Handelingen 17:22-31
Wij hebben hier de rede van Paulus te Athene. Wij hebben reeds verscheidene redenen gehad, uitgesproken door de apostelen voor de Joden, of zulke Heidenen, als die bekend waren met en eerbied hadden voor het Oude Testament, en aanbidders waren van den waren en levenden God. Alles, wat zij in die leerredenen te doen hadden, was te verklaren en te bewijzen, dat Jezus is de Christus, maar hier hebben wij ene leerrede, uitgesproken voor Heidenen, die valse goden aanbaden, en zonder den waren God in de wereld waren, en het doel of oogmerk van hun rede voor hen is gans anders. In het eerste geval was het hun taak om door profetieën en wonderen hun hoorders tot de kennis te brengen van den Verlosser, en tot het geloof in Hem, in het laatste geval was het hun streven, om hen door de gewone werken der Voorzienigheid tot de kennis en de aanbidding te brengen van den Schepper. Ene rede van die soort hebben wij te voren gehad, zij werd uitgesproken voor de ruwe, onwetende afgodendienaars van Lystra, die de apostelen hebben vergood, Hoofdstuk 14:15. Deze, welke hier vermeld wordt, is uitgesproken voor de meer beschaafde en verfijnde afgodendienaars te Athene, en het is ene schone, bewonderenswaardige rede, in ieder opzicht passend voor zijn gehoor, en voor het doel, dat hij er mede beoogde.
I. Hij geeft de bedoeling te kennen, die hij heeft met zijne rede, nl. hen te brengen tot de kennis van den enen, enig levenden en waarachtigen God, als het enige en gepaste Voorwerp van hun aanbidding. Hier is hij verplicht den grond te leggen van, en hen te onderwijzen in, de eerste beginselen van allen Godsdienst, nl. dat er een God is, en dat die God enig is. Toen hij predikte tegen de goden, die zij aanbaden, was het zijne bedoeling niet hen tot atheïsme te leiden, maar tot den dienst van de ware Godheid. Socrates, die de Heidense afgoderij had blootgelegd, was aangeklaagd voor dit zelfde hof en veroordeeld, niet slechts omdat hij gene goden achtte te zijn, die door de stad voor goden gehouden werden, maar omdat hij nieuwe demonen invoerde, en dit was nu de aanklacht tegen Paulus gericht. Stilzwijgend erkent hij het eerste gedeelte der beschuldiging, maar hoedt zich voor het laatste door te verklaren, dat hij gene nieuwe goden wil invoeren, maar hen wil brengen tot de kennis van een God, den Ouden van dagen.
1. Hij toont hun, dat zij hierin onderwezen moesten worden, want zij hadden de kennis verloren van den waren God, die hen gemaakt heeft, door de aanbidding van valse goden, die zij gemaakt hebben, Deos qui rogat ille facit -Wie de goden aanbidt, maakt ze. Ik bemerk dat gij alleszins gelijk als godsdienstiger zijt. De misdaad, die hij hun ten laste legt, is, dat zij anderen de ere geven, die aan God alleen toekomt, dat zij demonen vreesden en aanbaden, geesten, die zij onderstelden in de beelden te wonen, tot welke zij hun aanbidding richtten. "Het is tijd, dat u gezegd wordt, dat er slechts een God is, dat moet nu gezegd worden tot u, die de goden vermenigvuldigt boven die van al uwe naburen, en uwe afgoderij met al uwe zaken vermengt. Gij zijt in alles bijgeloviger - deisidaimonesteroi, gij laat gemakkelijk alles toe wat onder schijn van Godsdienst tot u komt, maar hierdoor wordt de Godsdienst immer meer verdorven, ik breng u hetgeen hem zal hervormen". Hun naburen prezen hen hiervoor als vrome lieden, maar het is opmerkelijk, hoe hij de beschuldiging verzacht, haar niet verzwaart of vergroot, om hen tot toorn te prikkelen, hij gebruikt een woord, dat onder hen in gunstigen zin genomen wordt: Gij zijt in alle opzichten meer dan gewoon Godsdienstig, zo lezen sommigen dien volzin, gij zijt op uwe manier zeer vroom, of, zo het in ongunstigen zin genomen wordt dan is het toch verzacht: "Gij zijt, als het ware, -hoos bijgeloviger dan gij behoeft te wezen", en hij zegt niet meer dan wat hij zelf ziet, bemerkt, deooroo -ik zie het, ik merk het op. Zij beschuldigden Paulus, dat hij nieuwe demonen verkondigde. "Neen", zegt hij, "gij hebt reeds overvloed van demonen, ik zal er geen toevoegen aan hun getal".
