Exodus 32:21-29
Nadat Mozes zijn rechtvaardige toorn getoond had vanwege de zonde van Israël, door de tafelen te verbreken en het kalf te verbranden, gaat hij er nu toe over om met de zondaren af te rekenen en hen ter verantwoording te roepen, hierin handelende als vertegenwoordiger van God, die niet slechts een heilig God is en de zonde haat, maar een rechtvaardig God, en door Zijn eer gehouden is om haar te straffen, Jesaja 59:18.
I. Hij begint met Aaron, zoals God begon met Adam, omdat hij de voornaamste persoon was, hoewel niet de eerste in de overtreding, maar er toe overgehaald werd.
Merk hier op:
1. De rechtmatige bestraffing, die Mozes hem geeft. vers 21. Hij beveelt niet dat hij gedood zal worden, zoals zij, die de aanstokers zijn geweest van de zonde, vers 27. Er zal een zeer groot verschil gemaakt worden tussen hen, die zich hoogmoedig in de zonde gestort hebben, en hen, die er in zwakheid als door verrast en overvallen werden, tussen hen, die de ongerechtigheid nalopen als zij van hen vliedt, en hen, die overvallen worden door de zonde, waarvoor zij vlieden, zie Galaten 6:1. Niet dat Aaron niet verdiend had afgesneden te worden vanwege deze zonde, en ook afgesneden zou zijn, indien Mozes niet met name voor hem voorbede had gedaan, zoals blijkt uit Deuteronomium 9:20. En nadat hij bij God overwonnen had om hem te redden van het verderf, brengt hij hem hier zijn zonde onder het oog, teneinde hem tot berouw en bekering te brengen. Hij wil Aaron doen nadenken
a. Over hetgeen hij gedaan had aan zijn volk. Gij hebt zo'n grote zonde over het volk gebracht. De zonde van de afgoderij is een grote zonde, zó'n grote zonde, dat het boze er van niet uitgedrukt kan worden. Van het volk, als de eerste voorstellers er van, kan gezegd worden dat het de zonde over Aaron heeft gebracht, doch waar hij een magistraat was, die haar behoorde tegen te gaan, en er toch behulpzaam in was, kan in waarheid gezegd worden, dat hij de zonde over het volk gebracht heeft, omdat hij er hun hart in verhard en hun handen in gesterkt heeft. Het is een slechte zaak voor regeerders om het volk toe te geven in hun zonden en datgene te steunen, waarvoor zij een afschrikking behoorden te wezen.
Merk hier op in het algemeen dat zij, die zonde brengen over anderen, hetzij door hen er toe te verleiden, of er hen in te steunen en aan te moedigen, meer kwaad doen dan zij weten, in werkelijkheid haten wij degenen, die wij tot zonde brengen of in wie wij zonde verdragen, Leviticus 19:17. Zij, die in zonde delen, brengen hun deelgenoten ten val, ja zij brengen elkaar ten val.
b. Wat hem er toe bewoog. Wat heeft u dit volk gedaan? Hij neemt aan dat het iets meer dan gewoons moet geweest zijn, dat Aaron er toe bracht om zo iets te doen, aldus een verontschuldiging voor hem zoekende, daar hij wist dat zijn hart oprecht was. " Wat hebben zij gedaan? Hebben zij u beleefd en vriendelijk toegesproken, u bepraat om dit te doen, en mishaagt gij uw God om het volk te behagen? Hebben zij u overwonnen door dringend aanhouden, en is er zo weinig vastheid in u overgebleven, dat gij u op de stroom van een volksgeroep liet meevoeren?" Wij moeten ons nooit in zonde laten leiden door iets dat een mens ons zeggen of doen kan, want het zal ons niet rechtvaardigen te zeggen, dat wij er toe geleid zijn. De mensen kunnen ons slechts verleiden tot zonde, maar zij kunnen er ons niet toe dwingen. De mensen kunnen ons slechts doen ontzetten, zo wij niet toegeven, maar zij kunnen ons niet schaden.
