Handelingen 10:1-8
Het brengen van het Evangelie aan de Heidenen, en het brengen van hen, die vreemdelingen en bijwoners geweest waren, om medeburgers te zijn der heiligen, en huisgenoten Gods, was zelfs voor de apostelen zulk ene verborgenheid en zulk ene verrassing, Efeze 3:3, 6, dat het van belang voor ons is om te letten op al de omstandigheden van het begin van dit grote werk, dit deel van de verborgenheid der Godzaligheid -Christus gepredikt onder de Heidenen, en geloofd in de wereld, 1 Timotheus 3:16. Het is niet onwaarschijnlijk, dat enkele Heidenen reeds voor dien tijd ene synagoge der Joden zijn binnengegaan, en het Evangelie hebben horen prediken, maar nooit was het Evangelie nog voorbedachtelijk aan de Heidenen gepredikt, noch zijn er van hen gedoopt, Cornelius was de eerste. En hier hebben wij:
I. Een bericht, dat ons omtrent Cornelius gegeven wordt, wie en wat hij was, die Christus' eerstgeborene onder de Heidenen geweest is. Er wordt ons hier gezegd, dat hij een groot man en een goed man was, twee hoedanigheden, die zelden gepaard gaan, maar hier in dezelfden man verenigd waren. En waar die twee eigenschappen te zamen gezien worden, verlenen zij glans en luister aan elkaar, goedheid maakt grootheid nog meer nuttig en dienstig.
1. Cornelius was een officier van het leger, vers 1. Hij was nu in garnizoen te Cesarea, ene sterke stad, kort geleden herbouwd en verbouwd en versterkt door Herodes den Grote, en ter ere van Augustus Caesar Cesarea genoemd. Zij lag open naar den zeekant, zeer geriefelijk voor het houden van gemeenschap tussen Rome en hare wingewesten in deze streken. De Romeinse stadhouder, of proconsul, hield er gewoonlijk zijn verblijf, Hoofdstuk 23:23, 24, 25:6. Er was daar ene bende, of cohort, of regiment, van het Romeinse leger, die waarschijnlijk als lijfwacht van den stadhouder gebruikt werd, en hier de Italiaanse bende genoemd wordt. Omdat men meer zeker wilde wezen van hun trouw, waren zij allen geboren Romeinen, of Italianen. Cornelius voerde het bevel over een deel van dat leger. Zijn naam, Cornelius, was veel in gebruik onder de Romeinen in sommigen van de oudste en edelste geslachten. Hij was een officier van hogen rang en aanzien, een centurion, een hoofdman over honderd. Wij lezen van iemand van dien rang in den tijd van onzen Heiland, aan wie Hij groten lof gaf, Mattheus 8:10. Als een Heiden uitgekozen moet worden, om het eerst het Evangelie te ontvangen, dan is het geen Heidense wijsgeer, en veel minder nog een Heidense priester, (die blinde ijveraars zijn voor hun denkbeelden en godsverering, en bevooroordeeld tegen het Evangelie van Christus,) maar een Heidens krijgsman, die een man is van vrijer gedachten, en wie dat wezenlijk is, zal, als hem de Christelijke leer behoorlijk wordt voorgesteld, haar omhelzen en welkom heten. Vissers, ongeleerde en onwetende mannen, waren de eerste Joodse bekeerlingen, maar zo was het niet bij de Heidenen, want de wereld moet weten, dat er in het Evangelie datgene is, hetwelk zich aan mannen van beschaving en geleerdheid en goede opvoeding, zoals, naar wij reden hebben te geloven, deze centurion er een was, aanbeveelt. Laten soldaten en officieren van het leger niet zeggen, dat hun beroep hen vrijstelt van het bedwang, waar anderen zich onder bevinden, en daar het hun de gelegenheid geeft om vrijer te leven, hen verontschuldigt als zij niet Godsdienstig zijn, want hier zien wij een officier van het leger het Christendom omhelzen, zonder dat dit hem uit het leger bande, en zonder dat hij het uit eigen beweging verliet. En eindelijk, het was ene grievende vernedering voor de Joden, dat niet slechts de Heidenen toegelaten werden tot de kerk, maar dat de