Handelingen 21:8-14
Wij zien hier, hoe Paulus en zijn gezelschap eindelijk te Cesarea aankwamen, waar hij voornemens was enigen tijd te blijven, daar het de plaats was, waar het Evangelie het eerst aan de Heidenen gepredikt werd, en de Heilige Geest op hen was gevallen, Hoofdstuk 10:1, 44. Nu wordt ons hier gezegd:
1. Wie het was, die aan Paulus en zijne metgezellen te Cesarea gastvrijheid verleende. Slechts zelden behoefde hij zijn intrek te nemen in ene herberg, want overal waar hij kwam, was er de een of andere vriend, die hem welkom heette en herbergde. Merk op, dat zij, die zich te zamen hadden ingescheept, van elkaar scheidden, toen de reis volbracht was, al naar hun beroep of hun zaken dit medebrachten. Die belang hadden bij de cargo, bleven waar het schip den last zou ontladen, vers 4, anderen zijn, toen zij te Ptolemaïs aankwamen, gegaan waar hun zaken hen heenleidden, maar wij die met Paulus waren, gingen waar hij ging, en kwamen te Cesarea. Zij, die te zamen door deze wereld reizen, zullen bij den dood van elkaar scheiden, en dan zal het blijken, wie van Paulus' gezelschap zijn, bij hem behoren, en wie niet. Te Cesarea nu, werden zij ontvangen door Filippus den evangelist, dien wij vele jaren geleden te Cesarea hebben gelaten, nadat hij den kamerling had gedoopt, Hoofdstuk 8:40, en daar vinden wij hem nu weer. Oorspronkelijk was hij een diaken, een der zeven, die verkozen werden om de tafelen te dienen, Hoofdstuk 6:6. Thans was hij reeds sedert lang een evangelist, iemand, die rondging om gemeenten te stichten en te bewateren, zoals de apostelen dit ook deden, en, evenals zij, volhardde hij in het gebed en de bediening des woords, daar hij aldus in het ambt van diaken wèl gediend had, zich zelven een goeden opgang heeft verkregen, en getrouw geweest was in weinig is hij over veel gezet geworden. Hij had een huis te Cesarea, geschikt om er Paulus en zijne metgezellen in te ontvangen en te herbergen, en hij heeft hem en hen van harte welkom geheten. Gegaan zijnde in het huis van Filippus den evangelist, bleven wij bij hem. Aldus betaamt het Christenen en Evangeliedienaren, om, naar zij er toe in staat zijn, herbergzaam te zijn jegens elkaar, zonder murmureren, 1 Petrus 4:9.
2. Deze Filippus had vier dochters, nog maagden, die profeteerden, vers 9. Het geeft te kennen, dat zij Paulus' beproevingen te Jeruzalem profeteerden, zoals anderen gedaan hadden, en hem afrieden er heen te gaan, of wellicht hebben zij met het oog op de moeilijkheden, die hem daar wachtten, geprofeteerd ter zijner vertroosting en bemoediging. Hier was nu wederom ene vervulling van de profetie, Joël 2:28, van zulk ene overvloedige uitstorting van den Heiligen Geest over alle vlees, dat hun zonen en hun dochters zullen profeteren, dat is: toekomstige gebeurtenissen voorzeggen.
II. Ene duidelijke en volledige voorzegging van Paulus' lijden door een vermaarden profeet, vers 10, 11.
1. Paulus en zijne metgezellen bleven vele dagen te Cesarea. Misschien woonde Cornelius hier nog, en kon deze (hoewel Filippus hen herbergde) hun veel vriendelijkheid betoond hebben en hen overreed hebben daar nog te blijven. Wat Paulus bewogen heeft om daar zo lang te blijven en voor het laatste gedeelte van zijne reis naar Jeruzalem zo weinig haast te maken, terwijl hij in den beginne zo veel haast scheen te hebben, weten wij niet. Maar wij zijn er zeker van, dat hij dáár, evenmin als ergens anders, gebleven is, om er lui en ledig te zijn, hij mat zijn tijd bij dagen, en telde ze. 2. Er kwam een zeker profeet af van Judea, met name Agabus. Hij was dezelfde, van wie wij te voren gelezen hebben, dat hij afkwam van Jeruzalem te Antiochië om een' algemenen hongersnood te voorzeggen, Hoofdstuk 11:27, 28. Zie, hoe God Zijne gaven verschillend uitdeelt! Aan Paulus, als apostel, was gegeven het woord der wijsheid en der kennis, door den Geest, en de gave der gezondmaking, aan Agabus, en aan de dochters van Filippus, de gave der profetie door dezelfden Geest het voorzeggen van toekomstige gebeurtenissen, die naar zij voorzegd werden, ook geschied zijn. Zie 1 Corinthiërs 12:8, 10. Zodat hetgeen onder het Oude Testament de uitnemendste gave des Geestes was, nl. het voorzeggen van toekomstige gebeurtenissen, onder het Nieuwe Testament gans en al overschitterd werd door andere gaven, en geschonken werd aan personen van minder aanzien in de kerk. Agabus schijnt opzettelijk naar Cesarea gekomen te zijn, om Paulus dit bericht te brengen.
