Leviticus 5:7-13
Hier wordt een voorziening gemaakt voor de armen van Gods volk en de bevrediging van hun geweten onder schuldgevoel. Zij, die niet in staat waren een lam te brengen, mochten tot hun zondoffer een paar tortelduiven of twee jonge duiven brengen, ja indien iemand zó arm was, dat zij deze niet konden brengen zo dikwijls als er gelegenheid of aanleiding voor was, dan mocht hij het tiende deel van een efa meelbloem brengen, en dat zal aangenomen worden. Aldus waren de kosten van het zondoffer lager gebracht dan van enig ander offer, om ons te leren dat iemands armoede nooit een hinderpaal zal zijn voor zijn vergeving. Ook voor de armsten zal verzoening gedaan worden, indien het niet hun eigen schuld is. Aldus wordt de armen het Evangelie verkondigd, en niemand zal kunnen zeggen dat hij niet had om de onkosten van zijn reis naar de hemel te bestrijden.
1. Indien de zondaar nu twee duiven bracht, dan moest de ene als zondoffer geofferd worden en de andere als brandoffer, vers 7.
Merk op:
a. Eer hij het brandoffer offerde, dat tot eer en lof van God was, moest hij het zondoffer brengen, om verzoening te doen. Eerst moeten wij er voor zorgen vrede met God te hebben, en dan kunnen wij verwachten dat onze diensten tot Zijn eer aangenomen zullen worden. Het zondoffer moet de weg bereiden voor het brandoffer.
b. Na het zondoffer, dat verzoening deed, kwam het brandoffer als erkenning van de grote genade Gods, waarmee Hij de verzoening voorgeschreven en aangenomen heeft.
2. Indien hij meelbloem bracht, dan moest er een handvol van geofferd worden, doch zonder olie of wierook, vers 11, niet alleen omdat het daardoor te kostbaar zou worden voor de armen, voor wie deze bepaling gemaakt was, maar ook omdat het een zondoffer was. Om dus het walglijke te tonen van de zonde, waarvoor het geofferd werd, moet het noch aangenaam gemaakt worden voor de smaak door olie, noch voor de reuk door wierook. Het onsmakelijke van het offer moet de zondaar zeggen dat hij nooit meer, zoals tevoren, smaak moet hebben in zijn zonde. Door deze offeranden heeft God:
a. Van vertroosting gesproken tot hen, die gezondigd hadden, opdat zij niet zouden wanhopen, of verkwijnen in hun ongerechtigheid, maar nu aldus vrede voor hen gemaakt is met God, zij nu ook in Hem vrede zouden hebben.
b. hen gewaarschuwd om niet meer te zondigen, gedenkende op hoeveel onkosten en last de verzoening te staan is gekomen.