2. Hij toont hun, dat zij zelven ene goede aanleiding hebben gegeven, om hun dezen enen waarachtigen God te verkondigen, door een altaar op te richten Aan den onbekenden God, hetgeen de erkenning aanduidt, dat er een God is, die voor hen echter een onbekende God is, en het is treurig te denken, dat te Athene, ene plaats welke verondersteld werd het monopolie te hebben van wijsheid, de ware God een onbekende God was, de enige God, die onbekend is. "Nu behoort gij Paulus welkom te heten, want dit is de God, dien hij u bekend komt maken, de God, van wie gij stilzwijgend klaagt niets te weten". Waar wij ons bewust zijn gebrek van te hebben, te kort in te komen, daar juist komt het Evangelie en helpt ons voort. De geleerden hebben onderscheidene gissingen gemaakt omtrent dit altaar, dat aan den onbekenden God gewijd was.
a. Sommigen denken, dat de betekenis is: Aan den God, wiens ere het is onbekend te zijn, en dat zij bedoelen den God der Joden, wiens naam onuitsprekelijk, en wiens natuur ondoorgrondelijk is. Het is waarschijnlijk, dat zij van de
Joden gehoord hebben, en van de Schriften des Ouden Testaments, van den God Israël's, die zich bewezen had te zijn boven alle goden, maar een God was, die zich verborgen houdt, Jesaja 45:15. De Heidenen noemden den God der Joden: Deus incertus, incertum Mosis Numen een onzekere Godheid van Mozes, en den God zonder naam. Dezen God nu, zegt Paulus, dezen God, die door geen onderzoek volkomen ontdekt kan worden, verkondig ik ulieden.
b. Anderen denken, dat de betekenis is: Aan den God, dien het ons ongeluk is niet te kennen, hetgeen aanduidt, dat zij het gelukkig zouden vinden Hem wel te kennen. Sommigen verhalen ons, dat zij, bij gelegenheid, dat ene pestziekte te Athene woedde, aan al hun goden, den een na den anderen, geofferd hadden om de plage te doen ophouden. Toen werd hun de raad gegeven om enige schapen heen te laten gaan waar zij wilden, om dan, waar zij gingen liggen, een altaar te bouwen too prosakonti Theoo -aan den rechten God, of, den God wiens zaak het was de pestilentie te doen ophouden, en omdat zij niet wisten hoe Hem te noemen, stelden zij het opschrift: Aan den onbekenden God. Anderen, en wel uit de beste geschiedschrijvers van Athene, zeggen ons, dat zij vele altaren hadden met het opschrift: Aan de goden van Azië, Europa en Afrika, Aan den onbekenden God, en in sommigen van de naburige landstreken placht men te zweren bij den God, die te Athene onbekend is, aldus Lucianus. Merk nu op de bescheidenheid, waarmee Paulus hiervan spreekt, opdat men hem niet voor een spion zal aanzien, of voor iemand, die zich, meer dan aan een vreemdeling betaamt, in hun geheimenissen indringt, hij zegt, dat hij de stad doorgaande en hun heiligdommen aanschouwende, dit heeft opgemerkt. Het altaar stond daar openlijk, en hij kon het niet vermijden, het te zien, en het was zeer geschikt om hem opmerkingen te doen maken omtrent den Godsdienst van de plaats. En merk nu ook op hoe verstandig en natuurlijk hij dit tot uitgangspunt neemt van zijne rede over den waren God. Hij zegt hun, ten eerste: dat de God, dien hij hun verkondigde, reeds door hen vereerd werd, en dat hij dus geen verkondiger was van nieuwe of vreemde goden. "Daar gij een zeker vertrouwen in Hem hebt, heeft Hij ook ene zekere soort van hulde van u ontvangen." Ten tweede. Hij was Een, dien zij onwetend aanbaden, hetgeen een smaad was voor hen, die in de gehele wereld vermaard zijn van wege hun kennis. "Nu," zegt hij, "kom ik dien smaad van u afnemen, opdat gij Hem met kennis en verstand zult aanbidden, dien gij nu onwetend, zonder Hem te kennen, aanbidt, en het kan niet anders dan u welgevallig wezen, dat uwe blinde godsdienstigheid in een redelijk dienen van God wordt veranderd, zodat gij niet aanbidt wat gij niet weet."
II. Hij bevestigt zijne leer van een levenden en waarachtigen God door te wijzen op Zijne werken in schepping en voorzienigheid. "De God, dien ik u verkondig als het enige Voorwerp uwer verering, en dien ik u ernstig vermaan te aanbidden, is de God, die de wereld heeft gemaakt, en haar regeert, en door deze zichtbare bewijzen van Zijn bestaan kunt gij heengevoerd worden tot dit onzichtbare Wezen, en overtuigd worden van Zijne eeuwige kracht en Goddelijkheid." De Heidenen in het algemeen, en de Atheners in het bijzonder, werden in hun Godsdienstige begrippen niet beheerst door hun filosofen, van wie velen op heldere en voortreffelijke wijze gesproken hebben van een oppersten Numen, en van Zijne oneindige volmaaktheden, Zijne algemene werking en heerschappij (getuigen de geschriften van Plato, en lang daarna van Cicero,) maar door hun dichters en al hun ijdele verbeeldingen. De werken van Homerus waren de bijbel van de Heidense theologie, of liever demonologie, niet die van Plato, en de filosofen hebben zich daar gedwee aan onderworpen, bleven bij hun eigene bespiegelingen, redeneerden er over onder elkaar, en onderwezen er hun leerlingen in, maar nooit hebben zij er het gebruik van gemaakt, dat zij er van hadden behoren te maken, om de afgoderij tegen te staan, zo weinig zeker waren zij er van, en zo weinig indruk hebben zij op hen gemaakt! Ja meer, zij deden mede met de bijgelovigheden van hun land, en dachten, dat dit hun plicht was. Eamus ad communem errorem -Laat ons de algemene dwaling aannemen. Nu zet Paulus er zich toe, in de eerste plaats, om de filosofie der Atheners te hervormen (hij verbetert er de vergissingen van,) en hun juiste denkbeelden te geven omtrent den enen, enig levenden, en waren God, en dan de zaak verder te brengen dan zij ooit beproefd, of gepoogd hadden, ter hervorming van hun eredienst en hen af te brengen van hun polytheïsme en hun afgoderij. Let nu op de heerlijke dingen welke Paulus hier zegt van den God, dien hij diende, en wenste, dat ook zij zouden dienen.
