Exodus 36:1-7
Wij zien hier:
I. Dat de werklieden zich zonder uitstel aan de arbeid begaven. Toen werkten zij, vers 1. Toen God hen bekwaam gemaakt had voor het werk, hebben zij er zich terstond toe begeven. De talenten, die ons toevertrouwd zijn, moeten niet opgelegd maar besteed worden, niet verborgen in een zweetdoek, maar gebruikt om er handel mede te doen. Waarvoor hebben wij al onze gaven, indien niet om er goed mede te doen? Zij begonnen toen Mozes hen riep, vers 2. Zelfs zij, die door God bekwaam werden gemaakt voor de dienst van de tabernakel, en wier hart Hij er toe geneigd heeft, moeten toch wachten op een regelmatige roeping er voor hetzij een buitengewone, zoals die van predikers en apostelen, of een gewone, zoals die van herders en leraars. En merk op wie zij waren, die Mozes riep, zij waren het in wier hart God wijsheid gegeven had voor dat doel, boven hun natuurlijke aanleg of bekwaamheid, en wier hart hen bewogen had dat zij toetraden tot het werk om dat te maken, met alle ernst en voortvarendheid. Diegenen worden geroepen voor het bouwen van de evangelie tabernakel, die God door Zijn genade geschikt heeft gemaakt voor het werk, en die vrij zijn om zich er toe te begeven. Bekwaamheid en gewilligheid (met vastberadenheid) zijn de twee zaken, die in aanmerking komen bij het roepen van leraren. Heeft God hun niet slechts kennis, maar ook wijsheid gegeven? Want zij, die zielen willen vangen, moeten wijs zijn, hun hart moet hen bewegen om tot het werk te komen, en niet slechts tot de eer, om het te doen, en niet alleen om er over te praten. Laat hen er toe komen met een vast voornemen des harten, en ermee voortgaan.
De materialen, die het volk gegeven had werden door Mozes aan de werklieden overgegeven, vers 3. Zij konden geen tabernakel scheppen, dat is: hem uit niets maken, en zij konden niet werken, of zij moesten iets hebben om op te werken, wij bevinden, dat het volk de materialen tot Mozes bracht, en dat Mozes ze de werklieden in handen gaf. Kostelijke zielen zijn de materialen van den evangelie tabernakel, zij worden gebouwd tot een geestelijk huis, I Petrus 2:5, te dien einde moeten zij zich tot een vrijwillig offer aan de Heere brengen, tot Zijn dienst, Romeinen 15:16, en dan worden zij overgegeven aan de zorg van Zijn dienstknechten als bouwers, om geformeerd en bewerkt te worden tot hun stichting en toeneming in heiligheid, totdat zij allen, evenals de gordijnen van de tabernakel, komen "tot de eenheid van het geloof om een heilige tempel te zijn in de Heer" Efeziers 2:21, 22, 4:12, 13.
II. De bijdragen gestuit. Het volk bracht nog iedere morgen vrijwillig offer, vers 3. Wij moeten het altijd tot ons ochtendwerk maken om de Heer onze offeranden te brengen, de geestelijke offeranden van gebed en lofzegging, en een verbroken hart, dat zich geheel en al aan de Heer overgeeft. Dat is het, hetwelk de plicht van iedere dag eist. Gods ontfermingen zijn elke morgen nieuw, en dat behoren ook onze offeranden te zijn. Waarschijnlijk waren er sommigen, die in het eerst traag waren om hun offeranden te brengen, maar de ijver van hun buren heeft hen opgewekt en beschaamd gemaakt. De ijver van sommigen heeft er velen verwekt. Er zijn mensen, die tevreden zijn om te volgen, maar niet graag voorgaan in een goed werk. Het beste is om ijverig te zijn, maar: beter laat dan nooit. Of wellicht waren er sommigen, die reeds bij het begin geofferd hebben, maar bij het nadenken er over er genoegen in smaakten en nu nog meer offerden, zó ver was het van hen om spijt te hebben van hetgeen zij geofferd hadden dat zij hun contributie verdubbelden. Geef aldus in liefde en barmhartigheid een deel aan zeven, ja ook aan acht, veel gegeven hebbende, geef nog meer. Let nu op: 1. De eerlijkheid van de werklieden. Toen zij hun berekening hadden gemaakt voor het werk en bevonden dat er reeds genoeg materialen voor waren, maar dat het volk er mee voortging, en nog altijd meer bracht, gingen zij allen tezamen tot Mozes om hem te zeggen, dat er geen bijdragen meer nodig waren, vers 4, 5. Indien zij het hunne hadden gezocht. dan hadden zij nu een mooie gelegenheid om zich te verrijken met de gaven van het volk want zij zouden het werk hebben kunnen maken en wat er overbleef tot hun eigen voordeel hebben kunnen aanwenden als emolumenten aan hun betrekking verbonden. Maar het waren mannen van oprechtheid, die het verachtten om zo iets mins te doen, als het volk uit te zuigen, en zich te verrijken met hetgeen geofferd werd aan de Heer. Het zijn wel de grootste bedriegers, die bedriegers zijn van het volk en het publiek benadelen. Indien velen te vermoorden erger is dan een enkelen te vermoorden dan is het, naar diezelfde regel, een veel groter misdaad om kerk of staat te beroven, dan om een enkele persoon te bestelen. Maar deze werklieden waren niet slechts bereid om rekenschap te geven van hetgeen zij hadden ontvangen, maar zij wilden niet meer ontvangen dan zij nog nodig hadden, opdat zij niet of in verzoeking, of onder verdenking zouden komen, van het voor zichzelf te nemen. Dezen waren mannen, die wisten wanneer zij genoeg hadden.
2. De vrijgevigheid van het volk. Hoewel zij zagen hoe zeer veel reeds bijgedragen was, bleven zij toch nog meer offeranden brengen totdat het hun bij proclamatie verboden werd, vers 6, 7. Een zeldzaam geval! De meesten hebben een prikkel nodig om hen tot liefdadigheid te bewegen, weinigen slechts hebben een teugel nodig om er hen in tegen te gaan, maar deze hier hadden behoefte aan die teugel. Had Mozes er naar gestreefd zich te verrijken, hij zou hen hebben laten voortgaan met hun offeranden te brengen, om, toen het werk gedaan was, wat er overbleef voor zich te houden, maar ook hij stelde het belang van het publiek boven zijn eigen belang, en hierin was hij een goed voorbeeld voor allen, die een post van vertrouwen bekleden. In vers 6 wordt gezegd, dat het volk teruggehouden werd van meer te brengen, zij beschouwden het als een dwang, die hun werd opgelegd om niet meer te mogen doen voor den tabernakel, zo groot was de ijver van deze mensen, die gaven naar hun vermogen, ja boven hun vermogen, de collectanten "met vele vermaning biddende, dat zij de gaven zouden aannemen", 2 Corinthiërs 8:3, 4. Dat waren de vruchten van een eerste liefde, maar in deze laatste tijden is de liefde zozeer verkild, dat wij er zulke dingen niet van kunnen verwachten.