2 Corinthiërs 8:1-6
Hier merken wij op:
I. De apostel neemt aanleiding uit het goede voorbeeld van de gemeenten in Macedonië, dat is van Filippi, Thessalonica, Berea en de overigen in de gewesten van Macedonië, om de Corinthiërs en de Christenen in Achaje op te wekken tot dit goede liefdewerk, en:
1. Deelt hun mede de grote milddadigheid dezer gemeenten, welke hij noemt de genade Gods, welke aan die gemeenten gegeven is, vers 1. Sommigen menen dat men in deze woorden moet lezen: de gave, welke God door de gemeenten gegeven heeft. Hij bedoelt zeker de milde giften van deze gemeenten, welke de genade of de gave Gods genoemd worden, hetzij omdat ze zeer groot waren, hetzij omdat hun liefde voor de arme heiligen haar oorsprong vond in God als de bewerker en verzeld ging van liefde tot God, die er in geopenbaard werd. De genade Gods moet erkend worden als wortel en bron van alle goeds, dat in ons is of te eniger tijd door ons verricht wordt, en het is grote genade en gunst, door God ons bewezen, wanneer wij nuttig zijn mogen voor anderen en enig goed werk tot stand brengen.
2. Hij verhaalt hun van de liefde der Macedoniërs en stelt die in zeer gunstig licht. Hij zegt hun:
A. Dat zij slechts in lagen stand verkeerden en ofschoon zelf verdrukt, bijgedragen hadden tot tegemoetkoming van anderen. Zij waren in vele beproeving en zeer diepe armoede, vers 2. Het was voor hen een tijd van zware verdrukking zoals men zien kan in Handelingen 18:17. De Christenen in die streken werden slecht behandeld, hetgeen hen tot diepe armoede bracht, maar, wijl zij temidden van hun beproevingen overvloed van blijdschap hadden, waren zij ook overvloedig in goeddadigheid, zij gaven van hun weinigje, vertrouwende dat God in hun behoeften voorzien en het wel met hen maken zou.
B. Zij gaven zeer mild, uit den rijkdom hunner goeddadigheid, vers 2, dat is: zo mild alsof ze rijk geweest waren. Alles wèl beschouwd, was hun bijdrage groot, zij was naar, ja boven hun vermogen, vers 3, zoveel als van hen verwacht kon worden, indien niet meer dan dat. Mensen zullen wellicht zulke onvoorzichtigheid afkeuren, maar God heeft welgevallen aan den vromen ijver van hen, die in ware werken van godsvrucht en goeddadigheid boven hun vermogen gaan.
C. Zij waren zeer bereid en voortvarend in dit goede werk. Zij waren gewillig, vers 3, en het was er zover vandaan, dat Paulus hen met veel beweegredenen er toe brengen moest, dat zij hem met vele vermaning baden, de gave aan te nemen, vers 4. Het schijnt dat Paulus niet genegen was deze opdracht te aanvaarden, want hij wilde zich geven aan het Woord en het gebed, ook kan het zijn dat hij overwoog hoe gretig zijn vijanden alle gelegenheden aangrepen om hem verwijtingen te doen en hem zwart te maken, en aanleiding zouden zoeken tegen hem omdat zulk een grote som in zijn handen gesteld werd, om hem te verdenken en te beschuldigen van onvoorzichtigheid en partijdigheid bij de verdeling, indien niet van erger onrecht. Hoe voorzichtig behoren de dienaren te zijn, vooral in geldzaken, om geen aanleiding te geven aan hen, die tot kwaadspreken oorzaak zoeken! D. Hun goeddadigheid was geworteld in ware godsvrucht, en dat was er de grote aanbeveling van. Zij volvoerden dit werk op de rechte wijze. Zij gaven zich zelven eerst aan den Heere en daarna aan ons, en aan ons hun bijdragen door den wil van God, vers 5, dat is, zoals Gods wil was dat ze doen zouden, bereid om in deze Gods wil te volbrengen tot Zijne eer. Dit had, naar het schijnt, de verwachting des apostels overtroffen, het was meer dan hij gehoopt had, zulke warme en godzalige liefde in de Macedoniërs te zien uitblinken, en dit goede werk met zoveel toewijding en ernst verricht te zien. Plechtig, gezamenlijk, eenstemming gaven zij opnieuw zich zelven en al wat zij hadden aan den Heere Jezus Christus. Zij hadden dit vroeger gedaan, maar bij deze gelegenheid deden zij het opnieuw, hun bijdragen tot Gods verheerlijking heiligende door eerst zich zelven aan den Heere te geven. Wij kunnen niet beter over ons zelven beschikken, dan door ons aan God te geven. Indien wij ons zelven aan den Heere geven, geven wij Hem al wat we hebben, om er naar Zijn welbehagen over te beschikken. Wat wij gebruiken of afzonderen voor God, het is altijd slechts Hem Zijn eigendom teruggeven. Hetgeen wij voor liefdadige doeleinden bestemmen en gebruiken, zal niet door God aangenomen en ons ten zegen gedijen, indien wij niet vooraf ons zelven aan den Heere geven.
II. De apostel deelt hun mede, dat hij Titus vermaand heeft om te gaan en bij hen een inzameling te houden, vers 6, daar hij wist dat Titus bij hen in aanzien stond. Hij had vroeger een vriendelijke ontvangst bij hen genoten. Zij hadden hem veel toegenegenheid getoond en hij had veel liefde voor hen. Daarbij had Titus dit werk onder hen reeds begonnen en was hij dus begerig het te voleindigen. Zodat hij alles samen genomen, de geschikte man voor dit doel was, en daar zulk een goed werk reeds door zo bekwame hand zo voorspoedig gegaan was, zou het jammer zijn het niet voort te zetten en te voltooien. Het is een bewijs van wijsheid de meest-geschikte werktuigen te kiezen voor een werk dat we behoorlijk wensen te verrichten, en ook het werk der liefdadigheid zal gewoonlijk het best slagen wanneer men de meest-geschikte personen uitzendt om de gaven te verzamelen en te verdelen.