Exodus 9:13-21
Hier is een algemene verklaring van de toorn van God tegen Farao vanwege zijn hardnekkigheid. Hoewel God zijn hart verhard heeft, vers 12, moet Mozes toch telkens weer met Gods eis tot hem komen. God weerhoudt Zijn genade, maar eist toch gehoorzaamheid om hem te straffen voor zijn eis aan de kinderen van Israël om tichelstenen te maken, terwijl hij hun het daartoe benodigde stro weigerde. God wilde ook een voorbeeld tonen van lankmoedigheid, en hoe Hij wacht om een ongehoorzaam en tegensprekend volk genadig te zijn. Zesmaal is de eis tevergeefs gedaan, maar Mozes moet hem voor de zevende maal doen: Laat Mijn volk trekken, vers 13.
Aan Mozes wordt bevolen hem, hetzij dat hij het horen zal, hetzij dat hij het laten zal, een schrikkelijke boodschap te brengen.
1. Hij moet hem zeggen dat hij ten verderve is opgeschreven, dat hij nu ten doelwit gesteld wordt, waarop God al de pijlen van Zijn toorn zal afschieten, vers 14, 15. Ditmaal zal Ik al Mijn plagen zenden. Nu er in Farao geen plaats is voor berouw, kan niets zijn volkomen verderf afwenden, want dat alleen, namelijk berouw, had het kunnen afweren. Nu God begint zijn hart te verharden, is zijn toestand hopeloos. "Ik zal Mijn plagen in uw hart zenden, niet slechts tijdelijke plagen op uw lichaam, maar geestelijke plagen in uw ziel." God kan plagen zenden in het hart, hetzij door het ongevoelig hetzij door het hopeloos te maken-en dat zijn de ergste plagen. Farao moet nu geen verademing verwachten, geen wapenstilstand, niets anders dan door plaag op plaag te worden vervolgd, totdat hij helemaal verteerd is. Als God oordeelt, zal Hij overwinnen, niemand heeft ooit zijn hart tegen Hem verhard en voorspoed gehad.
2. Hij moet hem zeggen dat hij in de geschiedenis vermeld zal blijven als een gedenkteken van Gods gerechtigheid en van de sterkte van Zijn toorn, vers 16 "Daarom heb Ik u verwekt op de troon in deze tijd, en u totnutoe de schok van de plagen doen doorstaan, ten einde in u Mijn macht te tonen." Godsvoorzienigheid heeft het zo beschikt, dat Mozes met een man van zo'n woest, halsstarrig karakter had te handelen, en bij die onderhandeling was alles zo geregeld, dat het een bij uitnemendheid gedenkwaardig voorbeeld werd van de macht, die God had in het vernederen en ten onder te brengen van de hoogmoedigste van Zijn vijanden. Alles heeft er toe medegewerkt om te doen uitkomen, dat Gods naam, dat is: Zijn onbetwistbare opperheerschappij, Zijn onweerstaanbare macht, en Zijn onbuigzame gerechtigheid, op de gehele aarde bekend zal gemaakt worden, niet slechts aan alle plaatsen, maar door alle eeuwen, zolang de aarde bestaat. God heft soms zeer slechte mensen op tot eer en macht, spaart hen lang, en laat hen ondraaglijk onbeschaamd en onbeschoft worden, opdat Hij des te meer verheerlijkt zal worden in hun eindelijk verderf. Zie hoe de naburige volken in die tijd God verheerlijkt hebben in het verderf van Farao, Hoofdstuk 18:11. Nu weet ik, zei Jethro toen, dat de Heer groter is dan alle goden. De apostel verklaart Gods soevereiniteit met dit voorbeeld, Romeinen 9:17. Ten einde God in deze voornemens en besluiten te rechtvaardigen, wordt aan Mozes bevolen hem te vragen, vers 17 :Verheft gij uzelf nog tegen Mijn volk? Farao was een groot koning, Gods volk bestond op zijn best genomen, uit arme herders, en nu uit arme slaven en toch zal Farao tot de ondergang worden gebracht, als hij zichzelf tegen hen verheft want dat wordt dan beschouwd als een zichzelf verheffen tegen God. Het was niet de eerste maal, dat Hij om hunnentwil koningen heeft bestraft. Laat hen weten, dat Hij Zijn volk niet zal laten vertreden en beledigen, ja zelfs niet door de machtigsten onder hen. II. Hier is een bijzondere voorzegging van de plaag van de hagel, vers 18, en een genaderijke raad aan Farao en zijn volk om hun knechten en hun vee uit het veld te doen komen, teneinde beschut te zijn tegen de hagel, vers 19. Als Gods gerechtigheid verderf dreigt, toont Zijn goedertierenheid terzelfder tijd een weg ter ontkoming er van, zó weinig wil Hij dat iemand zal omkomen. Zie hier welke zorg God droeg, niet slechts om te onderscheiden tussen Egyptenaren en Israëlieten, maar ook tussen sommige Egyptenaren en anderen. Indien Farao niet wil toegeven en aldus het oordeel zelf voorkomen, zal toch aan hen, die nog enige vrees voor God hebben en nog beven voor Zijn woord, gelegenheid gegeven worden om er zich voor te behoeden van in het oordeel te delen. Zij, die de waarschuwing ter harte nemen, kunnen zich beschutten, en zij, die haar niet ter harte nemen, hebben het zichzelf te wijten, indien zij onder de overvloeiende gesel vallen, en onder de hagel, die de toevlucht van de leugen zal wegvagen, Jesaja 28:17. Zie de verschillende uitwerking van deze waarschuwing.
1. Sommigen vreesden het woord van de Heer en deden hun knechten en hun vee in de hulzen vluchten. vers 20, zoals Noach gedaan heeft, Hebreeën 11:7, en het was verstandig van hen. Zelfs onder Farao's knechten waren sommigen, die beefden voor het woord van God, en zullen de zonen van Israël er dan niet voor beven? Maar:
2. Anderen geloofden het niet, ofschoon bij iedere plaag die Mozes voorzegd had, de voorzegging juist en nauwkeurig uitkwam, en of schoon, al meenden zij ook redenen te hebben om hieraan te twijfelen, het hun geen grote schade gedaan zou hebben om hun vee voor een dag in huis te houden, en zij dus, al ware de zaak ook twijfelachtig geweest, de veiliger weg gekozen zouden hebben, maar zij waren roekeloos genoeg, om in trotsering van de waarheid, van Mozes en de macht van God (en van beide hadden zij, tot hun schade, al ervaring genoeg) hun vee op het veld te laten, daar Farao zelf hun waarschijnlijk het voorbeeld van die trotse vermetelheid had gegeven, vers 21. Hardnekkig ongeloof is doof voor iedere eerlijke waarschuwing en de verstandigste raad, en zo blijft het bloed van hen, die omkomen, op hun eigen hoofd.