Exodus 32:15-20
I. Wij zien hier de gunst van God jegens Mozes door hem de twee tafelen der getuigenis toe te vertrouwen, die, hoewel zij van gewoon steen waren, toch oneindig kostbaarder zijn geweest dan al de edelgesteenten op Aarons borstlap. Men kon ze niet gelijk aan de topaas van Morenland waarderen. God zelf heeft zonder de dienst van mens of engel-voorzover blijkt tenminste-de tien geboden op deze tafelen geschreven, op haar beide zijden, sommige op de ene tafel, en sommige op de andere, zodat zij als een boek samengevouwen waren, om ze in de ark te leggen.
II. De vertrouwelijkheid tussen Mozes en Jozua. Terwijl Mozes in de wolk was, als in de troonzaal, bleef Jozua zo nabij als hij mocht in de antichambre, als het ware, wachtende totdat Mozes naar buiten kwam, teneinde gereed te zijn om hem te dienen, en hoewel hij gedurende veertig dagen geheel alleen was (waarschijnlijk gevoed met manna), was hij het wachten toch niet moede, zoals het volk, maar toen Mozes afkwam, ging hij tot hem, en niet eerder. En hier wordt ons gezegd welke verklaring zij gaven van het geraas, dat uit het leger tot hen kwam, vers 17, 18. Hoewel Mozes zo lang in onmiddellijk gesprek en omgang met God was geweest, heeft hij het toch niet versmaad om vrij en vertrouwelijk met Jozua te spreken. Zij, die door God verhoogd worden, worden er door Hem voor bewaard om opgeblazen te zijn. En hij versmaadde het ook niet om over de zaken van het leger te spreken. Toen Paulus in de derde hemel was opgetrokken, waar hij onuitsprekelijke woorden gehoord heeft, was hij er de kerk op aarde niet minder indachtig om. Jozua, die een krijgsman was en het bevel voerde over het leger van Israël, vreesde dat er een krijgsgeschrei was in het kamp, en in dat geval zou hij gemist worden, maar Mozes, die door God was ingelicht, wist de geluiden beter te onderscheiden, en bemerkte dat het de stem van zingen bij beurte was, maar het blijkt niet dat hij aan Jozua zei wat hij wist van de gelegenheid of aanleiding van hun zingen, want wij moeten niet snel en ijverig zijn om de fouten van de mensen te verkondigen, zij zullen spoedig genoeg bekend worden.
III. Het groot en rechtvaardig misnoegen van Mozes tegen Israël wegens hun afgoderij. Wetende wat hij verwachten kon, bespeurde hij weldra het gouden kalf, en het spel of het feest van het volk daarbij. Hij zag hoe vrolijk zij konden zijn in zijn afwezigheid, hoe spoedig hij vergeten was, en hoe weinig zij aan hem of zijn terugkomst dachten. Hij kon hun dit terecht ten kwade duiden als een belediging van hemzelf, maar dat was wel het minste in de reden van zijn toorn, hij heeft het ten kwade geduid als een belediging van God en de ergernis van zijn volk. Zie welk een verandering het is neer te komen van de berg van de gemeenschapsoefening met God, om te spreken en om te gaan met een wereld, "die in het boze ligt." In God zien wij niets dan hetgeen rein en lieflijk is, in de wereld niets dan hetgeen vuil en ergerlijk is. Mozes was de zachtmoedigste man op aarde, en toch is, toen hij het kalf en de reien zag, zijn toorn ontstoken. Het is geen verbreken van de wet van de zachtmoedigheid om ons ongenoegen te tonen over de goddeloosheid van de wereld. Diegenen zijn toornig en zondigen niet, die alleen toornen tegen de zonde, niet als gepleegd tegen hen, maar tegen God. Efeziers is vermaard wegens zijn lijdzaamheid, maar "kan toch de kwaden niet verdragen," Openbaring 2:2. Het betaamt ons koel te blijven voor onze eigen zaak, maar warm te zijn voor Gods zaak. Mozes toonde zich zeer toornig, beide door het breken van de tafelen en het verbranden van het kalf, teneinde door de uiting van die sterke verontwaardiging bij het volk een besef te doen ontwaken van het zware van de zonde, waaraan zij zich schuldig hadden gemaakt, die zij zeker wel zeer gering geacht zouden hebben, indien hij niet zo'n grote toorn aan de dag had gelegd, als iemand wie het ernst is, om hen er van te overtuigen. 