eerste, die er in opgenomen werd, een officier was van het Romeinse leger, dat voor hen de gruwel der verwoesting was. 2. Naar de mate van het licht, dat hij had, was hij een Godsdienstig man. Er wordt een zeer goed getuigenis van hem gegeven, vers 2. Hij was geen afgodendienaar, geen aanbidder van valse goden of beelden, en hij gaf zich ook niet toe in enigerlei onzedelijkheid, waaraan het grootste deel der Heidenwereld was overgelaten om hen te straffen voor hun afgoderij. Hij had een beginsel van eerbied voor den waren en levenden God, hij was Godzalig en vrezende God. Hij geloofde in een God, den Schepper van hemel en aarde, hij had eerbied voor Zijne heerlijkheid en macht, en hij vreesde Hem te beledigen door de zonde, en hoewel hij een krijgsman was, deed het niets af aan zijne dapperheid, dat hij voor God beefde. Hij hield den Godsdienst in ere in zijn gezin, hij vreesde God met geheel zijn huis. Hij wilde gene afgodendienaars toelaten onder zijn dak, maar droeg zorg, dat hij niet slechts, maar ook al de zijnen, den Heere dienden. Ieder goed man zal doen wat hij kan, om hen, die hem omringen, ook goed te doen zijn. Hij was een zeer weldadig man, hij deed vele aalmoezen aan het volk, het volk der Joden, niettegenstaande de eigenaardigheden van hun Godsdienst. Hoewel hij een Heiden was, was hij bereid iemand, die wezenlijk hulp nodig had, bij te staan, zonder naar zijn Godsdienst te vragen. Hij was veel in het gebed, hij bad God geduriglijk. Hij had vaste tijden voor het gebed, en hield er zich aan. Waar de vreze Gods heerst in het hart, daar zal dit blijken, zowel in werken van barmhartigheid als in werken van Godsvrucht, en het ene zal ons niet vrijstellen van het andere.
II. De orders hem gegeven van den hemel door den dienst van een engel, om Petrus te ontbieden, dat hij nooit gedaan zou hebben, indien het hem niet aldus gezegd was. Merk op:
1. Hoe, en op wat wijze, die orders hem worden gegeven. Hij had een visioen, waarin een engel ze hem overbracht. Het was omtrent de negende ure des daags, om drie uur in den namiddag, dat bij ons een uur is van zaken en gesprekken, maar omdat het in den tempel de tijd was van het avondoffer, werd het toenmaals door vrome mensen tot ene ure des gebeds gemaakt, om te kennen te geven, dat al onze gebeden krachtens het grote Offer opgezonden moeten worden. Cornelius was nu, gelijk hij ons zelf mededeelt, in het gebed, vers 30. Nu wordt ons hier gezegd:
A. Dat een engel Gods tot hem inkwam. Door den glans op zijn gelaat, en de wijze, waarop hij inkwam, wist hij, dat hij iets meer dan een mens moest wezen, en dus niets minder dan een engel, een bode van den hemel.
B. Dat hij hem klaarlijk zag met zijne lichamelijke ogen, niet in een droom, voorgesteld aan zijne verbeelding, maar in een visioen, voorgesteld aan zijn gezicht.
C. Dat hij hem bij zijn naam noemde, Cornelius, om te kennen te geven, dat God bijzonder acht op hem sloeg.
D. Dat Cornelius hierdoor voor het ogenblik verschrikt werd, vers 4. Toen hij de ogen op hem hield, was hij zeer bevreesd geworden. De wijste en beste mensen werden bij de verschijning van een buitengewonen bode des hemels getroffen door vrees, en terecht, want de zondige mens weet, dat hij gene reden heeft om goede tijding van daar te verwachten. En daarom roept Cornelius: Wat is het Heere? Dit zegt hij als iemand, die vreest, dat er iets niet recht is, en verlangt van die vreze ontheven te worden, door de waarheid te kennen, of als iemand, die begerig is den wil Gods te kennen, en bereid is er zich aan te onderwerpen, zoals Jozua: Wat spreekt mijn Heere tot Zijn knecht? En Samuël: Spreek, want Uw knecht hoort. 2. Wat de boodschap was, die hem gebracht werd.