2. De beuzelachtige verontschuldiging, die Aaron voor zich aanvoert. Wij willen hopen dat hij later van zijn berouw over deze zonde op betere wijze getuigd heeft dan hij nu deed, want in hetgeen hij nu zegt hoort men al heel weinig de taal van een boetvaardige. Als een rechtvaardige valt, zal hij weer opstaan, maar wellicht niet snel of spoedig.
a. Hij bidt alleen de toorn af van Mozes, terwijl hij in de eerste plaats Gods toorn had moeten afbidden: Mijns heren toorn ontsteke niet, vers 22.
b. Hij geeft al de schuld aan het volk: Het ligt in het boze. Zij zeiden tot mij: Maak ons goden. Het is ons van nature eigen te trachten aldus de schuld van ons af te schuiven, het zit ons in het bloed, Adam en Eva hebben dit gedaan, de zonde is een zaak, die niemand als de zijne wil erkennen. Aaron was nu de voornaamste magistraat en had macht over het volk, en toch voert hij aan dat het volk hem overmeesterd had, hij, die macht en gezag had om hen onder bedwang te houden, had zo weinig vastberadenheid, dat hij toegaf aan hun wil.
c. Het is nog gelukkig als hij met zijn onnodige herhaling van het hatelijke vermoeden van het volk: Deze Mozes, die ons uit Egypteland opgevoerd heeft, wij weten niet wat hem geschied zij, geen berisping van Mozes bedoeld heeft alsof hij, door zo lang op de berg te blijven, mee schuldig was aan de zonde.
d. Hij vergoelijkt en verbergt zijn eigen deel in de zonde, alsof hij hun slechts gezegd had hun goud af te rukken, dat zij bij zich hadden, alsof hij slechts een haastige proef wilde nemen voor het ogenblik, en te zien wat hij dan doen kon met het goud, dat later komen zou, en kinderachtig geeft hij te kennen, dat toen hij het goud in het vuur wierp, het, hetzij bij toeval, of door toverkunsten van sommigen van het "vermengde volk" (zoals de waan is van Joodse schrijvers) in die vorm er uit kwam. Maar geen woord zegt hij van zijn graveren en vormen er van vers 24. Maar Mozes maakt het aan alle eeuwen en tijden bekend wat hij gedaan heeft, vers 4 al wil hij het zelf niet bekennen. "Die zijn overtredingen bedekt, zal niet voorspoedig zijn," want vroeg of laat zullen zij ontdekt worden. En dit was nu alles wat Aaron voor zich te zeggen had, hij zou beter gedaan hebben met niets te zeggen, want zijn verontschuldiging verzwaarde slechts zijn schuld, en toch wordt hij niet slechts gespaard, maar bevorderd, waar de zonde meerder geworden is, daar is de genade veel meer overvloedig geweest.
II. Vervolgens moet het volk geoordeeld worden wegens deze zonde. De komst van Mozes heeft spoedig hun spel bedorven en hun reien in sidderen veranderd. Zij, die door hun dreigen Aaron tot toegeven in hun zonde hadden bewogen, durfden Mozes niet in het aangezicht te zien, noch de geringste tegenstand bieden aan de strengheid, die hij gepast oordeelde te gebruiken tegen de afgod en de afgodendienaars. Het is niet onmogelijk de zonden, die met vermetele hoogmoed gepleegd werden, verachtelijk te doen voorkomen, als de onbeschaamde bedrijvers er van afdeinzen, overstelpt door hun eigen beschaming. "Een koning, zittende op de troon van het gericht, verstrooit alle kwaad met zijn ogen." Wij hebben hier te letten op twee dingen:
1. Hoe zij door hun zonde aan schande waren blootgesteld, het volk was ontbloot, vers 25, niet zozeer omdat sommigen van hen hun oorsierselen hadden verloren, (dat was van geen betekenis) maar omdat zij hun oprechtheid hadden verloren, en onder het smadelijk verwijt lagen van ondankbaarheid jegens hun beste weldoener, en een verraderlijke opstand tegen hun rechtmatige Heer. Het was een schande voor hen, en een onuitwisbare vlek, dat zij "hun eer veranderden in de gedaante van een os, die gras eet." Andere volken roemden dat zij trouw waren aan hun valse goden, wèl mag Israël dan blozen, dat zij ontrouw waren aan de ware God. Aldus waren zij ontbloot, beroofd van hun sieraden, aan minachting prijsgegeven: ontdaan van hun wapenrusting en blootgesteld aan beledigingen. Zo zijn onze eerste ouders, nadat zij gezondigd hadden, naakt geworden tot hun schande. Zij, die God onteren, brengen in werkelijkheid de grootste oneer over zichzelf. Dat heeft Israël hier gedaan, en het smartte Mozes dit te zien, hoewel zij zelf er geen smart over gevoelden. Hij zag, dat zij ontbloot waren.
