18. En wij allen, in tegenstelling tot de ongelovige Joden, die zich nog aan Mozes houden (
vers 14 v.), met ongedekt aangezicht (omdat de Heere voor ons zonder bedeksel, komt, zoals ook wij zonder dat tegenover Hemstaan) (
Vers 15), de heerlijkheid van de Heere als in een spiegel aanschouwend, omdat het zien van de volle heerlijkheid van God voor het volgend leven bewaard blijft, zijn zoveel hoger begenadigd dan de Israëlieten. Bovendien worden wij naar hetzelfde beeld (
2 Petrus 1:9) in gedaante veranderd, want wij zien het beeld niet alleen in de spiegel, maar het drukt zich tegelijk af in ons hart en wel worden wij opgeleid van heerlijkheid tot heerlijkheid (
Johannes 1:16.
Romeinen 8:29.
Galaten 4:19.
1 Johannes 3:2), als de Geest van de Heere, die de Werkmeester is van elke eeuwige en hemelse zegen.
Wij hebben hier een treffende tegenstelling tussen de staat van de Joden en de staat van de Christenen. Evenals namelijk de apostel heeft aangewezen, dat op hart en ogen van de Joden een deksel ligt, zodat zij bij het lezen van het Oude Testament het einde van de wet niet opmerken, zo kent hij nu integendeel de Christenen het ware licht van de kennis toe, bij welks beschrijving hij terugwijst op het vroeger aangevoerde geschiedkundige beeld. Want evenals Mozes wel zijn aangezicht bedekte, als hij voor het volk kwam, maar, zodra hij inging in de tabernakel en zich tot de Heere wendde, met ongedekt aangezicht de heerlijkheid van de Heere aanschouwde, zo, zegt Paulus, zijn wij Christenen niet verblind naar de manier van de Joden, maar zien in de heerlijkheid van de Heere, die ons uit de spiegel van het Evangelie tegenstraalt. En evenals Mozes in verborgen omgang kwam met God, zodat Zijn aangezicht van een nieuw licht glinsterde, zo worden wij, terwijl wij in de allerzuiverste spiegel van het Evangelie de heerlijkheid van de hemelse Vader in Zijn genadig aangezicht aanschouwen, ook zelf door lichtstralen verlicht en naar Zijn beeld vernieuwd, dat zich van de een heerlijkheid tot de andere, d. i. in voortdurend toenemen in ons openbaart.
Het beeld van de Heere, dat zich aan ons in een spiegel vertoont, blijft niet buiten ons, maar het is een levend beeld, dat zich krachtig afdrukt in onze inwendige mens (in tegenstelling tegen het beeld van de wet in stenen ingedrukt, Vers 7), zodat de trekken van de Heere, de schoonsten onder de mensenkinderen, kunnen worden aanschouwd in het beeld van al Zijn heiligen, die opgroeien tot de volkomen man, welke daar is in de mate van de volkomen ouderdom van Christus (Efeze 4:13). Deze kostelijke spreuk staat juist op de juiste plaats in de brief van Paulus, die het helderst van allen, het beeld van deze mens van God in Christus afspiegelt.
De zin van dit verheven maar duister vers zou men bij omschrijving dus kunnen bepalen: "wij allen, door de Geest van de Heere tot vrijheid geroepen, bezitten dezelfde voorrechten als Mozes, die de sluier van zijn gelaat aflegde toen hij tot God inging. Wanneer wij onze voorrechten indachtig, met ongedekt aangezicht de heerlijkheid van de Heere aanschouwen in de spiegel, waaruit haar stralen worden teruggekaatst, dan worden wij naar het beeld, dat wij in die spiegel aanschouwen (naar Christus het beeld van God, Hoofdstuk 4:4) heerlijk in gedaante veranderd; heerlijker nog dan Mozes, wiens aangezicht slechts glinsterde; want wij worden zelf dat beeld gelijkvormig, door de invloed van dat Evangelie, dat men in gelijke zin het Evangelie van de Heere of van de Geest noemen kan. Een andere verklaring van deze woorden kan juister zijn, maar een minder krachtige dulden de uitdrukkingen van de apostel niet. (V. D. PALM).
