Exodus 6:1-8
I. God geeft hier aan Mozes nadere instructies, opdat hij en het volk van Israël aangemoedigd zouden worden om te hopen op een heerlijke uitkomst van deze zaak. Ontleen troost:
1. Aan de NAAM Jehova, vers 1, 2. Hij begint met dit: "Ik ben Jehova," hetzelfde als: "Ik ben die Ik ben," de fontein van het zijn of bestaan, zaligheid en oneindige volkomenheid. De patriarchen kenden die NAAM, maar zij kenden hem in deze zaak niet in zijn betekenis. God wilde thans bekend zijn bij Zijn NAAM Jehova, dat is:
a. Een God, die volbrengt wat Hij heeft beloofd, en aldus vertrouwen geeft in Zijn beloften.
b. Een God, die voleindigt wat Hij heeft begonnen Zijn eigen werk voleindigt. In de geschiedenis van de schepping wordt God nooit Jehova genoemd, voordat de hemel en de aarde gemaakt waren, Genesis 2:4. Als de zaligheid van de heiligen vervolmaakt is in het eeuwige leven, dan zal Hij gekend wezen bij Zijn NAAM Jehova, Openbaring 22:13, en intussen zullen zij Hem voor hun kracht en ondersteuning, El-Shaddai een almachtige, algenoegzame God bevinden, Micha 7:20.
2. Aan Zijn Verbond, vers 3. Ik heb Mijn Verbond met hen opgericht. De verbonden, die God maakt, zijn opgericht, zo vastgesteld als Gods macht en waarheid ze vaststellen kan. Wij kunnen er ons alles op wagen.
3. Aan Zijn mededogen, vers 4. Ook heb Ik gehoord het gekerm van de kinderen Israëls, Hij bedoelt het gekerm bij gelegenheid van de laatste verdrukking, die hun aangedaan was. God neemt nota van de toeneming van de rampen van Zijn volk, en merkt op hoe hun vijanden machtig over hen worden.
4. Aan Zijn tegenwoordig voornemen en besluit, vers 5-7 Hier is regel op regel, om hun te verzekeren dat zij triomfantelijk uitgevoerd zullen worden uit Egypte, vers 5, en in het bezit zullen gesteld worden van het land Kanaän, vers 7. Ik zal ulieden uitleiden, Ik zal u redden, Ik zal u verlossen, Ik zal ulieden brengen in dat land, en Ik zal het ulieder geven. Laat de mens zich schamen wegens zijn ongeloof, dat zulke herhalingen nodig maakt en laat aan God de eer worden toegebracht voor Zijn neerbuigende genade, die ons die herhaalde verzekeringen schenkt tot onze geruststelling en voldoening.
5. Aan Zijn genadige bedoelingen in dit alles, die groot waren en Hem betaamden, vers 6.
a. Hij bedoelde hun geluk: Ik zal ulieden tot Mijn volk aannemen, een bijzonder volk, en Ik zal u tot een God zijn, meer dan dit behoeven wij niet te vragen, kunnen wij niet hebben, om ons gelukkig te maken.
b. Hij bedoelde Zijn eigen heerlijkheid: Gijlieden zult erkennen dat Ik de HEERE, uw God ben. God zal Zijn eigen doeleinden tot stand brengen, en wij zullen er niet bij tekortkomen, indien ook wij Zijn eer voornamelijk op het oog hebben. Nu zou men zo denken dat deze goede woorden, deze troostrijke woorden de ontmoedigde Israëlieten opgebeurd zouden hebben, zodat zij er hun ellende door vergaten, maar het tegendeel geschiedde. Hun ellende maakte hen onverschillig voor Gods beloften, vers 8, zij hoorden naar Mozes niet vanwege de benauwdheid van de geest. Dat is: a.a Zij waren zo vervuld van hun moeilijkheden, dat zij geen acht op hem gaven.
b.b Zij waren zo terneergeslagen door de teleurstellingen, die zij nu kortelings hadden ondervonden, dat zij hem niet geloofden.
c.c Zij waren zo bang voor Farao's macht en toorn, dat zij niet de minste stap durfden doen, die tot hun bevrijding leiden kon. Als de mensen zo helemaal terneergeslagen zijn, doen zij de vertroostingen van zich weg, die hun deel zouden kunnen zijn, en zo staan zij zichzelf in het licht. Zie Jesaja 28:12. Sterke hartstochten stellen zich tegen sterke vertroostingen. Door toegeven aan ontevredenheid en gemelijkheid beroven wij ons van de vertroosting, die wij zouden kunnen ontvangen uit Gods woord en van Zijn voorzienigheid, en zo hebben wij het dan onszelf te wijten, als wij ongetroost zijn.