2. De maatregelen, door Mozes genomen, om die smaad af te wentelen, niet door de zonde te verbergen, maar door haar te straffen en er aldus tegen te getuigen. Wanneer het hun ook voor de voeten zou geworpen worden, dat zij "een kalf hadden gemaakt bij Horeb," konden zij hun smaders dan antwoorden, dat het wel waar was dat zij dit gedaan hadden, maar dat er toen ook gerechtigheid aan hen voltrokken werd. De regering heeft die zonde niet geduld en heeft de zondaren niet ongestraft gelaten. Zij hebben het gedaan, maar het is hun duur te staan gekomen, zij hebben er voor geboet. Zo, zegt God, zult gij het boze uit uw midden wegdoen, Deuteronomium 13:5.
Merk hier op:
a. Door wie wraak geoefend werd: door de kinderen van Levi, vers 26, 28 niet onmiddellijk door Gods hand, zoals op Nadab en Abihu, maar door het zwaard van de mensen, om hun te leren dat afgoderij een misdaad is bij de rechters, daar het een verzaken is van de God van boven, Job 31:28, Deuteronomium 13:9. Het moest gedaan worden door het zwaard van hun eigen broeders, opdat het doen van de gerechtigheid nog meer ter ere van het volk zou zijn. En indien zij nu in de handen van de mensen moeten vallen, dan is dit nog beter dan voor het aangezicht van hun vijanden te moeten vluchten. De onschuldigen moeten geroepen worden om de schuldigen te straffen, opdat het voor hen zelf een zoveel krachtiger waarschuwing zal zijn om op een andere tijd niet hetzelfde te doen. En dat zij tot zo'n onaangenaame dienst geroepen werden, die hun wel zeer tegen de borst moest stoten, namelijk om hun naaste vrienden te doden, was tevens een straf voor henzelf, omdat zij niet eerder tegen de zonde waren opgetreden, om haar te voorkomen. De Levieten inzonderheid werden gebruikt om die strafoefening te voltrekken, want het schijnt dat er van hen meer waren dan van al de andere stammen die zich hadden vrijgehouden van de besmetting, hetgeen zoveel prijzenswaardiger was omdat Aaron, het hoofd van hun stam, er zo diep in betrokken was. Nu wordt ons hier gezegd:
A. Hoe de Levieten tot deze dienst werden geroepen. Mozes bleef staan in de poort van het leger, de plaats van het gericht. Daar heeft hij, als het ware, "een banier opgericht vanwege de waarheid," om krijgslieden te werven voor God. Wie de Heere toebehoort kome tot mij, riep hij. De afgodendienaars hadden het gouden kalf opgericht als hun banier, en nu richt Mozes tegenover hen de zijne op. Nu trok Mozes de kleren der wraak aan, deed hij de ijver aan als een mantel, en riep allen, die aan Gods zijde waren, om terstond op te komen tegen het gouden kalf. Hij roept niet uit zoals Jehu: "Wie is met mij? 2 Koningen 9:32, om de belediging te wreken, die mij aangedaan is?" maar: Wie is voor de Heere? Het was Gods zaak, die hij omhelsde tegen de boosdoeners, Psalm 94:16. Er zijn in de wereld twee grote belangen, en de kinderen van de mensen staan het een of het andere voor. Het belang van zonde en boosheid is het belang van de duivel, en alle goddeloze mensen staan dat belang voor, het belang van waarheid en heiligheid is Gods belang, dat door alle Godvruchtige mensen wordt voorgestaan en tussen die twee kan men niet onpartijdig blijven. Voor ons allen is het van het grootste belang om te onderzoeken of wij voor de Heere zijn of niet. Zij, die voor Hem zijn, zijn vergelijkenderwijs slechts weinigen in getal, en soms schijnt hun aantal nog geringer dan het in werkelijkheid is. Soms roept God hen, die voor Hem zijn, om als getuigen voor Hem op te treden, als krijgslieden of als voorbidders.
