Lukas 11:37-54
Christus zegt hier vele van de dingen tot een Farizeeër en zijne gasten, in een bijzonder gesprek aan tafel, die Hij later in een openbare rede in den tempel heeft gezegd, Mattheus 23, want hetgeen Hij in het openbaar sprak kwam overeen met hetgeen Hij in afzonderlijke gesprekken zei, en had dezelfde strekking. Hij wilde niet zeggen in een hoek, in het verborgen, wat Hij niet in het openbaar zou durven zeggen en handhaven, en evenmin wilde Hij bestraffingen richten tot zondaren in het algemeen, die Hij niet in het bijzonder op hen zou durven toepassen, als Hij hen ontmoette, want Hij was en is de getrouwe Getuige. Wij zien hier:
I. Hoe Christus ten middagmaal inging bij een Farizeeër, die Hem beleefdelijk hiertoe had uitgenodigd, vers 37. Als Hij dit sprak, terwijl Hij nog sprak, heeft een zeker Farizeeër het verzoek tot Hem gericht om het middagmaal bij hem te komen eten, en dat wel terstond, want het was etenstijd. Wij willen gaarne hopen, dat de Farizeeër zo ingenomen was met Christus' rede, dat hij Hem ene vriendelijkheid en achting wilde betonen, en dat hij verlangde naar meer van Zijn bijzijn, dat hij Hem daarom uitnodigde en Hem in waarheid welkom heette. Toch hebben wij wel enige reden om te vermoeden, dat het met een boze bedoeling was, om Zijne rede voor de scharen af te breken, en de gelegenheid te hebben om Hem te verstrikken en iets uit Hem te krijgen, dat aanleiding kon geven om Hem te beschuldigen en te smaden, vers 53, 54. Wij kennen de bedoeling niet van dezen Farizeeër, maar, welke die ook was, Christus kende haar. Indien hij kwaad bedoelde, dan zal hij te weten komen dat Christus hem niet vreest, indien hij goed bedoelde, dan zal hij bemerken dat Christus bereid is hem goed te doen, en zo ging Hij in en zat aan. Christus' discipelen moeten van Hem leren om vriendelijk en gezellig te wezen, niet somber of gemelijk, niet stug of stuurs te zijn. Ofschoon wij voorzichtigheid moeten betrachten ten opzichte van de mensen met wie wij omgaan, behoeven wij daarom niet stijf en streng te zijn, en moeten wij niet uit de wereld gaan.
II. Hoe de Farizeeër er zich aan ergerde-gelijk lieden van zijne soort zich hierom ook aan de discipelen hadden geërgerd-dat Christus niet eerst, voor het middagmaal, zich gewassen had, vers 38. Hij verwonderde zich dat een zo heilig man, een profeet, een man van zoveel Godsvrucht en zo strengen levenswandel, aan tafel ging zonder vooraf zijne handen gewassen te hebben, inzonderheid nu hij uit zo gemengd gezelschap kwam, en daar er toch in des Farizeeërs eetzaal ongetwijfeld alle benodigdheden voor gereed stonden, zodat hij niet behoefde te vrezen moeite of last te veroorzaken, en de Farizeeër zelf en al zijne gasten zich voorzeker gewassen hebben, zodat het dan niet vreemd, of zonderling zou schijnen, indien hij het deed. Waarom heeft hij zich dan niet gewassen? Welk kwaad zou hij er mede gedaan hebben? Was het dan niet door de regelen der kerk voorgeschreven? Zo was het, en daarom heeft Christus het niet willen doen, omdat Hij wilde getuigen tegen hun aanmatiging om iets als een Godsdienstige handeling verplichtend te stellen, dat God hun niet had geboden. De ceremoniële wet bestond in onderscheidene wassingen, maar deze wassing behoorde daar niet toe, en daarom wilde Christus haar niet verrichten, zelfs niet uit inschikkelijkheid jegens den Farizeeër, die Hem had genodigd, en ofschoon Hij wist dat Zijn nalaten er van ergernis zou geven.
