Exodus 2:11-15
Mozes had aan het hof van Farao de eerste veertig jaren van zijn leven doorgebracht, zich toebereidende voor zijn werk, en nu was het tijd voor hem om handelend op te treden en:
I. Kloekmoedig erkent en omhelst hij de zaak van Gods volk. "En het geschiedde in die dagen, toen Mozes groot geworden was, dat hij uitging tot zijn broederen en bezag hun lasten" vers 11. De beste verklaring van deze woorden hebben wij van een door Gods Geest gedreven schrijver, Hebreeën 11:24-26, waar ons gezegd wordt, dat dit aanduidt:
1. Zijn heilige minachting van de eer en de genietingen van het Egyptische hof, hij weigerde een zoon van Farao's dochter genoemd te worden, want hij ging uit. De verzoeking was inderdaad erg sterk, hij had een goede gelegenheid (zoals wij zeggen) om zijn fortuin te maken, en ook om, door zijn invloed aan het hof, nuttig en dienstig te zijn voor Israël. Door dankbaarheid zowel als door zijn eigen belang was hij verplicht aan Farao's dochter en toch heeft hij door het geloof een heerlijke overwinning behaald over zijn verzoeking. Hij achtte het een hogere eer en een groter voorrecht een zoon van Abraham dan de zoon van Farao's dochter te wezen.
2. Zijn tedere belangstelling in zijn arme broeders in hun dienstbaarheid, met wie (hoewel hij dit gemakkelijk had kunnen vermijden) hij verkoos kwalijk behandeld te worden. "Hij bezag hun lasten", als iemand, die niet slechts medelijden met hen had, maar besloten was lotgenoot met hen te zijn, en te hunner bescherming zijn leven te wagen.
II. Hij geeft te kennen van de grote dingen, die hij later voor God en Israël doen zou, in twee kleine gevallen, die in bijzonder door Stefanus worden verhaald, Handelingen 7:23 en verv, met de bedoeling om aan te tonen hoe hun vaderen altijd de Heilige Geest hebben weerstaan, vers 51, ook in Mozes zelf toen hij voor het eerst als hun bevrijder optrad, moedwillig hun ogen sluitende voor die dageraad van hun bevrijding. Ongetwijfeld voelde hij zich onder de leiding en de aandrift van God in wat hij deed, en dat hij er op buitengewone wijze door God toe geroepen was. Merk nu op:
1. Dat Mozes later gebruikt zou worden om plagen te brengen over de Egyptenaren voor het kwaad, dat zij de God van Israël aandeden, en als blijk hiervan doodde hij de Egyptenaar, die de Hebreeër had geslagen, vers 11, 12. Waarschijnlijk was het één van de Egyptische aandrijvers, die hij de Hebreeuwse slaaf zag mishandelen, die, naar sommigen denken een bloedverwant was van Mozes, een man uit dezelfde stam. Het was door een bijzondere volmacht van de hemel (waardoor echter geen precedent voor gewone gevallen gesteld wordt) dat Mozes de Egyptenaar versloeg en zijn verdrukte broeder verloste. Volgens de Joodse overlevering heeft hij hem met geen wapen gedood, maar zoals Petrus Ananias en Saffira gedood heeft, namelijk door het woord van zijn mond. Zijn verberging van hem in het zand betekende dat later Farao en al zijn Egyptenaars onder de macht van Mozes' staf in het zand van de Rode Zee begraven zouden worden. Zijn zorg om die daad van de gerechtigheid in het geheim te volvoeren, als niemand het zag, was een nodige maatregel van voorzichtigheid daar het slechts een proefneming was, zijn geloof misschien nog zwak was, en hij wat hij deed, met enige aarzeling deed. Zij, die er toe komen om een groot geloof te hebben zijn met klein geloof begonnen, en in het begin hebben zij bevend gesproken. 2. Mozes zal later Israël regeren, en als blijk daarvan zien wij hem hier een poging doen om aan een ruzie tussen twee Hebreeën een einde te maken, waarbij hij toen al, evenals later gedurende veertig jaren, hun manieren moest verdragen.