3. Hij voorzegde Paulus' banden te Jeruzalem,
a. Door een teken, zoals van ouds de profeten gedaan hebben, Jesaja, Hoofdstuk 20:2, 3, Jeremia Hoofdstuk 13:1, 27:2, -Ezechiël Hoofdstuk 4:1, 12:3, en nog vele anderen. Agabus nam den gordel van Paulus toen hij hem afgelegd had, of misschien nam hij hem wel van zijn lijf, en bonden zich zelven de handen mede, en daarna ook zijne voeten, of misschien heeft hij zich de handen en voeten samengebonden. Dit was bedoeld om de profetie te bevestigen-het zal zo zeker geschieden, alsof het reeds geschied was, en ook om hen, die er bij waren, een sterken indruk er van te geven, want hetgeen wij zien maakt gewoonlijk een sterkeren indruk op ons dan hetgeen, waar wij slechts van horen.
b. Door de verklaring van het teken, Dit zegt de Heilige Geest, de Geest der profetie: Den man wiens deze gordel is, zullen de Joden alzo te Jeruzalem binden, en -zo als zij met zijn' Meester gedaan hebben, Mattheus 20:18, 19- overleveren in de handen der Heidenen, zoals de Joden in andere plaatsen reeds al dien tijd gepoogd hebben te doen, door hem bij de Romeinse stadhouders aan te klagen. Aan Paulus is deze bijzondere waarschuwing of aankondiging gegeven omtrent de verdrukking, die hij te leiden zou hebben, opdat hij er zich op zou voorbereiden, en opdat, als het gekomen was, het hem gene verrassing en verschrikking zou zijn. De algemene kennis, die ons gegeven is, dat wij door vele verdrukkingen moeten ingaan in het koninkrijk Gods, moet op dezelfde wijze benuttigd worden.
III. Met welk een sterken aandrang zijne vrienden gepoogd hebben hem zijn heengaan naar Jeruzalem te ontraden, vers 12. Niet slechts zij, die van die plaats waren, maar ook wij, zijne metgezellen, en onder hen Lukas zelf, die dit dikwijls te voren gehoord hadden, en Paulus' vast besluit kenden om desniettemin derwaarts heen te gaan, baden hem met tranen, dat hij niet zou opgaan naar Jeruzalem, maar zich elders heen zou begeven. Nu bleek hieruit:
1. Een prijzenswaardige genegenheid voor Paulus en ene waardering van hem vanwege zijne grote nuttigheid voor de kerk. Godvruchtige mensen die zeer naarstig werkzaam zijn, hebben het wel eens nodig, dat men hen sterk aanraadt om zich niet te overwerken, en vrome mensen, die zeer kloekmoedig zijn, moet men wel eens er van terug zien te houden om zich al te zeer aan gevaar bloot te stellen. De Heere is voor het lichaam, en dat moeten ook wij zijn. 2. Toch was hierin ook wel enige zwakheid, inzonderheid bij hen, die Paulus' metgezellen waren, en die wisten, dat hij naar Goddelijke aanwijzing die reize had ondernomen, en gezien hadden hoe vastberaden hij te voren reeds dien tegenstand het hoofd had geboden. Maar wij zien in hen de zwakheid, die ons allen eigen is. Als wij moeilijkheid zien in de verte, en er slechts ene algemene kennisgeving van hebben ontvangen, dan tellen wij haar niet, kunnen er licht over denken, maar als die moeilijkheid nabij komt, dan beginnen wij er voor te huiveren en terug te deinzen. Nu komt het aan u en gij zijt verdrietig, het raakt tot u en gij wordt beroerd, Job 4:5.