Ieder woelt hier om verandering; waarom is en blijft dan zo menigeen ongezind om tot één, de grootste en meest gezegende verandering, die van hart en leven te komen? Van haar gewaagt Paulus, naar aanleiding van hetgeen hij zo-even aangaande het eigenaardig voorrecht van Mozes na het afdalen van de berg van de wetgeving schreef. Toen blonk zijn gelaat zo sterk van de naglans van de hemelse heerlijkheid, die hem in Gods gemeenschap omschenen had, dat hij terwille van de kinderen Israëls een tijdlang een bekleedsel op zijn aangezicht leggen moest, zoals er in geestelijke zin nog voortdurend op het gelaat van de ongelovige Joden bleef rusten, zo vaak zij in Mozes lazen, zonder te verstaan, dat hij van Christus gesproken had. Hoe groot was tegenover deze blinden, het voorrecht van alle gelovigen! "Wij allen", schrijft de apostel zonder de minste beperking "de heerlijkheid van de Heere", dat is van de verhoogde Christus "met ongedekt aangezicht" onbelemmerd en vrij, "als in een spiegel aanschouwend", kennelijk denkt hij aan de spiegel van het Evangelie, waarin hem het beeld van de Heiland in onbevlekte luister getoond werd, "worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd", wij nemen er, ten gevolge van die aanschouwing van over; het beeld waarop wij staren, drukt ongevoelig in ons hart en leven zich af en die verandering gaat voort "van heerlijkheid tot heerlijkheid; " zij bereikt gedurig hogere trap, "als van de Geest van de Heere", dat is zoals zich niet anders verwachten laat van, zo staat er letterlijk: "de Heer van de Geest", van die Heere, die zelf deze herschepping bewerkt en oppermachtig over de gaven van de Heilige Geest beschikt. Zinrijk woord en heerlijke zaak, die er door aangeduid wordt! Is er hoger voorrecht denkbaar, dan de apostel hier met kennelijke ingenomenheid roemt? Een heldere aanschouwing van het heerlijkste, dat wij ons voorstellen kunnen, de heerlijkheid van Christus, in de spiegel van een onthuld en vervuld Evangelie! Een zichtbare verandering van ons innerlijk en uiterlijk leven door Hemzelf bewerkt, op wiens beeld wij onophoudelijk staren een gehele herschepping, omdat Zijn Geest in ons uitstroomt en uit het graf van de oude een nieuwe mens doet verrijzen. Een toenemende verheerlijking, omdat wij vergeten wat achter is en zoeken wat boven is; en bovenal begeren wat eeuwig is. En dit alles, naar Paulus woord, reeds hier beneden aanvankelijk het deel, niet van enkelen slechts, maar van allen, die zeggen kunnen: "Jezus leeft in mij! " O zeker, zo was het bij Paulus zelf en bij zo velen, die zijn voetstappen drukten; zo kan het nog zijn, waar het geloof een levende kracht een kracht ten leven geworden is, zo moest het wezen ook bij ons, die in diepe ootmoed ons discipelen noemen van de grote, de eeuwige Meester. En toch, wie voelt niet hoe oneindig ver Hij beneden die hoogte bleef staan, die hier de hand van de apostel hem aanwijst? Van naam-Christenen of dubbelhartigen spreken wij niet, maar ook zelfs dan, wanneer het goede werk in het hart is begonnen, hoe vaak moeten wij, als wij geheel oprecht willen zijn, van het tegendeel gewagen van wat hier wordt genoemd en geroemd: Geen waarachtige doortastende verandering nog, maar in zo menig opzicht de oude mens gebleven; geen voortgang in heiligmaking, maar stilstand veeleer, als maar niet volslagen teruggang; geen gelijkvormigheid aan de tweede Adam in één woord, maar oneindig veel, dat aan de eerste doet denken. En toch om het even, of het ons vrijspreekt of veroordeelt, het staat er, dit woord van de apostel en al stond het er niet, ons eigen hart zou het zeggen; een Christendom zonder hartsverandering; een bekering zonder openbaring van waarachtig leven naar buiten; een groei, waarbij de bloesems nooit tot vruchten worden, kan onmogelijk het waarachtig, het God welgevallig Christendom zijn. Vanwaar mag het dan komen, dat wij een woord als dit onmogelijk zonder schaamte en onrust over onszelf herlezen kunnen? Ach, aan de spiegel ligt het wel niet; nog altijd blinkt in het Evangelie de heerlijkheid van het Christusbeeld, voor elke verdichting te hoog. Maar het ligt te meer aan het oog, dat zo vaak door de sluier van ongeloof en aardsgezindheid bedekt wordt en ja nu en dan in de spiegel wel staart, maar met een vluchtige, onopmerkzame blik, zonder dat aan het beeld de tijd wordt gelaten om zich als af te drukken in de kleine wereld daar binnen. In een rusteloze zee kan de zon haar gelaat niet weerkaatsen, wel in de kalme, klare, effen beek; was het hart meer aan het laatste gelijk, ook het leven zou anders zijn en dat woord van heerlijkheid tot heerlijkheid niet als iets onbereikbaars ons tegenklinken, maar de uitdrukking worden van een zalige werkelijkheid, die zelf weer heenwijst naar hoger. Heere, laat de Geest van het leven, die U heeft beloofd en geschonken, elke dood in en rondom ons overwinnen!