1. Hij is de God, die de wereld gemaakt heeft, en alles wat daarin is, de Almachtige Vader, de Schepper van hemel en aarde. Velen van de wijsgeren hebben dit erkend, maar die van de school van Aristoteles hebben het ontkend, zij beweerden: "dat de wereld van eeuwigheid af bestaan heeft, en dat alles altijd geweest is zoals het nu is." Die van de school der Epicuriërs verkeerden in den waan: "dat de wereld door een toevallig samentreffen van atomen ontstaan is, welke in voortdurende beweging zijnde, ten laatste toevalligerwijs in dezen vorm zijn geraakt." Tegenover die beiden houdt Paulus staande, dat God door de werkingen ener oneindige macht, en naar het bestel ener oneindige wijsheid in den aanvang des tijds de wereld gemaakt heeft met alles wat daarin is. Het ontstaan der wereld was dus niet, gelijk zij waanden, verschuldigd aan ene eeuwige stof, maar aan een eeuwigen Geest, een eeuwig en oneindig Verstand.
2. Daarom is Hij Heer van hemel en aarde, dat is: Hij is de rechtmatige Eigenaar en Bezitter van al de wezens, krachten en schatten van de boven- en de benedenwereld, van het stoffelijke en onstoffelijke, het zichtbare en het onzichtbare. Dit vloeit voort uit Zijn maken van hemel en aarde. Heeft Hij alles geschapen, dan heeft Hij ook ongetwijfeld de beschikking over alles, en waar Hij het aanzijn heeft gegeven, daar heeft Hij ook het onbetwistbaar recht om wetten te geven.
3. Hij is inzonderheid de Schepper van mensen, van alle mensen, vers 26. Hij heeft uit enen bloede het ganse geslacht der mensen gemaakt. Hij heeft den eersten mens gemaakt, Hij heeft iedere mens gemaakt, Hij is de Formeerder van het lichaam van elke mens, en de Vader van den geest van elke mens. Hij heeft de natiën der mensen gemaakt, niet slechts alle mensen in de natiën, maar de natiën in hare politieke betekenis. Hij heeft ze gefundeerd, ze gerangschikt in gemenebesten ter hunner wederzijdse bescherming en hun wederzijds nut en voordeel. Hij heeft ze allen uit een bloede gemaakt, van ene en dezelfde natuur, Hij formeert hun aller hart. Afstammende van een en dezelfden voorvader, zijn zij, in Adam, allen aan elkaar verwant, en dit zijn zij ook in Noach, opdat zij als medeschepselen en broeders elkaar liefhebben en hulp verlenen. Hebben wij niet allen een Vader? Heeft niet een God ons geschapen? Maleachi 2:10. Hij heeft ze gemaakt om op den gehelen aardbodem te wonen, dien Hij, als een milddadig Weldoener, met al Zijne volheid aan de kinderen der mensen gegeven heeft. Hij heeft hen niet gemaakt om allen in ene zelfde plaats te wonen, maar om verspreid over de aarde te leven, daarom behoort het ene volk niet met minachting neer te zien op een ander volk, zoals de Grieken alle andere natiën met minachting aanzagen, want allen, die op den gehelen aardbodem wonen, zijn van hetzelfde geslacht, hetzelfde bloed. De Atheners beroemden er zich op, dat zij uit hun eigen land zijn voortgekomen, er de eerste bewoners van zijn geweest, en aan geen ander volk verwant waren. Dezen hoogmoedigen waan werpt de apostel hier ter neer.