III. De scherpe bestraffing, die Christus, naar aanleiding hiervan, aan de Farizeeën heeft gegeven, zonder verontschuldiging te vragen, zelfs aan den Farizeeër, wiens gast Hij nu was, want ten opzichte van het boze moeten wij ook onze beste vrienden niet sparen. 1. Hij bestraft hen omdat zij Godsdienstigheid legden in dingen, die slechts uitwendig zijn en onder het oog vallen van den mens, terwijl die, welke de ziel aangaan en onder het oog Gods vallen, niet slechts door hen achtergesteld, maar geheel teniet gedaan werden, vers 39, 40. Merk hier nu op:
a. De ongerijmdheid, waaraan zij zich schuldig maakten: "Gij Farizeeën, gij reinigt slechts de buitenzijde: gij wast uwe handen met water, maar gij wast uw hart niet van boosheid, dit is vol van begeerlijkheid en boosheid, begeerlijkheid naar der mensen bezittingen, en boosheid, kwaadwilligheid, jegens goede mensen." Diegenen kunnen nooit als zindelijke dienstboden beschouwd worden, die slechts de buitenzijde van den drinkbeker reinigen, waaruit hun meesters drinken, of van den schotel, waarvan zij eten, en er niet om geven de binnenzijde te reinigen, terwijl het vuil, dat zich daar bevindt, toch van onmiddellijken invloed is op hetgeen hij eet en drinkt. Bij elke Godsdienstige verrichting is de gemoedsgesteldheid als het binnenste van den beker en den schotel, de onreinheid daarvan besmet de handeling, om ons dus van ergerlijke, gruwelijke misdaden te onthouden, terwijl wij toch onder de heerschappij leven van geestelijke slechtheid, is een even grote belediging van God, als het een belediging zou zijn van een meester, als zijn dienstknecht hem een beker zou geven, die van buiten van alle stof en onreinheid ontdaan is, maar van binnen vol van spinnen en spinrag is. "Roof en boosheid," dat is: heersende wereldsgezindheid, en heersende kwaadaardigheid, waarvoor de mensen denken wel een dekmantel te kunnen vinden, zijn de gevaarlijke, doemwaardige zonden van velen, die het buitenste van den drinkbeker gereinigd hebben van de grovere, meer ergerlijke en onverschoonlijke zonden van hoererij en dronkenschap.
b. Een bijzonder voorbeeld van het ongerijmde er van: Gij onverstandigen! die het buitenste heeft gemaakt, heeft Hij niet ook het binnenste gemaakt? vers 40. Heeft niet die God, die in de wet van Mozes onderscheidene ceremoniële wassingen heeft verordend, waarmee gij u rechtvaardigt in deze handelingen, die gij het volk oplegt, niet ook verordineerd dat gij uw hart zoudt reinigen? Hij, die wetten heeft gemaakt voor hetgeen van buiten is, heeft Hij niet juist in deze wetten nog meer bedoeld hetgeen van binnen is, en door andere wetten getoond hoe weinig acht Hij sloeg op de reiniging van het vlees en het wegdoen van het vuile daarvan, indien het hart niet gereinigd is? Of, het kan betrekking hebben op God, niet slechts als Wetgever, maar (hetgeen de woorden veeleer schijnen aan te duiden) als Schepper. Heeft niet God, die ons dit lichaam gemaakt heet (en het is op een heel vreeslijke wijze wonderbaarlijk gemaakt), ook de ziel gemaakt, die op nog vreeslijker wijze en nog wonderbaarlijker gemaakt is? indien Hij nu beiden gemaakt heeft, dan verwacht Hij terecht, dat wij voor beiden zullen zorg dragen, en dus niet alleen het lichaam zullen wassen, waarvan Hij de formeerder is, en de handen zullen wassen ter ere van Zijn werk, maar den geest zullen reinigen, waarvan Hij de Vader is, en het hart gereinigd zullen krijgen van de melaatsheid, die er in is. Hieraan heeft Hij een regel toegevoegd, om onze tijdelijke zegeningen en gerieflijkheden rein voor ons te maken, vers 41. "In plaats van uwe handen te wassen voor gij gaat eten: geeft aalmoes van zulke dingen als gij hebt" (ta enonta -van zulke dingen als u voorgezet zijn, en bij u zijn), "laat de armen er hun deel van hebben, en dan zijn alle dingen u rein, en kunt gij ze met een gevoel van aangenaamheid gebruiken." Hier is een duidelijke toespeling op de wet van Mozes, die er in voorzag dat zekere gedeelten van de inkomsten van hun land aan den Leviet, den vreemdeling, den wees en de weduwe gegeven zouden worden, en als dat gedaan was, dan was hetgeen zij voor hun eigen gebruik hadden, hun rein, en konden zij in het geloof er een zegen over vragen, Deuteronomium 26:12-15. Dan kunnen wij goedsmoeds de gaven van Gods goedheid zelf genieten, als wij delen zenden degenen, voor welken niets bereid is, Nehemia 8:11. Job heeft zijn bete niet alleen gegeten, maar de wees heeft er van mede gegeten, en zo was zij hem rein, Job 31:17, dat is, geoorloofd om gebruikt te worden, en dan alleen kan zij ook met aangenaamheid worden gebruikt. Wat wij hebben is het onze niet, tenzij God er van heeft wat Hem toekomt, en het is door vrijgevigheid aan de armen, dat wij de vrijheid kunnen hebben om van onze tijdelijke zegeningen te genieten.