IV. De heilige kloekmoedigheid en onversaagdheid, waarmee Paulus bij zijn besluit is gebleven, vers 13.
1. Hij bestraft hen wegens dit hun afraden. Hier is ene twisting der liefde van beide zijden, zeer oprechte en sterke genegenheden, die tegen elkaar indruisten. Zij hebben hem zeer lief, en daarom verzetten zij zich tegen zijn besluit. Hij heeft hen zeer lief, en daarom bestraft hij hen wegens hun tegenstand: Wat doet gij dat gij weent en mijn hart week maakt? Zij waren hem een aanstoot, zoals Petrus aan Christus geweest is, toen hij in soortgelijke omstandigheden zei: Meester! wees U genadig. Hun wenen om hem maakte hem het hart week.
a. Het was hem ene verzoeking, het schokte hem, het begon zijn besluit te verzwakken, blies hem gedachten in om voor den wind om te lopen. "Ik weet dat ik bestemd ben voor lijden, en gij behoorde mij aan te moedigen, mij te zeggen wat geschikt is om mijn hart te versterken, terwijl gij met uwe tranen mijn hart week maakt, en mij ontmoedigt. Hoe kunt gij dit toch doen? Heeft onze Meester ons niet geboden ons kruis op te nemen? En wilt gij dat ik het mijne uit den weg zal gaan?
b. Het was hem een last, een verdriet, dat zij zo ernstelijk bij hem aandrongen op iets, waarin hij hen niet ter wille kon zijn zonder zijn geweten geweld aan te doen. Paulus had een zeer teder gemoed, hij was zelf dikwijls in tranen, en zo had hij nu medelijden met zijne vrienden om hun tranen, zij maakten een diepen indruk op hem, en zij zouden hem er schier toe brengen om hun maar in alles toe te geven. Maar nu breekt het hem het hart dat hij genoodzaakt is zijn wenenden vrienden hun bede te ontzeggen. Het was ene onvriendelijke vriendelijkheid, een wreed medelijden, hem dus met hun afraden te kwellen, en droefenis toe te doen tot zijne smart. Als onze vrienden tot lijden worden geroepen, dan zullen wij hun onze liefde betonen door hen te vertroosten veeleer, dan door om hen te treuren, hen te bewenen. Doch merk op: Indien deze Christenen te Cesarea de bijzonderheden hadden kunnen voorzien van de gebeurtenis, wier algemene aankondiging zij met zo veel leedwezen hebben ontvangen, dan zouden zij er om huns zelfs wil meer verzoend mede geweest zijn, want toen Paulus te Jeruzalem tot een gevangene werd gemaakt, werd hij dadelijk naar Cesarea gezonden, dezelfde plaats, waar hij zich nu bevond, Hoofdstuk 23:33, en dáár is hij ten minste twee jaren gebleven, Hoofdstuk 24:27, en hij was een gevangene op vrije voeten, zoals blijkt uit Hoofdstuk 24:23, waar orders worden gegeven, dat hij verlichting zou hebben, vrijheid zou hebben om tot zijne vrienden te gaan, en dat zijne vrienden vrijheid zouden hebben om tot hem te komen, zodat de gemeente te Cesarea veel meer van Paulus' gezelschap en hulp hadden toen hij gevangen was, dan zij van hem gehad konden hebben, indien hij in vrijheid ware gebleven. Wat wij tegenstaan omdat wij denken, dat het tegen ons is, kan door Gods voorzienigheid zo geleid worden, dat het medewerkt ons ten goede, hetgeen ene reden is, waarom wij Gods voorzienigheid moeten volgen, maar niet moeten vrezen. 2. Hij herhaalt zijn besluit om desniettemin voorwaarts te gaan. "Wat doet gij, dat gij weent? Ik ben bereid alles te lijden wat mij opgelegd zal worden. Ik ben vast besloten te gaan, wat er ook van moge komen, en daarom dient het nergens toe, dat gij u er tegen verzet. Ik ben gewillig te lijden, waarom zijt gij dan onwillig, dat ik zou lijden? Ben ik mij zelven niet het naast, niet het geschiktst om zelf te oordelen? Indien het leed mij onbereid vond, dan zou het wezenlijk leed zijn, en dan zoudt gij kunnen wenen bij de gedachte er aan. Maar, geloofd zij God, het is zo niet. Het is mij zeer welkom, en daarom behoort het niet iets zo schrikkelijks voor u te zijn. Wat mij betreft, ik ben bereid - hetoimoos echo -ik houd mij gereed, zoals krijgsknechten voor een gevecht. "Ik verwacht leed en lijden, ik reken er op, het zal mij niet verrassen of overvallen. Van den beginne is mij gezegd, dat ik veel zal moeten lijden, Hoofdstuk 9:16. "Ik ben er op voorbereid, ik ben er op bereid door een zuiver geweten, een vast vertrouwen op God, ene heilige minachting van de wereld en het lichaam, een levend geloof in Christus, en ene blijde hope des eeuwigen levens. Ik kan het welkom heten, zoals wij een vriend welkom heten, dien wij verwachten, en voor wiens komst wij toebereidselen hebben gemaakt. Door genade kan ik het niet slechts dragen, maar er mij in verblijden." Zie nu: Hoe ver zijn besluit zich uitstrekt: Er is u gezegd, dat ik te Jeruzalem gebonden zal worden, en gij wilt, dat ik uit vrees hiervoor van Jeruzalem zal wegblijven. Ik zeg u, ik ben bereid niet alleen gebonden te worden, maar, indien het Gods wil is, ook te sterven te Jeruzalem, niet alleen mijne vrijheid te verliezen, maar ook mijn leven." Wij doen verstandig aan het ergste te denken, dat ons kan overkomen, en ons daarop te bereiden, opdat wij staan mogen volmaakt en volkomen in al den wil van God. Zie wat het is, dat hem aldus door helpt, dat hem gewillig maakt te lijden en te sterven, het is voor den naam des Heeren Jezus. Al wat iemand heeft zal hij geven voor zijn leven, maar het leven zelf zal Paulus geven voor den dienst en de ere van den naam van Christus.