A. Hem wordt verzekerd, dat God genoegen met hem neemt in zijn wandelen overeenkomstig het licht, dat hij had, vers 4, Uwe gebeden en uwe aalmoezen zijn tot gedachtenis opgekomen voor God. Gebeden en aalmoezen moeten samengaan. Wij moeten onze gebeden doen volgen door aalmoezen, want het vasten, dat God verkiest, is dat men den arme zijn brood mededeelt, Jesaja 58:6. Het is niet genoeg te bidden dat hetgeen wij hebben aan ons geheiligd moge worden, maar wij moeten aalmoezen geven van zulke dingen als wij hebben, en dan: ziet, alles is u rein, Lukas 11:41. 1) En wij moeten onze aalmoezen doen volgen door onze gebeden, dat God ze genadiglijk zal aannemen, en dat zij gezegend mogen worden aan hen, aan wie zij zijn gegeven. Cornelius bad, en gaf aalmoezen, niet zoals de Farizeeën, om van de mensen gezien te worden, maar in oprechtheid voor het aangezicht Gods, en hier wordt hem gezegd, dat zij tot gedachtenis opgekomen zijn voor God. Zij waren opgeschreven in den hemel, in het boek der gedachtenis, dat geschreven is voor allen, die God vrezen, en het zal ten zijnen gunste gedacht worden: "Uwe gebeden zullen verhoord, en uwe aalmoezen beloond worden". De offers onder de wet worden gezegd te zijn ter gedachtenis. Zie Leviticus 2:9, 16, 5:12, 6:15. En gebeden en aalmoezen zijn onze geestelijke offeranden, waarvan het Gode behaagt kennis te nemen en er op te letten. In de Goddelijke openbaring aan de Joden, voor zo ver de Heidenen er bij betrokken waren, niet slechts als het licht en de wet der natuur verbeterende en leidende, maar ook in de belofte van den komenden Messias, die er in ver. vat is, geloofde Cornelius, en daaraan onderwierp hij zich. Wat hij deed, deed hij in dat geloof, en werd er door God in aangenomen. Want de Heidenen, tot wie de wet van Mozes kwam, waren niet verplicht besnedene Joden te worden, zoals zij, tot wie het Evangelie van Christus komt, verplicht zijn gedoopte Christenen te worden.
B. Hij moet een onderzoek instellen naar ene verdere openbaring der Goddelijke genade, díe nu onlangs aan de wereld gedaan is, vers 5, 6. Hij moet terstond naar Joppe zenden, en vragen naar Simon Petrus, die te huis ligt bij een zekeren Simon, een lederbereider. Zijn huis is bij de zee. Als gij dien Simon Petrus ontbiedt zal hij komen, en als hij komt, zal hij u zeggen wat gij doen moet. Dat is het antwoord op uwe vraag: Wat is het, Heere? Nu hebben wij hier twee zeer verrassende dingen, die waardig zijn om door ons overdacht te worden.
A. Cornelius bidt en geeft aalmoezen in de vreze Gods. Hij is zelf Godsdienstig, en houdt den Godsdienst in stand in zijn huis, zijn gezin, en dit alles op Gode welbehaaglijke wijze. Toch is er nog iets meer, dat hij doen moet, hij moet den Christelijken Godsdienst omhelzen, nu God hem onder de mensen gevestigd heeft. Niet: hij mag dit doen, als hij er lust in heeft, het zal nuttig voor hem zijn, en een vermaak voor hem wezen, maar hij moet het doen, het is volstrekt noodzakelijk voor zijn welbehaaglijk zijn aan God in het vervolg, al is hij Hem tot nu toe in zijn dienen welbehaaglijk geweest. Hij, die de belofte van den Messias geloofde, moet nu in de vervulling dier belofte geloven. Nu God een nader getuigenis heeft gegeven betreffende Zijn Zoon dan hetwelk in de Oud- Testamentische profetieën gegeven werd, eist Hij, dat wij, als het tot ons gebracht wordt, het zullen aannemen. En nu komen noch onze gebeden, noch onze aalmoezen, tot gedachtenis op voor God, tenzij wij in Jezus Christus geloven, want dat is dit verdere hetwelk wij doen moeten. Dit is Zijn gebod, dat wij geloven. Gebeden en aalmoezen worden aangenomen van hen, die geloven, dat de Heere God is, en gene gelegenheid hebben om meer te weten. Maar voor hen, aan wie verkondigd is, dat Jezus is de Christus, is het ter aanneming van hun persoon, hun gebeden en hun aalmoezen nodig dat zij dit geloven, en alleen op Hem steunen, wetende, dat zij alleen in Hem Gode welgevallig kunnen zijn.