1. Om hen te overtuigen dat zij de gunst van God verbeurd en verloren hadden, verbrak hij de tafelen, vers 19. Hoewel God wist van hun zonde, eer Mozes afkwam van de berg, heeft Hij hem toch niet bevolen de tafelen achter te laten, maar gaf ze hem, om ze in zijn hand mee te nemen, opdat het volk zien zou hoe bereid God was om hen in Zijn verbond op te nemen, en dat niets anders dan hun eigen zonde dit verhinderde. Maar toch gaf Hij het hem in het hart om, toen Efraïms ongerechtigheid ontdekt was, (zoals de uitdrukking luidt in Hosea 7:1,) om de tafelen voor hun ogen te verbreken, (zoals er staat in Deuteronomium 9:17) opdat het gezicht daarvan een grotere uitwerking bij hen teweeg zou brengen en hen zou vervullen van schaamte bij het zien van de zegeningen, die zij hadden verloren. En daar zij zich nu schuldig hadden gemaakt aan zo'n klaarblijkelijke schending van het verdrag, dat tussen God en hen gesloten stond te worden, werden de geschriften er van verscheurd, juist toen het ogenblik daar was om er het zegel aan te hechten. Het is het grootste teken van Gods ongenoegen tegen een persoon of een volk, als Hij Zijn wet van hen wegneemt. Het verbreken der tafelen is het verbreken van de stok "Lieflijkheid, en Samenbinders," Zacheria 11:10, 14, het laat een volk zonder kerk, prijsgegeven aan het verderf. Sommigen denken dat Mozes gezondigd heeft door de tafelen te verbreken, en merken daarbij op dat, als mensen toornig zijn, zij gevaar lopen Gods geboden te verbreken, maar het schijnt veeleer een daad van gerechtigheid dan van drift of hartstocht geweest te zijn, en wij vinden niet dat hijzelf er later met leedwezen of berouw over gesproken heeft, Deuteronomium 9:17.
2. Om hen er van te overtuigen, dat zij de toevlucht hadden genomen tot een god, die hen niet kon helpen, verbrandde hij het kalf, vers 20, versmolt het en vergruisde het toen tot stof. En opdat er door het gehele leger kennis van genomen zou worden, dat het tot poeder was gemaakt, strooide hij het op het water, dat zij allen dronken. Opdat het zou blijken "dat een afgod niets is in de wereld," 1 Corinthiërs 8:4, vermaalde hij het tot atomen, opdat het zoveel mogelijk tot niets zou worden. Om te tonen dat valse goden hun aanbidders niet kunnen helpen, toonde hij dat deze hier zichzelf niet kon redden. Jesaja 46:1,2. En om ons te leren dat alle overblijfselen van afgoderij vernietigd moeten worden en de namen van Baälim weggenomen behoren te worden tot aan het stof toe, waartoe het vergruizelde was verstrooid. Vijlsel van goud is kostbaar (zeggen wij) en moet daarom zorgvuldig bijeenvergaderd worden, maar het vijlsel van het gouden kalf was afschuwelijk en moest met verfoeiing weggeworpen, verstrooid worden. Aldus moeten de zilveren en gouden afgoden weggeworpen worden voor de mollen en de vleermuizen, Jesaja 2:20, 30:22. en Efraïm zal zeggen: "Wat heb ik meer met de afgoden te doen?" Zijn vermengen van dit poeder met hun drank betekende dat de vloek, die zij hierdoor over zichzelf hadden gebracht, zich onder al hun genietingen zal mengen en ze hun zal verbitteren, hij zal als water hun ingewanden binnendringen, en als olie hun gebeente. "Die afkerig van hart is zal van zijn wegen verzadigd worden," hij zal drinken wat hij gebrouwen heeft. Dat zijn in waarheid wateren van Mara geweest.