2. Hij bestraft hen om hun nadruk-leggen op beuzelingen, terwijl zij de gewichtiger zaken der wet veronachtzaamden, vers 42. Zij waren zeer nauwkeurig in het onderhouden van die wetten, welke slechts betrekking hadden op de middelen van den Godsdienst, inzonderheid die, welke betrekking hadden op het onderhoud der priesters: Gij vertient munte en ruite, betaalt die tienden ten volle in natura, en scheept de priesters niet af met een modus decimandi, of ene schikking. Hierdoor verkregen zij onder het volk den naam van nauwgezette waarnemers der wet, en invloed bij de priesters, die de macht hadden om hun menige vriendelijkheid te bewijzen, geen wonder dus zo priesters en Farizeeën er op uit waren elkanders handen te sterken. Nu veroordeelt Christus hen niet om die nauwgezetheid in het betalen der tienden, (dit moest men doen) maar omdat zij dachten dat dit ene vergoeding kon wezen voor hun verwaarlozen van grotere plichten, want
a. Die wetten, welke betrekking hebben op het essentiële van den Godsdienst, hebben zij als niets geacht. Gij gaat voorbij het oordeel en de liefde Gods. Gij stelt het u niet tot gewetensplicht om aan de mensen te geven wat hun toekomt en aan God uw hart.
3. Hij bestraft hen wegens hun hoogmoed en hun ijdelheid, hun hechten aan voorrang en den lof van mensen, vers 43 :Gij bemint het voorgestoelte in de synagogen, of consistories, (waar de ouderlingen vergaderden voor de regering der kerk), indien gij die zetels niet hebt, gaat uwe eerzucht er naar uit om ze te verkrijgen, indien gij ze hebt, zijt gij er trots op, en gij bemint de begroetingen op de markten, om de eerbewijzingen van het volk te ontvangen." Het is niet het zitten in de voorgestoelten, of het ontvangen van begroetingen, dat bestraft wordt, maar het beminnen er van.
4. Hij bestraft hen wegens hun geveinsdheid en hun verbloemen van de boosheid van hun hart en de goddeloosheid van hun leven ouder een schoonschijnend voorgeven, vers 44. "Gij zijt gelijk de graven, overgroeid met gras, die daardoor niet openbaar zijn, en de mensen, die daarover wandelen, weten het niet, waardoor zij de ceremoniële verontreiniging kunnen opdoen, die naar de wet veroorzaakt werd door een graf aan te raken." Deze Farizeeën waren van binnen vol van gruwelen, zoals een graf vol is van bederf, vol van begeerlijkheid, afgunst en boosaardigheid, maar wisten dit zo kunstig te verbergen onder een schijn van vroomheid, dat het niet openbaar werd, zodat zij, die met hen omgingen en hun leer volgden, besmet werden met zonde, bederf en slechte zeden, zonder dat zij, wegens hun schijn van vroomheid, gevaar van hen vreesden. De besmetting drong zich in en werd onmerkbaar overgenomen, en zij, die aldus besmet werden, dachten volstrekt niet dat zij zich in een gevaarlijken toestand bevonden.