b. Cornelius spreekt nu met een engel van den hemel, en toch moet hij het Evangelie van Christus niet van dezen engel ontvangen, noch is het van den engel, dat hij horen zal, hoe hij doen moet. Alles, wat de engel hem te zeggen heeft, is: "Zend om Petrus, en hij zal u zeggen, wat gij doen moet." Gelijk de vorige opmerking grotelijks tot eer is van het Evangelie, zo is deze het voor de Evangelie- bediening. Het was niet aan den hoogsten van de engelen, maar aan hen, die minder waren dan de minsten van alle heiligen, dat deze genade gegeven was, om onder de Heidenen door het Evangelie te verkondigen den onnaspeurlijken rijkdom van Christus, Efeze 3:8, opdat de uitnemendheid der kracht zij van God, en de waardigheid van ene inzetting van Christus opgehouden worde, want Hij heeft aan de engelen niet onderworpen de toekomende wereld, Hebr. 2:5, maar aan den Zoon des mensen als den Soeverein, en aan de kinderen der mensen als Zijne agenten en staatsdienaren, wier verschrikking ons niet zal beroeren, en wier hand over ons niet zwaar zal zijn, zoals thans van dezen engel over Cornelius. En gelijk het ene ere was voor den apostel, dat hij verkondigen moest, wat een engel niet moest verkondigen, zo was het nog verder ene ere voor hem, dat een engel expres van den hemel werd gezonden, om de orders te brengen, dat er om hem gezonden moest worden. Een getrouw leraar en ene gewillige gemeente samen te brengen is een werk, een engel waardig, en waarvoor dus de voornaamste mensen zich gaarne moeten laten gebruiken.
III. Zijn onmiddellijk gehoorzamen aan deze orders, vers 7, 8. Hij zond met allen spoed naar Joppe om Petrus bij zich te ontbieden. Ware hij alleen geweest, hij zou zelf naar Joppe tot hem zijn gegaan. Maar hij had een gezin, bloedverwanten en vrienden, vers 24, ene kleine gemeente, als het ware, die niet met hem naar Joppe kon gaan, en daarom zendt hij om Petrus. Merk op:
1. Wanneer hij zond, zodra de engel, die met hem sprak, weggegaan was. Zonder tegenspreken, of uitstellen, is hij het hemelse gezicht gehoorzaam geweest. Uit hetgeen de engel gezegd had, bemerkte hij, dat hem enigen verderen arbeid zou voorgeschreven worden, en hij verlangde er naar, dat het hem gezegd werd. Hij heeft gehaast en niet vertraagd om dit gebod te volbrengen. In alle zaken, onze ziel betreffende, is het goed voor ons, om geen tijd te verliezen.
2. Wie hij zond: twee van zijne huisknechten, die allen God vreesden, en een Godzaligen krijgsknecht, een van hen, die gedurig bij hem waren. Een Godzalige centurion heeft Godzalige soldaten, een weinigje vroomheid heeft al ene grote uitwerking op krijgsknechten, maar er zou meer van in krijgsknechten gevonden worden, indien er meer van was in de bevelhebbers. De officieren van een leger, die zulk ene grote macht hebben over de soldaten, zoals wij bevinden, dat de centurion had, Mattheus 8:9, hebben ene kostelijke gelegenheid om den Godsdienst te bevorderen, of ten minste ondeugd en goddeloosheid tegen te gaan in hen, die onder hun bevelen staan, indien zij zich die gelegenheid slechts ten nutte willen maken. Merk op, dat deze centurion, als hij sommigen van zijne soldaten in zijn persoonlijken dienst wilde gebruiken, diegenen onder hen daartoe uitkoos, die Godzalig waren. Zij zullen bevorderd en ondersteund worden, ten einde ook anderen aan te moedigen tot Godsvrucht. Hij handelde naar David's regel, Psalm 101:6, Mijne ogen zullen zijn op de getrouwen in het land, dat zij bij mij zitten, die in den oprechten weg wandelt, die zal mij dienen.
3. Welke instructies hij hun gaf, vers 8. Hij verhaalde hun alles, sprak hun van het gezicht, dat hij gehad heeft, en de orders, die hij had ontvangen, om Petrus te ontbieden, omdat de komst van Petrus iets was, dat ook hun aanging, want ook zij hadden zielen, die behouden moesten worden. Daarom zegt hij hun niet slechts waar zij Petrus moeten zoeken (hij had wel kunnen denken, dat dit genoeg was, de dienstknecht weet niet wat zijn heer doet,) maar hij zegt hun waarvoor hij komen moet, opdat zij er bij hem op zullen aandringen.