B. Hoe hun deze dienst werd opgedragen, vers 27. Een iegelijk dode zijn broeder, dat is: "Doodt allen, waarvan gij weet dat zij hebben deelgenomen aan het maken en aanbidden van het gouden kalf, al waren zij ook uw naaste bloedverwanten of dierbaarste vrienden." De misdaad was in het openbaar gepleegd, de Levieten zagen wie van hun bekenden er deel aan hadden genomen, en daarom hadden zij geen nadere aanwijzing nodig dan hun eigen kennis, wie zij moesten doden. En waarschijnlijk waren de meesten van de schuldigen als zodanig bekend bij sommigen van de Levieten, die met de voltrekking van het vonnis belast waren. Het schijnt echter dat zij alleen diegenen moesten doden, die buiten waren, op de straten van het leger, want men kon hopen dat zij, die zich in hun tenten hadden teruggetrokken, zich schaamden over hetgeen zij gedaan hadden, en zich met berouw in het hart op de knieen hadden begeven. Diegenen zijn opgeschreven ten verderve, die volharden in de zonde, "zich niet schamen omdat zij gruwel bedreven hebben," Jeremia 8:12. Maar hoe durfden de Levieten tegen zo'n grote menigte uitgaan, die waarschijnlijk nog in woede was ontstoken wegens het verbranden van hun kalf? Dit kan gemakkelijk verklaard worden. Schuldbesef ontnam de misdadigers de moed, en een Goddelijke opdracht heeft de wrekers van het kwaad aangemoedigd. En wat hen ook nog bezielde was, dat Mozes gezegd had: Vult heden uw handen de Heere-dat is wijdt u heden aan Zijn dienst-opdat Hij heden een zegen over ulieden geve, hiermede te kennen gevende, dat zij op weg waren om bevorderd te worden, en dat, zo zij zich bij deze gelegenheid wilden onderscheiden, dit aangenomen zou worden als "een toewijding van zichzelf aan de Heere" en Zijn dienst, zodat dit aan hun stam een altijddurende eer zou toevoegen. Hen, die zich wijden aan de Heere, zal Hij voor zich afzonderen. Zij, die de plicht doen, zullen de waardigheid ontvangen, en als wij bijzondere diensten doen voor God, zal Hij ons bijzondere zegeningen schenken. Er was een zegen bestemd voor de stam van Levi, en nu zegt Mozes: "Wijdt u de Heere, opdat gij instaat zijt die zegen te ontvangen." De Levieten moesten behulpzaam zijn bij het offeren van offeranden aan God, en nu moeten zij beginnen met het offeren van deze offeranden aan de eer van de Goddelijke gerechtigheid. Zij, die de dienst moeten verrichten in de heilige zaken, moeten niet slechts oprecht en ernstig zijn, maar ook warm en ijverig, stout en kloekmoedig voor God en Godsvrucht. Aldus moeten alle Christenen, maar inzonderheid leraren, "vader en moeder verlaten," en de dienst en het belang van Christus ver boven de naaste en dierbaarste betrekkingen stellen, want indien wij hen boven Christus liefhebben, dan zijn wij zijns niet waardig. Zie hoe de ijver van de Levieten geprezen wordt, Deuteronomium 33:9.
b. Op wie wrake geoefend wordt. Daar vielen van het volk op die dag omtrent drieduizend man. Waarschijnlijk waren dit slechts weinigen in vergelijking met de velen, die schuldig waren, maar dit waren de mannen, die de opstand hadden aangevoerd, en die dus genomen werden om als afschrikwekkend voorbeeld gesteld te worden voor de anderen. Zij, die `s morgens juichten en dansten, lagen `s avonds te sterven, badende in hun bloed, zo'n plotselinge verandering maken Gods oordelen soms met zondaren, die gerust en vrolijk zijn in hun zonde, zoals met Belsazar, door het schrift op de muur. Dit is geschreven tot onze waarschuwing, 1 Corinthiërs 10.7 : "Wordt geen afgodendienaars, gelijkerwijs als sommigen van hen."