V. De geduldige berusting van zijne vrienden in zijn besluit, vers 14.
1. Zij onderwierpen zich aan de wijsheid van een Godvruchtig man. Zij waren zo ver gegaan met de zaak als de betamelijkheid het toeliet, maar als hij zich niet liet afraden, hielden wij ons tevreden, drongen wij er niet langer bij hem op aan. Paulus weet het best wat hem te doen staat, en het betaamt ons om het hem over te laten, hem niet te laken om hetgeen hij doet, noch te zeggen, dat hij roekeloos is, of eigenzinnig, of gemelijk, een geest van tegenspraak heeft, zoals sommige mensen geneigd zijn te oordelen over hen, die niet precies willen doen wat zij wensen, dat zij doen zullen. Paulus moet ongetwijfeld ene goede reden hebben voor zijn besluit, al acht hij ook, dat hij die reden voor zich moet houden, en God heeft genaderijke doeleinden, die tot stand gebracht moeten worden door hem in zijn besluit te bevestigen. Het behoort tot de goede manieren om niet te lang en niet te sterk aan te dringen op het doen of het niet doen van iets bij hen, die zich niet willen laten afraden.
2. Zij onderwierpen zich aan den wil van een' goeden God. Wij hielden ons tevreden, zeggende: De wil des Heeren geschiede! Zij hebben zijne vastberadenheid niet voor halsstarrigheid gehouden, maar voor bereidwilligheid om te lijden, en geloofd, dat dit Gods wil was. Vader in den hemel, Uw wil geschiede, gelijk dit een regel is voor onze gebeden en voor onze handelingen, zo is het dit ook voor ons geduld. Dit kan wijzen:
a. Op Paulus' tegenwoordige standvastigheid, hij is onbuigzaam, niet te overreden, en hierin zien zij den wil des Heeren. "Hij is het, die dit vaste besluit in hem gewerkt heeft, en daarom berusten wij er in." In de neiging van het hart onzer vrienden of leraren, naar dezen of dien kant (en het zou naar een geheel anderen kant kunnen zijn, dan wij wel wensen) moeten wij de hand Gods zien en er ons aan onderwerpen.
b. Op zijn naderend lijden. "Indien er niets aan te doen is, dat Paulus zich aan gevangenschap wil gaan blootstellen: de wil des Heeren Jezus geschiede. Wij hebben alles gedaan wat wij konden om het te voorkomen, en nu geven wij het over aan God, wij geven het over aan Christus, aan wie de Vader al het oordeelheeft overgegeven, en daarom doen wij, niet gelijk wij willen, maar gelijk Hij wil." Als wij leed of beproeving zien komen, inzonderheid het leed, dat onze leraren tot zwijgen worden gebracht, of van ons weggenomen worden, dan betaamt het ons te zeggen: De wil des Heeren geschiede. God is wijs en weet alle dingen te doen medewerken, ons ten goede, en daarom: welkom zij ons Zijn heilige wil. Niet slechts: "De wil des Heeren moet geschieden, het is niet te verhelpen," maar, "De wil des Heeren geschiede, want Zijn wil is Zijne wijsheid, en Hij doet alles naar den raad Zijns willens, Hij doe dus met ons en de onzen zoals het goed is in Zijne ogen." Als het leed komt, dan moet dit onze smart verzachten, dat de wil des Heeren geschied is, als wij het zien komen, dan moet dit onze vrees tot zwijgen brengen: de wil des Heeren zal geschieden, waarop wij zeggen: Amen, hij geschiede!