4. Dat Hij de grote Weldoener is van geheel de schepping, vers 25, Hij geeft allen het leven en den adem en alle dingen. Hij heeft niet slechts den eersten mens den adem des levens ingeblazen, maar nog en voortdurend blaast Hij iedere mens den adem in. Hij geeft ons de ziel, Hij heeft den geest des mensen in zijn binnenste geformeerd. Hij heeft ons niet slechts het leven en den adem gegeven, toen Hij ons in het aanzijn riep, maar Hij geeft ze ons voortdurend, Zijne voorzienigheid is ene voortdurende schepping. Hij stelt onze zielen in het leven. Ieder ogenblik gaat onze adem uit, maar in het volgende ogenblik geeft Hij hem ons genadiglijk weer. Het is niet slechts Zijne lucht, waarin wij ademen, maar onze adem is in Zijne hand, Daniël 5:23. Hij geeft aan alle mensen het leven en den adem, want gelijk de geringsten van de kinderen der mensen van Hem leven en van Hem ontvangen, zo kunnen de wijste filosofen en machtigste vorsten zonder Hem niet leven. Hij geeft aan allen, niet alleen aan alle kinderen der mensen, maar ook aan de lagere schepselen, aan alle dieren, alle vlees, waarin een geest des levens is, Genesis 6:17. Zij hebben hun leven, hun adem van Hem, Hij geeft alles, alle dingen, die tot onderhoud des levens dienen. Het aardrijk is vol van Zijne goederen, Psalm 104:24, 27. 5. Dat Hij de oppermachtige Beschikker is van alle zaken der mensen, naar den raad Zijns willens, vers 26, bescheiden hebbende de tijden te voren geordineerd, en de bepalingen van hun woning. Zie hier:
A. De vrijmacht van Gods beschikkingen ons betreffende. Hij heeft bepaald elke gebeurtenis, horisas, de zaak is vastgesteld, de beschikkingen der voorzienigheid zijn onbetwistbaar, en moeten dus niet betwist worden, onveranderlijk, en kunnen dus niet veranderd worden.
B. De wijsheid Zijner beschikkingen: Hij heeft bescheiden wat te voren geordineerd was, de besluiten van den Eeuwigen Geest, het Eeuwig Verstand zijn gene plotselinge besluiten, maar de wedergade of het uitvloeisel van een eeuwig raadsbesluit. Hij zal volbrengen wat over mij bescheiden is, Job 23:14.
Alles wat uit God voortkomt, was van voor de grondlegging der wereld in God verborgen.
C. De dingen, waarmee Zijne voorzienigheid gemeenzaam bekend is: namelijk tijden en plaatsen, de tijden en plaatsen van ons wonen in deze wereld zijn bestemd en verordineerd door den God, die ons gemaakt heeft. a. Hij heeft de tijden voor ons vastgesteld. Ons schijnen de tijden veranderlijk toe, maar God heeft ze bestemd en vastgesteld. Onze tijden zijn in Zijne hand, om ze te verlengen of te verkorten, ze bitter of liefelijk te maken, al naar het Hem behaagt. Hij heeft den tijd bescheiden en vastgesteld van onze komst in de wereld, en den tijd van ons blijven in de wereld, onzen tijd, om geboren te worden, en onzen tijd om te sterven, 1 Prediker 3:1, 2, en al het weinigje, dat daar tussen in ligt, den tijd van al onze belangen in deze wereld, hetzij dat het tijden van voorspoed of van rampspoed voor ons zijn, Hij is het, die ze bestemd en verordineerd heeft, en van Hem zijn wij afhankelijk met betrekking tot den tijd, die nog voor ons ligt.
b. Hij heeft ook de bepalingen van onze woning bescheiden en vastgesteld, Hij die de aarde heeft bestemd tot woning voor de kinderen der mensen, heeft voor de kinderen der mensen ene onderscheiding van woning op de aarde vastgesteld, ingesteld wat wij eigendom noemen, waaraan Hij grenzen heeft gesteld om ons te beletten ons aan elkanders bezitting te vergrijpen. De bijzondere woonplaats, die ons ten deel is gevallen, de plaats onzer geboorte en de plaats waar wij gevestigd zijn, zijn door God vastgesteld en bepaald, hetgeen ene reden is, waarom wij ons behoren te vergenoegen met, en te schikken naar, de woonplaats, waarin wij ons bevinden. 6. Dat Hij niet ver is van een iegelijk van ons, vers 27. Hij is overal tegenwoordig, Hij is niet slechts aan onze rechterhand, maar Hij bezit onze nieren, Psalm 139:13. Ten allen tijde is Zijn oog op ons gericht, en Hij kent ons beter dan wij ons zelven kennen. Afgodendienaars maken beelden van God, opdat zij
Hem in die beelden bij zich kunnen hebben. De apostel toont hun hier het ongerijmde van aan, want Hij is een oneindige Geest, die niet ver is van een iegelijk van ons, en nooit is Hij door ons pogen om Hem door enigerlei beeld voor ons te vertegenwoordigen ons meer nabij, maar, in een zekeren zin, juist verder van ons verwijderd. Hij is nabij ons, wáár wij ook zijn, zowel om de hulde te ontvangen, die wij Hem brengen, als om ons de zegeningen te schenken, die wij van Hem vragen, hoewel niet nabij een altaar, beeld of tempel. Gelijk de Heere van allen rijk is, Romeinen 10:12, zo is Hij ook nabij, Deuteronomium 4:7, allen, die Hem aanroepen. Hij, die wil, dat wij aan alle plaatsen zullen bidden, verzekerde ons, dat Hij nergens verre van ons is. Van welk land, volk, of beroep wij ook zijn, wat onze rang of positie ook is in de wereld, hetzij wij ons in een paleis bevinden, of in ene armelijke hut, onder ene grote menigte, of eenzaam in een hoek, in ene stad of in ene woestijn, in de diepte der zee, of ver weg op de zee- dit is zeker: God is niet ver van een iegelijk van ons. 7. Dat wij in Hem leven, ons bewegen en zijn, vers 28. Wij zijn noodwendig en voortdurend afhankelijk van Zijne voorzienigheid, zoals de rivieren afhankelijk zijn van de bron, en de zonnestralen van de zon.