IV. Zijn getuigenis ook tegen de wetgeleerden, of schriftgeleerden, die er zich op toelegden de wet te verklaren in overeenstemming met de inzetting der ouden, gelijk de Farizeeën de wet waarnamen naar deze inzetting.
1. Een van dezen heeft kwalijk genomen wat Christus tegen de Farizeeën had gezegd, vers 45, Meester, als gij deze dingen zegt, zo doet gij ook ons smaadheid aan, want wij zijn schriftgeleerden, zijn wij nu daarom geveinsden?" Het is iets gans gewoons, dat onverootmoedigde zondaren bestraffing smaadheid noemen. Het is de wijsheid van hen, die begeren hun zonde gedood te zien, om een goed gebruik te maken van smaadheid, die uit kwaadwilligheid voortkomt, en haar aldus in bestraffing te verkeren. Indien wij op die wijze van onze gebreken kunnen horen, en ze kunnen
verbeteren, dan is het wel, maar het is de dwaasheid van hen, die gehuwd zijn aan hun zonden en besloten zijn er niet van te scheiden, om een slecht gebruik te maken van de getrouwe en vriendelijke vermaningen, die hun gegeven worden en voortkomen uit liefde, en er hun hartstochten door te laten opwekken, alsof zij als smaadheid bedoeld waren, zich vertoornen tegen hun bestraffers, en zich rechtvaardigen in hun afwijzen van de bestraffing. Zo klaagde de profeet, Jeremia 6:10 :Het woord des Heeren is hun tot een smaad, zij hebben geen lust daartoe. Deze wetgeleerde omhelsde de zaak van den Farizeeër, en zo maakte hij zich tot deelgenoot in zijne zonde.
2. Hierop begon onze Heere Jezus hen te bestraffen, vers 46 :Wee ook u, wetgeleerden, en wederom, vers 52, Wee u, gij wetgeleerden! Zij achtten zich zalig in het aanzien, dat zij genoten bij het volk, dat hen voor gelukkige mensen hield, omdat zij de wet bestudeerden, er steeds mede bezig en vertrouwd waren, en de eer genoten van het volk te onderwijzen in de kennis er van, maar Christus riep wee over hen, want Hij ziet niet zoals de mens ziet. Dit was rechtvaardig jegens hem, die den Farizeeër voorstond en met Christus twistte, omdat Hij hem bestraft had. Zij, die zich vertoornen om de bestraffing aan anderen, en die bestraffing beschouwen als ene smaadheid, hun zelven aangedaan, verkrijgen hierdoor niets dan een wee over zich zelven.
a. De wetgeleerden worden bestraft, omdat zij de diensten der Godsverering voor anderen zwaarder en voor zich zelven lichter maakten dan God ze gemaakt heeft, vers 46 :Gij belast de mensen met lasten, zwaar om te dragen, door uwe inzettingen, die hun vele vrijheden ontnemen, welke God hun had toegestaan, en hen verplichten tot velerlei slavernij, die God hun nooit had opgelegd, en dit om uw gezag te doen gelden en het volk in ontzag voor u te houden, en zelf raakt gij die lasten niet aan met een van uwe vingeren, dat is: Gij wilt er uzelven niet mede belasten, noch u gebonden achten door de beperkingen, waarmee gij anderen belemmert. Door de omheiningen, die zij om de wet wilden maken, wilden zij zich den schijn geven voor een zeer nauwgezette waarneming der wet te zijn, maar zo gij hun praktijken kon zien, zoudt gij bevinden, dat zij zelf niet alleen niets om die heiningen geven, maar zich ook om de wet zelf niet bekommeren, zoals men zegt dat de biechtvaders in de Roomse kerk met hun biechtelingen doen. Gij wilt ze niet verlichten voor hen, over wie gij macht hebt, gij wilt ze niet aanraken, dat is: om ze of af te schaffen, of er vrijstelling van te geven wanneer zij bezwarend worden voor het volk. Zij zullen wel beide handen gebruiken om zich vrijstelling te verschaffen van een wet Gods, maar geen vinger uitsteken om het strenge te verzachten van de inzettingen der ouden.
