Exodus 7:14-25
Hier is de eerste van de tien plagen: het water werd in bloed verkeerd. Dit was:
1. Een ontzettende en zeer zware plaag: eenvoudig het gezicht van zo'n grote daar stromende rivier van bloed, zuiver bloed hoogrood ongetwijfeld, moest het volk wel met afgrijzen vervullen, maar de gevolgen er van waren nog veel erger. Niets is meer algemeen dan water, zo wijs heeft de voorzienigheid van God het beschikt en zo vriendelijk, dat hetgeen zo nodig is voor het menselijke leven goedkoop en bijna overal te verkrijgen is, maar nu moeten de Egyptenaren òf bloed drinken, of van dorst sterven. Zeer veel van hun voedsel bestond uit vis, Numeri 11:5, maar de verandering van het water was de dood voor de vissen, het was een verderf in dat element vers 21, de vis stierf. In de zondvloed zijn de vissen aan de dood opkomen, omdat zij toen misschien niet zoveel bijgedragen hebben tot de weelde van de mensen als later, maar in dit bijzonder oordeel zijn ze omgekomen, Psalm 105:29, "Hij doodde hun vissen." En als lang daarna Egypte met een andere verwoesting wordt bedreigd, wordt zeer bijzonder de teleurstelling opgemerkt van hen, die vijvers voor de vissen maken, Jesaja 19:10. Egypte was een aangenaam land, maar de hinderlijke stank van dode vissen, die langzamerhand tot bederf overgaan, heeft het toen zeer onaangenaam gemaakt.
2. Het was een rechtvaardige plaag, waarmee de Egyptenaren rechtvaardig bezocht werden. Want:
a. De Nijl, de rivier van Egypte, was hun afgod. Zij en hun land ontleenden er zoveel voordeel aan, dat zij er meer eer aan bewezen dan aan de Schepper. Daar de ware bron en oorsprong van de Nijl hun onbekend was, bewezen zij alle eer aan zijn wateren, daarom heeft God hen hier gestraft, en datgene in bloed veranderd, waarvan zij een god hadden gemaakt. Het schepsel, dat wij verafgoden, neemt God rechtvaardig van ons weg, of Hij maakt het ons tot bitterheid. Wat wij tot een mededinger van Hem maken, maakt Hij tot een gesel voor ons.
b. Zij hadden de rivier roodgekleurd met het bloed van de Hebreeuwse kinderen, en nu heeft God de rivier geheel bloed doen worden, en zo gaf Hij hun bloed te drinken, want zij waren het waardig, Openbaring 16:6. Er heeft nooit iemand dorst gehad naar bloed, of hij heeft er vroeg of laat genoeg van gehad.
c. Het was een betekenisvolle plaag. Egypte was grotelijks afhankelijk van zijn rivier, Zacheria 14:18, zodat zij in dat slaan van de rivier bedreigd werden met de vernietiging van al de voortbrengselen van hun land, totdat het eindelijk kwam tot hun eerstgeborenen, en deze rode rivier een ontzettend voorteken werd van de ondergang van Farao en geheel zijn krijgsmacht in de Rode Zee. Op deze plaag van Egypte wordt gewezen in de voorzegging van het verderf van de vijanden van de Nieuw Testamentische kerk, Openbaring 16:3, 4. Maar daar wordt de zee, zowel als de rivieren en waterfonteinen, in bloed veranderd want geestelijke oordelen reiken verder en treffen dieper, dan tijdelijke oordelen. Eindelijk, laat mij ten opzichte van deze plaag, in het algemeen opmerken, dat een van de eerste wonderen, door Mozes gewrocht, was het veranderen van water in bloed, maar dat een van de eerste wonderen, gewrocht door onze Heere Jezus bestond in het veranderen van water in wijn want de wet is door Mozes gegeven, en zij was een bedeling van dood en verschrikking, maar genade en waarheid, die, evenals wijn, het hart verheugen, is door Jezus Christus geworden.