a. In Hem leven wij, dat is: het voortduren van ons leven zijn wij verschuldigd aan Hem, aan den gestadigen invloed van Zijne voorzienigheid: Hij is ons Leven en de lengte onzer dagen. Wij zijn het niet alleen aan Zijne lankmoedigheid en barmhartigheid verschuldigd, dat ons verbeurd leven niet is afgesneden, maar het is door Zijne macht, Zijne goedheid en Vaderlijke zorg, dat ons broos leven verlengd wordt. Er is gene positieve daad Zijns toorns nodig om ons te vernielen, zo Hij slechts de positieve daden Zijner goedheid schorst, of doet ophouden, sterven wij van zelf.
b. In Hem bewegen wij ons, het is door Zijne voortdurende voorzienigheid, dat onze zielen zich bewegen in hare uitgangen en werkingen, dat onze gedachten heen en weer gaan over duizenderlei onderwerpen, dat onze genegenheden zich richten naar het rechte voorwerp. Evenzo is het door Hem dat onze ziel ons lichaam beweegt, wij kunnen gene hand, geen voet, geen tong bewegen dan door Hem, die, gelijk Hij de eerste Oorzaak is, ook de eerste Beweger is.
c. In Hem zijn wij. Niet alleen ontvingen wij van Hem ons bestaan, maar in Hem hebben wij ook nu nog ons bestaan, aan Zijne voortdurende zorg en goedheid zijn wij verschuldigd, niet alleen, dat wij een bestaan hebben-niet verzonken zijn in het niet-zijn-maar dat wij ons bestaan hebben, dit bestaan hebben, tot zulk een edelen rang van wezens hebben behoord en er nog toe behoren, instaat om God te kennen en te genieten, dat wij niet heengelopen zijn in den lagen staat van redeloze dieren, of den ellendigen, rampzaligen staat van duivelen. 8. Dat wij, over het geheel, van Gods geslacht zijn, Hij is onze Vader, die ons gemaakt, gegenereerd, heeft, Deuteronomium 32:6, 18, en Hij heeft ons gevoed en groot gemaakt als kinderen, Jesaja 1:2. De bekentenis van een tegenstander in zulk een geval, wordt altijd beschouwd als argumentum ad hominem -een argument op den man af, en daarom haalt de apostel hier een gezegde aan van een der Griekse dichters, Aratus, een inboorling van Cilicia, en dus Paulus' landgenoot, die in zijn Phenomena, aan het begin van zijn boek, sprekende van den Heidensen Jupiter, dat is, in het poëtisch dialect den oppersten God, dit van hem zegt: -tou gar kai genos hesmen -want ook wij zijn van zijn geslacht. En voor hetgeen hij sprak van het feit, dat wij in God leven en ons bewegen, zou hij nog andere dichters hebben kunnen aanhalen:
Spiritus intus alit, totamque infusa per artus Mens agitat molem. Deze werkzame geest, waarvan geheel de ruimte vervuld is, Verenigt en vermengt zich met het machtig geheel. Virg. Æneid.
VI. Est Deus in nobis, agitante calescimus illo Het is de Godheid, die ons hart verwarmt. Ovid, Fastorum
VI. Jupiter est quodcunque vides, Quocunque moveris.
Waarheen gij ook ziet, waarheen gij ook dwaalt, Van Jupiter is alles vervuld. Lucanus, lib, II.
Maar hij kiest dit gezegde van Aratus omdat, het in weinig woorden veel bevat. Hieruit blijkt, niet slechts dat Paulus zelf een geleerde was, maar ook dat menselijke geleerdheid den Evangeliedienaar siert en nuttig is, inzonderheid ter overtuiging van hen, die buiten zijn, want het stelt hen in staat die tegenstanders met hun eigene wapenen te verslaan, Goliath's hoofd met zijn eigen zwaard af te houwen. Hoe kunnen de tegenstanders der waarheid uit hun sterkten verdreven worden door hen, die deze sterkten niet kennen? Het kan ook ter beschaming strekken van Gods belijdend volk, die hun betrekking tot God vergeten en er in tegenheid mede wandelen, dat een Heidens dichter van God kon zeggen: Wij zijn van Zijn geslacht, geformeerd voor Hem, veel meer de zorge zijnde van Zijne voorzienigheid dan ooit kinderen de zorge zijn geweest van hun ouders, weshalve wij verplicht zijn Zijne geboden te gehoorzamen, te berusten in Zijne beschikkingen, en Hem te zijn tot een naam en tot een lof. Daar wij in Hem en van Hem leven, behoren wij voor Hem te leven, daar wij ons in Hem bewegen behoren wij ons naar Hem, tot Hem, te bewegen, en daar wij in Hem zijn, en van Hem alles ontvangen wat ons zijn, ons bestaan, onderhoudt en liefelijk maakt, behoren wij ons zijn, ons bestaan, Hem te wijden, en van Hem een nieuw zijn, een beter zijn, een eeuwig wel-zijn te vragen.