b. Zij worden bestraft wegens hun voorwenden van eerbied voor de nagedachtenis der profeten, die door hun vaderen gedood werden, terwijl zij toch diegenen van hun eigen tijd haatten en vervolgden, die met een zelfde boodschap tot hen gezonden waren, namelijk om hen tot be- kering te roepen en hen op Christus te wijzen, vers 47-49. Onder meer voorgeven van vroomheid hebben deze geveinsden ook de graven der profeten gebouwd, dat is: zij hebben gedenktekenen opgericht op hun graf, ter eervolle nagedachtenis van hen, waarschijnlijk met breedvoerige opschriften vol van hogen lof van hen. Zij waren niet zo bijgelovig om hun overblijfselen als iets heiligs te bewaren en te vereren, of te denken dat hun gebeden Gode welbehaaglijker zouden zijn als zij die opzonden van de graven der martelaren: zij hebben geen wierook voor hen gebrand, of tot hen gebeden, of bij God gepleit op hun verdiensten, die goddeloosheid hebben zij aan hun geveinsdheid niet toegevoegd. Maar, alsof zij zich als de kinderen der profeten erkenden, hun erfgenamen en uitvoerders van hun wilsbeschikking, hebben zij de monumenten, die aan hun nagedachtenis gewijd waren, hersteld en versierd. In weerwil hiervan, hadden zij een ingekankerden haat tegen diegenen van hun eigen tijd, die in den geest en de kracht dezer profeten tot hen kwamen, en hoewel zij de gelegenheid nog niet hadden om daar heel ver in te gaan, zullen zij het toch spoedig genoeg doen, want de wijsheid Gods zei, dat is, Christus zelf heeft het aldus verordineerd en heeft het nu voorzegd, dat zij de profeten en apostelen, die tot hen gezonden werden, zullen vervolgen en doden. De wijsheid Gods zal hen aldus op de proef stellen en hun hatelijke geveinsdheid aan het licht brengen, door hun profeten te zenden, om hen te bestraffen wegens hun zonden en hen te waarschuwen voor de oordelen Gods. Deze profeten zullen zich als apostelen, of boden, gezonden van den hemel bewijzen door tekenen, en wonderen, en gaven des Heiligen Geestes. Of, Ik zal hun profeten zenden onder den titel en de benaming van apostelen, die toch met evenveel gezag zullen optreden als de oude profeten, en dezen zullen zij niet slechts tegenspreken en tegenstaan, maar vervolgen en doden. Christus voorzag dit, en toch heeft Hij gehandeld zoals het der wijsheid Gods betaamde in hen te zenden, want Hij wist hoe dit zou uitlopen ter Zijner verheerlijking, door de vergelding zowel van de vervolgers als van de vervolgden in den toekomenden staat. Dat God daarom een andere betekenis zal hechten aan hun bouwen der graven van de profeten, dan wat zij voorgaven er mede te bedoelen, en het zal verklaard worden als hun instemming met de daden hunner vaderen, vers 45, want, daar het uit hun tegenwoordige handelingen bleek, dat zij geen rechte waardering hadden van hun profeten, zal aan het bouwen hunner graven die betekenis worden gegeven, dat zij besloten waren hen in hun graven te houden, die er door hun vaderen heen gedreven werden. Josia, die in werkelijkheid achting en waardering had voor de profeten, achtte het genoeg om het graf van den man Gods te Bethel niet te verstoren: Dat niemand zijne beenderen verroere, 2 Koningen 23:17, 18. Indien deze wetgeleerden verder willen gaan met de zaak, en hun graven willen bouwen, dan is dit zulk een overdrijving, dat zij een boze bedoeling doet vermoeden, namelijk dat zij dienen moet om er een bozen aanslag tegen de profetie zelf mede te bemantelen. zoals de kus van een verrader, als die zijn vriend zegent met luider stem, zich des morgens vroeg opmakende, het zal hem tot een vloek gerekend worden, Spreuken 27:14. Dat zij niet anders moeten verwachten dan gerekend te worden als degenen, die de maat der vervolging vol maken, vers 50, 51. Zij houden dien handel als het ware bij erfopvolging aan, en daarom zijn zij verantwoordelijk voor de schuld der firma, de schuld namelijk, die zij is aangegaan van het bloed van Abel, toen de wereld begon, tot het bloed van Zacharia, en zo verder tot aan het einde van den Joodsen staat, het zal afgeëist worden van dit geslacht, dit laatste geslacht van de Joden, wier zonde in het vervolgen van Christus' apostelen al de zonden van dien aard zal overtreffen, waaraan hun vaderen zich hebben schuldig gemaakt, en aldus den toorn over zich zullen brengen tot het einde, 1 Thessalonicenzen 2:15. Hun verwoesting door de Romeinen was zo ontzettend, dat zij geacht kon worden de voltooiing te zijn geweest van Gods wraak over dat vervolgende geslacht.