Nu wordt: I. Aan Mozes bevel gegeven om aan Farao kennis te geven, dat deze plaag komen zou. Farao's hart is zwaar, vers 14, ga dus tot hem en beproef, wat dit zal uitwerken om het te verzachten, vers 15. Mozes zal wellicht niet in Farao's audiëntiezaal, waar hij gehoor verleent aan de gezanten, worden toegelaten, daarom wordt hem bevolen, hem aan de oever van de rivier op te wachten, waar God voorzag dat hij die morgen komen zou, hetzij voor een aangename morgenwandeling, of om er zijn aanbidding van de rivier te verrichten, (want aldus zullen alle volken wandelen, een ieder in de naam van zijn god, zij zullen niet falen hun god iedere morgen aanbidding toe te brengen. Daar moet Mozes hem opnieuw opeisen om zich te onderwerpen, en hem, zo hij mocht weigeren, het oordeel aankondigen hetwelk in dat geval over de rivier komen zal, aan welke oever zij nu stonden. Er wordt hem aldus tevoren kennis van gegeven, opdat zij niet kunnen zeggen dat het bij toeval was, of het aan een andere oorzaak zouden toeschrijven, maar het zou blijken geschied te zijn door de macht van de God van de Hebreeën, en als straf voor hun hardnekkigheid. Aan Mozes wordt uitdrukkelijk geboden de staf mee te nemen opdat Farao bij het zien van die staf zou schrikken, die nog zo kortelings over de staven van de tovenaars had gezegevierd. Nu kunnen wij hieruit leren:
1. Dat de oordelenvan God Hem van tevoren bekend zijn. Hij weet, wat Hij doen zal in toorn, zowel als in genade. Iedere verdelging is een bepaalde, verordineerde verdelging, Jesaja 10:23.
2. Dat de mensen niet ontkomen kunnen aan de verschrikkingen van de toornvan God, omdat zij niet buiten het gehoor van hun eigen geweten kunnen komen, Hij, die hun hart gemaakt heeft, kan maken dat Zijn zwaard het treft.
3. Dat God waarschuwt, voordat Hij wondt, want Hij is lankmoedig, niet begerende dat iemand omkomt, maar dat allen tot bekering komen.
II. Aäron, die de staf droeg, krijgt bevel om de plaag te doen komen. door de rivier met de staf te slaan, vers 19, 20. Het geschiedde onder de ogen van Farao en zijn dienaren, want de ware wonderen van God werden niet gewrocht zoals de leugenwonderen van Satan door hen, die daar piepten en mompelden, de waarheid zoekt geen schuilhoeken. Onmiddellijk werd een verbazingwekkende verandering gewrocht, al de wateren, niet slechts het water in de rivier, maar ook in al hun vijvers en poelen, werd in bloed veranderd.
1. Zie hier de almachtige kracht van God. Elk schepsel is datgeen voor ons, wat Hij het doet zijn, water of bloed.
2. Zie de veranderlijkheid van alle dingen onder de zon. Wat heden water is, kan morgen bloed zijn, hetgeen altijd ijdel is, kan weldra verdrietelijk of kwellend worden. Een rivier is, op zijn best genomen, voorbijgaand, maar de goddelijke gerechtigheid kan haar schadelijk maken.
3. Zie welk een kwaad de zonde doet. Als de dingen, die ons tot lieflijkheid zijn geweest, blijken een kruis voor ons te zijn, dan hebben wij dit onszelf te wijten. Het is de zonde, die water in bloed verandert.
III. Farao poogt het wonder het hoofd te bieden, omdat hij besloten is zich niet te verootmoedigen onder de plaag. Hij zendt om de tovenaars, en onder Gods toelating doen zij met hun bezweringen het wonder na, vers 22, en dit strekt aan Farao tot een voorwendsel om zijn hart ook daar niet op te zetten, vers 23, en het was wel een zeer armzalig voorwendsel. Indien zij de rivier van bloed weer in water hadden kunnen veranderen, dan zou dit inderdaad een wonder geweest zijn, dan zouden zij hun macht hebben getoond, en Farao zou hun verplicht zijn geweest als zijn weldoeners. Maar dat zij, toen er zo'n schaarste van water was, er nog meer van in bloed veranderden, alleen maar om hun kunst te tonen geeft duidelijk te kennen, dat het slechts het doel is van de duivel zijn volgelingen te misleiden, niet hun een wezenlijke vriendelijkheid te bewijzen, maar hen te beletten om zichzelf een wezenlijke vriendelijkheid te bewijzen door zich te bekeren en zich tot God te wenden.
IV. Intussen zoeken de Egyptenaren hulp en verlichting tegen deze plaag, door rondom de rivier te graven om drinkwater te vinden, vers 24. Waarschijnlijk hebben zij met grote moeite ook wel wat water gevonden, daar God in het midden van Zijn toorn gedacht aan zijn barmhartigheid, want Hij is vol van ontferming, en wilde de onderdanen niet al te veel laten lijden voor de hardnekkigheid van hun koning.
V. De plaag duurde zeven dagen, vers 25. Gedurende al die tijd heeft het hoogmoedige hart van Farao hem niet eens toegelaten om Mozes te verzoeken, dat hij zou bidden om de opheffing er van. "Zo leggen zij, die met het hart huichelachtig zijn, toorn op, zij roepen niet als Hij hen gebonden heeft," Job 36:13. Geen wonder dus, dat Zijn toorn niet wordt afgewend, maar dat Zijn hand nog uitgestrekt is.