III. Evenals de profeten van ouds, leidt hij uit al deze grote waarheden betreffende God de ongerijmdheid af van hun afgoderij. Indien dit zo is: 1. Dan kan God door geen beeld worden voorgesteld. Indien wij Gods geslacht zijn, en wij geesten zijn in vlees, dan voorzeker is Hij, die de Vader is van onzen geest (en onze geest is het voornaamste bestanddeel van ons, en juist dat deel door hetwelk wij Gods geslacht genoemd worden) zelf een Geest, en wij moeten niet denken, niet menen, dat de Godheid goud of zilver of steen gelijk is, welke door mensenkunst en bedenking gesneden zijn, vers 29. Wij doen God onrecht, en beledigen Hem, als wij dit denken. God heeft den mens geëerd door zijne ziel naar Zijn beeld te formeren, maar de mens onteert God, indien hij Hem formeert naar de gelijkenis van zijn lichaam. De Godheid is geestelijk, oneindig, onstoffelijk en onbevattelijk, en daarom is het een zeer onwaar en onjuist begrip dat een beeld ons van God geeft, al is de stof, waaruit dat beeld vervaardigd is, ook nog zo rijk, goud of zilver, of al is de vorm, de gedaante er van ook nog zo kunstig, nog zo uitnemend door mensenkunst en bedenking gesneden, al is deszelfs gelaat, en houding en kledij ook nog zo vol van uitdrukking en betekenis, het is toch niets anders dan een leugenleraar.
2. Dan woont Hij ook niet in tempelen met handen gemaakt, vers 24. Hij wordt niet aangelokt door een tempel, dien de mens voor Hem kan bouwen, noch is Hij tot een zodanige tempel beperkt. Een tempel brengt Hem nooit nader tot ons, noch houdt Hem ooit langer onder ons. Een tempel is geriefelijk voor ons om er samen te komen tot aanbidding van God, maar God behoeft gene plaats der rust of ter woning, Hij heeft den glans en de pracht van een gebouw niet nodig ter verhoging van de heerlijkheid Zijner verschijning. Een vroom, oprecht hart, een tempel, niet met handen gemaakt, maar door den Geest van God, dat is de tempel, waarin Hij woont, en waarin Hij zich verlustigt te wonen. Zie 1 Koningen 8:27, Jesaja 66:1, 2.
3. Dan wordt Hij ook niet gediend, Hij wordt niet bediend met mensenhanden, als iets behoevende, vers 25. Hij, die alles gemaakt heeft en alles onderhoudt, kan niet bevoordeeld worden door onze diensten, noch heeft Hij onze diensten nodig. Indien wij alles van Hem ontvangen, alles aan Hem ontlenen, dan is Hij algenoegzaam, en kan dus niet anders dan zelfgenoegzaam zijn, en onafhankelijk. Welke behoefte kan God hebben aan onze diensten, of welk voordeel kan Hij er van hebben, als Hij toch alle volmaaktheid heeft in zich zelven, en wij niets goeds hebben, dan wat wij van Hem ontvangen? De filosofen waren zich ook wel bewust van die waarheid, dat God ons noch onze diensten van node heeft, maar het Heidense gemeen bouwde tempels, en bracht offers aan hun goden in de mening, dat zij huizen en voedsel van node hadden. Zie Job 35:5-8, Psalm 50:8, enz.
4. Dan is het ook ons aller belang God te zoeken, vers 27, opdat zij den Heere zouden zoeken, dat is: Hem op de rechte wijze vrezen en aanbidden. God heeft de kinderen der mensen in voortdurende afhankelijkheid van Hem gehouden voor hun leven, en voor de geriefelijkheden van het leven, opdat zij voortdurend onder verplichting aan Hem zijn zouden. Wij hebben duidelijke aanwijzingen van Gods tegenwoordigheid onder ons, van de zorge Zijner voorzienigheid voor ons, en van zijne milddadigheid jegens ons, opdat wij tot de vraag komen: Waar is God onze Maker, die de psalmen geeft in den nacht? die ons geleerder maakt dan de beesten der aarde, en ons wijzer maakt dan het gevogelte des hemels? Job 35:10, 11. Niets, zou men zo denken, moest krachtiger zijn om ons te overtuigen dat er een God is, en ons aan te sporen om Zijne eer en heerlijkheid te zoeken in ons dienen, en ons geluk te vinden in Zijne gunst en liefde dan het beschouwen en nagaan van onze eigene natuur, inzonderheid van de edele gaven en krachten onzer ziel. ALS wij dezen beschouwen en er over nadenken, dan zullen wij onze betrekking bespeuren tot, en onze verplichting aan een God, die boven ons is. Toch is deze ontdekking, vergeleken bij die door Goddelijke openbaring, zo duister, en zijn wij zo ongeschikt en onbekwaam om haar te ontvangen, dat zij, die gene andere hebben, niets anders konden dan naar Hem tasten.
a. Het was zeer onzeker, of zij door dit zoeken God zouden vinden, of ontdekken, het was slechts een misschien, of zij Hem mogelijk ook zouden vinden.