c. Zij worden bestraft wegens hun tegenstaan van het Evangelie van Christus, en omdat zij alles deden wat zij slechts konden om er den voortgang en den voorspoed van te verhinderen, vers 52. Zij hadden niet, volgens den plicht van hun ambt, die schriften van het Oude Testament getrouwelijk voor het volk verklaard, die op den Messias wezen. Indien de wetgeleerden hen ingeleid hadden in het rechte begrip dier schriften, dan zouden zij Hem en Zijne leer geredelijk hebben aangenomen, maar in plaats hiervan hebben zij die Schriftuurplaatsen verdorven en verwrongen, en als het ware een nevel voor de ogen des volks doen ontstaan door hun verdorven uitleggingen ervan. En dat wordt genoemd het wegnemen van den sleutel der kennis, in plaats van dien sleutel te gebruiken voor het volk, en hen te helpen om hem op de rechte wijze te gebruiken, zij hebben hem voor hen verborgen, en dat wordt in Mattheus genoemd het koninkrijk der hemelen te sluiten voor de mensen, Mattheus 23:13. Zij, die den sleutel der kennis wegnemen, sluiten het koninkrijk der hemelen. Zij hebben zelf het Evangelie van Christus niet omhelsd, ofschoon zij door hun bekendheid met het Oude Testament wel moesten weten dat de tijd was vervuld en dat het koninkrijk Gods nabij was gekomen. Zij zagen de profetieën vervuld in dat koninkrijk, dat onze Heere Jezus stond op te richten, en toch wilden zij zelf er niet ingaan. Ja meer. zij deden al wat zij konden om hen, die zonder hun leiding of hulp ingingen, te hinderen en te ontmoedigen, door hen te dreigen dat zij hen zouden uitwerpen uit de synagoge en door hen op andere wijze te verschrikken. Het is slecht voor een volk om afkerig te zijn van openbaring, maar erger nog is het, om er tegenstander van te zijn. Eindelijk: Aan het einde van het hoofdstuk wordt ons gezegd met welk een boosaardigheid de Schriftgeleerden en Farizeeën Hem lagen legden, vers 53, 54. Zij konden die scherpe bestraffingen niet verdragen, die zij toch moesten erkennen rechtvaardig te zijn, maar om wat Hij in het bijzonder tot hen gezegd had, kon Hij niet vervolgd worden, en evenmin konden zij er een halsstraffelijke beschuldiging op gronden, daarom hebben zij, wijl Zijne bestraffingen in warme bewoordingen waren uitgedrukt, gehoopt Hem tot drift te kunnen prikkelen. Zij begonnen hard aan te houden, Hem met woede aan te vallen, om Hem van vele dingen te doen spreken, Hem netelige kwesties voor te stellen, Hem lagen leggende om iets van Hem te horen, dat dienstbaar kon zijn aan hun plan om Hem gehaat te maken bij het volk, of tot een doorn in het oog der regering. Aldus hebben zij gelegenheid tegen Hem gezocht, evenals David's vijanden, die den gansen dag zijne woorden verdraaiden, Psalm 56:6. Een Belialsman graaft kwaad. Getrouwe bestraffers van zonde moeten verwachten vele vijanden te hebben, en moeten een wacht zetten voor hun mond, van wege hun verspieders, die acht nemen op hun hinking. De profeet klaagt over degenen in zijn tijd, die een mens schuldig maken om een woord, en leggen dien strikken, die hen bestraft in de poort, Jesaja 29:21. Laat ons, om beproevingen van dien aard met geduld te verdragen en er met voorzichtigheid door heen te komen, dezen aanmerken, die zodanig een tegenspreken van de zondaren tegen zich heeft verdragen.