal verstorven? Eens waren zij dood in hun natuurlijken. gevallen, verloren staat, maar zij schenen bij te komen, gelijk iemand die in zwijm lag en tot bewustzijn teruggebracht wordt, toen zij de belijdenis van den Christelijken godsdienst als de hun aannamen. Maar nu zijn zij opnieuw gestorven door de duidelijke bewijzen, die zij van hun huichelarij hebben gegeven, wat zij ook schenen te zijn, er was geen waarachtig leven in hen. Ontworteld, zoals wij gewoon zijn dode bomen te doen, waarvan wij niets meer verwachten. Zij zijn dood, dood, dood! Waarom beslaan zij onnuttelijk de aarde? Weg met hen in het vuur!
E. Wilde baren der zee, bruisend, bulderend en steigerend, vol pracht en aanmatiging, maar met weinig (of geen) gezond verstand.
Hun eigen schande opschuimende, geven zij veel ongemak aan mensen van beter verstand en bedaarder gemoed, maar ten slotte keert zich dat tot hun eigen schande en rechtvaardige smaad. Het gebed van den psalmist behoort altijd dat van ieder eerlijk en goed man te zijn: Laat oprechtheid en vroomheid mij behoeden, Psalm 25:21, en kan dat niet laat mij dan onbehoed zijn. Kan oprechtheid ons soms hier weinig baten, schelmerij zal het nog veel minder doen, en in elk geval slechts voor korten tijd.
F. Dwalende sterren. Sterren, die afwijken uit haar banen, geen geregelden loop volgen zoals de zogenaamde vaste sterren doen, maar zwerven, zodat men soms moeite heeft om ze terug te vinden. Deze vergelijking slaat zeer levendig op de valse leraren, die nu hier en dan daar zijn, zodat niemand vooruit zeggen kan waar hij hen vinden zal. In de hoofdzaken, zou men ten minste denken, zullen wel sommige dingen vast en onwankelbaar staan, en dat kan nog zonder onfeilbaarheid of enig voorwendsel daarvan bij ons arme stervelingen. Er zijn ook in godsdienst en staatkunde, de twee grote vragen van den dag, enige vaststaande punten waarin alle wijze, goede, eerlijke en belangeloze mensen met elkaar overeenstemmen, zodat zij de bevolking niet in den uitersten angst en bekommernis brengen en hun hartstochten niet opzwepen tot een razernij, waarin ze zelf niet meer weten wat zij zeggen of bevestigen.
II. Het vonnis van de goddelozen wordt meegedeeld. Dewelke de donkerheid der duisternis in der eeuwigheid bewaard wordt. Valse leraren moeten in deze en in de toekomende wereld de zwaarste straffen verwachten. Niet ieder, die bij vergissing iets leert dat niet geheel waar is (want hoe zou dan in enig openbare samenkomst iemand zijn Bijbel durven openen om anderen te leren, tenzij hij zich zelven de gelijke of meerdere van Gods engelen in den hemel achtte te zijn?) maar ieder, die zijn plicht verzaakt, verdeeldheid wekt, anderen op doolwegen leidt, en dat om hen tot een gemakkelijke prooi te maken, of, zoals de apostel Petrus het noemt, een koopmanschap van hen te maken, 2 Pet. 2:3. Maar genoeg over hen! Wat de donkerheid der duisternis in der eeuwigheid betreft, wens ik alleen op te merken dat deze vreeslijke uitdrukking met alles wat zij in zich bevat, toepasselijk is op de valse leraren, die het openbaar zijn en niet bij overdrijving zo genoemd worden, die het Woord Gods verdraaien en de zielen der mensen verleiden. Indien dit niet dienaren en Christenen voorzichtig maken kan, weet ik niet wat het wèl zal doen. Van de profetie van Henoch, vers 14 en 15, wordt in geen ander deel der Schrift melding gemaakt, doch nu is het een uitspraak der Schrift, dat er zulk een profetie geweest is. Een duidelijke Schriftuurtekst is genoeg als bewijs voor enig punt, dat wij gehouden zijn te geloven, vooral wanneer het ene gebeurtenis