b. Indien zij al iets van God ontdekten, was het toch slechts een verward begrip of denkbeeld, zij tastten slechts naar Hem, zoals mensen, die zich in het donker bevinden, of zoals blinden, die alles aangrijpen, wat zich op hun' weg bevindt, maar niet weten of het al of niet datgene is wat zij zoeken. Het is een zeer verward begrip, dat deze hun dichter heeft van de betrekking tussen God en den mens, en zeer in het algemeen, dat wij Zijn geslacht zijn, hetgeen ook het denkbeeld was van hun filosofen. Pythagoras zei: Theion genos esti brotoias. De mensen hebben ene soort van Goddelijke natuur. En Heraclius (opud Lucian) gevraagd zijnde: Wat zijn mensen? antwoordde: Theoi thnêtoi - sterfelijke goden, en wat zijn de goden? antwoordde: athanatoi anthroopoi, Onsterfelijke mensen. En Pindarus zegt: (Nemean, Ode 6) Hen androon hen theoon genos: God en de mensen zijn na verwant. Het is waar: door de kennis van ons zelven kunnen wij geleid worden tot de kennis van God, maar het is ene verwarde, duistere kennis. Het is slechts een tasten naar Hem. Wij hebben dus reden, om dankbaar te zijn, dat wij door het het Evangelie van Christus veel helderder kennis van God hebben ontvangen, dan het licht der natuur ons kon geven, nu tasten wij niet langer naar Hem, maar kunnen met ongedekten aangezichte de heerlijkheid des Heeren als in een spiegel aanschouwen.
IV. Nu gaat hij er toe over, om hen allen op te wekken zich van hun afgoderij te bekeren, er zich van af te wenden, vers 30, 31. Dit is het praktisch gedeelte van Paulus' rede voor de universiteit. Hun God verkondigd hebbende, vers 23, neemt hij daar gepaste aanleiding uit, om hen te dringen tot bekering tot God, en hij zou hen ook onderwezen hebben
in het geloof aan den Heere Jezus Christus, indien zij slechts het geduld hadden gehad om naar hem te luisteren. Na hun het ongerijmde aangetoond te hebben van hun aanbidden van andere goden, zoekt hij hen nu te bewegen om niet langer voort te gaan met die dwaze aanbidding, maar er zich van te bekeren tot den levenden en waren God. Merk op:
1. Hoe God met de Heidenwereld gehandeld heeft, voor dat het Evangelie er gebracht werd.
God heeft de tijden der onwetendheid voorbijgezien.
A. Het waren tijden van grote onwetendheid. De menselijke geleerdheid bloeide even voor de komst van Christus meer dan ooit te voren in de Heidenwereld, maar in de dingen Gods heerste ene grove onwetendheid onder hen. Diegenen zijn waarlijk onwetend, die of God niet kennen, of Hem onwetend aanbidden. Afgoderij was het gevolg van onwetendheid.
B. Deze tijden van onwetendheid heeft God voorbijgezien. Vat dit op:
a. Als ene daad der Goddelijke gerechtigheid. God verachtte, of veronachtzaamde deze tijden van onwetendheid, en heeft hun niet, gelijk nu, Zijn Evangelie gezonden. Het moest Hem wel tot toorn verwekken te zien hoe Zijne eer aan een ander gegeven werd, en Hij verfoeide en haatte deze tijden. Aldus wordt het door sommigen verstaan. Of liever:
b. Als ene daad der Goddelijke lankmoedigheid en verdraagzaamheid, Hij heeft die tijden voorbijgezien, Hij heeft hen niet teruggehouden van die afgoderij door profeten onder hen te zenden, zoals Hij ze aan Israël gezonden heeft, maar schonk hun de gaven Zijner voorzienigheid, Hoofdstuk 14:16, 17. Deze dingen doet gij, en Ik zwijg, Psalm 50:21. Hij gaf hun niet zulke roepstemmen en zulke beweegredenen tot bekering, als Hij hun nu geeft, Hij liet hen varen, omdat zij het licht, dat zij hadden, niet gebruikten maar moedwillig onwetend bleven, heeft Hij hun geen groter of helderder licht gezonden. Of wel: Hij was niet haastig of streng met hen, maar was lankmoedig over hen, omdat zij het onwetend gedaan hebben, 1 Timotheus 1:13.
2. Den last, dien God gaf aan de Heidenwereld door het Evangelie, hetwelk Hij nu onder hen zond: Hij gebiedt nu allen mensen alom, dat zij zich bekeren, verandering zullen brengen in hun zin, hun wijze van doen, zich zullen schamen over hun dwaasheid, en met meer verstand handelen, dat zij hun aanbidding der afgoden zullen staken, om zich nu tot de aanbidding van den waren God te begeven. Ja meer: het is zich met smart en schaamte af te wenden van elke zonde, en zich met blijmoedigheid en vastberadenheid te keren tot elke plicht.
a. Dit is Gods gebod. Het zou ene grote gunst zijn geweest indien ons slechts gezegd was, dat er nog plaats is voor bekering, en dat wij er toegelaten kunnen worden, maar Hij gaat verder, Hij treedt ten onzen behoeve tussenbeide met Zijn gezag, en heeft ons ten plicht gesteld wat ons voorrecht is.
b. Het is Zijn gebod aan alle mensen, alom, aan mensen, en niet aan engelen, die het niet nodig hebben, aan mensen, en niet aan duivelen, die van het voorrecht er van buiten gesloten zijn, aan alle mensen, alom. Alle mensen hebben werk gemaakt voor bekering, en hebben reden genoeg tot bekering, en alle mensen worden geroepen om zich te bekeren, en zullen er het nut en voordeel van hebben. Den apostelen is opgedragen dit overal te prediken en te verkondigen. De profeten werden gezonden tot de Joden om hun te gebieden zich te bekeren, maar de apostelen zijn gezonden om bekering en vergeving der zonden te prediken aan alle volken.
c. Thans, in de Evangelietijden, wordt dit ernstiger geboden, omdat het meer aangemoedigd is dan te voren, de weg tot vergeving der zonden is thans meer dan te voren geopend, en de belofte meer ten volle bevestigd, en daarom verwacht Hij thans, dat allen zich zullen bekeren. "Bekeert u thans, thans eindelijk, thans, nu het tijd is, bekeert u, want gij hebt reeds te lang geleefd in de zonde. Bekeert u, nu het nog tijd is, want weldra zal het te laat zijn."
3. De grote reden, die aan dit gebod kracht bijzet, is ontleend aan het komende oordeel. God gebiedt ons ons te bekeren, omdat Hij een dag gesteld heeft op welken Hij den aardboden rechtvaardiglijk zal oordelen, vers 31, en omdat Hij nu, onder het Evangelie ene helderder openbaring heeft gegeven van een' staat van vergelding in de andere wereld, dan ooit te voren. Merk op:
a. De God, die de wereld gemaakt heeft, zal haar oordelen, Hij, die aan de mensen hun aanzijn en hun vermogens heeft gegeven, zal hun rekenschap vragen van het gebruik, dat zij er van gemaakt hebben, en hun dienovereenkomstig vergelding doen, hetzij het lichaam de ziel heeft gediend in het dienen van God, of de ziel de slaaf is geweest van het lichaam door het vlees te verzorgen, en een iegelijk zal wegdragen hetgeen door het lichaam geschiedt, naar dat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad, 2 Corinthiërs 5:10. De God, die nu de wereld regeert, zal haar oordelen, zal de trouwe vrienden Zijner regering belonen, en de rebellen straffen.
b. Er is een dag gesteld voor dit algemene overzicht van al hetgeen de mensen gedaan hebben in den tijd, en ene eindbepaling van hun toestand voor de eeuwigheid. Die dag is vastgesteld in den raad Gods en kan niet veranderd worden, maar hij is dáár verborgen en kan niet gekend, of geweten worden. Een dag van beslissing, een dag van beloning, een dag, die aan al de dagen van den tijd een einde zal maken.
c. De wereld zal rechtvaardiglijk geoordeeld worden, want God is niet onrechtvaardig, als hij toorn over ons brengt, Romeinen 3:5, want het is verre van Hem ongerechtigheid te doen. Zijne kennis van het karakter en de handelingen der mensen is onfeilbaar juist, en daarom is Zijn oordeel over hen onbetwistbaar rechtvaardig, en evenals men van dat oordeel niet in hoger beroep kan komen, zo zal er ook gene tegenspraak of tegenwerping tegen ingebracht kunnen worden.
d. God zal de wereld oordelen door een Man, dien Hij daartoe geordineerd heeft, en die geen ander wezen kan dan de Heere Jezus aan wie al het oordeel is overgegeven. Door Hem heeft God de wereld gemaakt, door Hem heeft Hij haar verlost, door Hem regeert Hij haar en door Hem zal Hij haar oordelen.
e. Dat God Christus uit de doden heeft opgewekt is er het grote bewijs van, dat Hij gesteld en verordineerd is als Rechter van de levenden en de doden. Uit de eer, die Hij Hem hiermede aangedaan heeft, bleek, dat Hij Hem voor deze eer, nl. om de wereld te oordelen, bestemd heeft. Zijne opwekking van Hem uit de doden was het begin Zijner verhoging, Zijn oordelen van de wereld zal er de volmaking van wezen, en Hij, die begint zal voleinden. God heeft aan alle mensen verzekering gedaan, een genoegzamen grond gegeven om op te bouwen, zowel dat er een toekomend oordeel is, als dat Christus hun Rechter zal zijn, de zaak is niet in het onzekere gelaten, zij is ontwijfelbaar zeker. Laten alle Zijne vijanden hier zeker van wezen, en voor Hem sidderen, laten alle zijne vrienden er verzekerd van wezen, en er in roemen.
f. Het denken aan het toekomstige oordeel en dat het door Christus zal geschieden, moet ons allen opwekken om ons te bekeren van onze zonden, en ons tot God te wenden. Dit is het enige middel om den Rechter tot onzen Vriend te maken op dien dag, die een schrikkelijke dag zal zijn voor allen, die onboetvaardig leven en sterven, maar de ware boetvaardigen zullen dan hun hoofden opwaarts heffen met blijdschap, wetende dat hun verlossing nabij is.