geldt. Maar in geloofszaken, zaken van het noodzakelijk zaligmakend geloof, heeft God het niet goed geacht (gezegend zij daarvoor Zijn heilige naam) ons zo ver te beproeven. Er is geen fundamenteel artikel van den Christelijken godsdienst, dat waarlijk zo genoemd kan worden, dat niet telkens en telkens in het Nieuwe Testament wordt besproken, waardoor wij kunnen weten waarop de Heilige Geest den meesten nadruk legt en bijgevolg wij dat ook behoren te doen. Sommigen menen dat deze profetie van Henoch bij overlevering in de Joodse kerk was bewaard gebleven, anderen dat de apostel Judas met de mededeling daarvan onmiddellijk geïnspireerd werd, dat moge zijn zoals het wil, vaststaat dat er vanouds zulk een profetie was, die de eeuwen door bleef leven en algemeen in de Oud-Testamentische kerk aangenomen werd. En zij is een voornaam deel van ons Nieuw Testamentisch geloof. Merk op:
1. De komst van Christus ten oordeel werd voorzegd reeds in het midden van het aartsvaderlijk tijdperk, en was dus toen reeds een aangenomen en erkende waarheid. De Heere is gekomen (of komt) met Zijn vele duizenden heiligen, beiden heilige engelen en geesten van volmaakt- rechtvaardigen. Welk een heerlijk ogenblik zal dat zijn, wanneer Christus komen zal met Zijn vele duizenden heiligen. En ons wordt meegedeeld tot welke grote en ontzagwekkende doeleinden Hij aldus vergezeld en omringd verschijnen zal: om gericht te houden tegen allen.
2. Er werd reeds toen, zo lang tevoren, over gesproken als over iets, dat zeer aanstaande was. Zie de Heere komt! Hij is onderweg, Hij zal aangekomen zijn voor gij het vermoedt, en-tenzij gij nuchteren en waakzaam zijt-voor gij bereid zijt om Hem tot uw vertroosting te ontmoeten. Hij komt.
A. Om gericht te houden tegen alle goddelozen,
B. Om hen te overtuigen. Christus zal niet veroordelen zonder onderzoek, proef en overtuiging, het overtuigend bewijs zal ten slotte de veroordeelden doen zwijgen. Zij zullen geen verontschuldiging of verdediging te maken hebben, die zij zullen kunnen of durven volhouden. Want alle mond zal gestopt worden, de Rechter en Zijn vonnis zal door alle onpartijdigen worden goedgekeurd en toegejuicht, en zelfs de schuldige, veroordeelde misdadigers zullen sprakeloos zijn, ofschoon het hun thans niet aan hoogmoedige en verwaande uitspraken ontbreekt, die ze met de grootste zekerheid en met vast vertrouwen doen horen. Het zal echter spoedig blijken dat er hemelsbreed verschil is tussen de toneelspelers, die gevangenen in de boeien voorstellen, en de werkelijke behandeling van een zaak door dezen enigen Rechter! Ik kan niet van vers 15 afstappen zonder de aandacht te vestigen op de herhaalde en dringende wijze, waarop daarin het woord goddelozen genoemd wordt, niet minder dan vier malen: goddelozen, goddeloze werken, goddelooslijk gedaan, goddeloze zondaren. Godzalig of goddeloos betekent voor velen in onze dagen weinig, tenzij om deze namen te bespotten en te misbruiken, maar zo is het niet in de taal des Heiligen Geestes. Zowel over hetgeen we gelaten als over hetgeen wij gedaan hebben moet in den dag des oordeels rekenschap afgelegd worden. Harde woorden, voornamelijk indien zij geen recht van bestaan hadden, zullen zeer zeker op den dag des oordeels in aanmerking genomen worden. Laat ons allen daar dus tegen waken! Indien gij, zegt een vrome van vroeger dagen, een valselijk dus genaamden ketter of scheurmaker slaat en God vindt een bloedenden heilige, hoe zult ge dat verantwoorden? Het kan spoedig te laat zijn om voor het aangezicht des engels te zeggen dat het een dwaling was, Prediker 5:6.