Merk hier op:
A. De ongelukkige ruzie, die Mozes ziet tussen twee Hebreeën, vers 13. Het blijkt niet wat er de aanleiding toe was, maar waar die ook in bestaan moge hebben, zeker was het ontijdig en ongepast, dat twee Hebreeën met elkaar ruzieën, terwijl zij allen zo streng geregeerd en zo zwaar verdrukt werden door de Egyptenaren. Werden zij niet genoeg geslagen door de Egyptenaren, dat zij ook nog elkaar moeten slaan? Zelfs de gemeenschap in lijden verbindt Gods volk niet altijd zo aan elkaar als men redelijkerwijs zou kunnen verwachten. Als God mensen verwekt, die het middel zijn om heil te werken voor de kerk dan zullen deze genoeg te doen vinden, niet alleen om Egyptische verdrukkers tegen te staan, maar om ruzieachtige Israëlieten met elkaar te verzoenen.
B. Op welke manier hij met hen handelde. Hij merkte wie de verdeeldheid teweegbracht, het onrecht deed, en op zachtmoedige wijze praatte hij met hem, om hem zijn onrecht te doen inzien. "Waarom slaat gij uw naaste?" De onrechtvaardige Egyptenaar werd gedood, de onrechtvaardige Hebreeër alleen berispt, want wat de eerste deed kwam voort uit ingewortelde boosaardigheid, terwijl, naar wij kunnen onderstellen, wat de laatste deed alleen in een plotselinge opwelling van boosheid gedaan werd. De wijze God maakt een verschil en naar Zijn voorbeeld zullen ook alle wijze regeerders een verschil maken-tussen de ene overtreder en de andere, naar de verschillende aard van dezelfde overtreding. Mozes probeerde hen met elkaar te verzoenen, wat een goede dienst is, aldus horen wij ook Christus dikwijls Zijn discipelen bestraffen om hun ruzie, Lukas 9:46 en verv., 22:24 en verv. Want Hij was een profeet als Mozes een genezende profeet, een vredemaker, die Zijn broeders bezocht met het doel om hun vijandschap te doden. De bestraffing, die Mozes toen gaf aan deze man, kan nog van nut zijn: "Waarom slaat gij uw naaste?" Zijn naaste te slaan is slecht in iedereen maar in bijzonder de Hebreeën, slaan met de tong of de hand, hetzij bij wijze van vervolging, of bij wijze van strijd en twist. Zie de persoon, die u slaat, hij is uw naaste, uw medeschepsel, uw medechristen, uw mededienstknecht, uw medegenoot in lijden. Geef de reden: "Waarom slaat gij?" Misschien was het om in het geheel geen reden, of om geen billijke reden, of om iets, dat niet de moeite waard is om van te spreken.
C. De slechte uitslag van zijn poging, vers 14. "Wie heeft u tot een overste en rechter over ons gezet?" zei hij. Die het onrecht deed ruziede aldus met Mozes, die het onrecht leed scheen wel tot vrede geneigd, maar die het deed was lichtgeraakt. Ongeduldig te zijn onder bestraffing is een teken van schuld, en het is dikwijls lichter hem, die onrecht lijdt, tot verdragen van het onrecht te bewegen, dan hem, die het onrecht doet, de overtuiging te doen dragen van het onrecht gedaan te hebben 1 Corinthiërs 6:6-8 Het was een erg wijze en zachtmoedige bestraffing, die Mozes deze ruzieachtige Hebreeër gaf, maar hij kan haar niet dragen, hij slaat de verzen tegen de prikkels Handelingen 9:5, en doet zijn bestraffer weervragen waarbij hij zijn gezag betwist. Wie heeft u tot een overste gesteld? Men behoeft niet met groot gezag bekleed te zijn, om iemand op vriendelijke wijze te bestraffen, het is een daad van vriendelijkheid, maar deze man wil het slechts als een daad van heerschappij oefenen beschouwen, en stelt zijn bestraffer voor als heerszuchtig en verwaand. Zo zullen de mensen als goede gesprekken en een gepaste bestraffing hun mishagen, het preken noemen alsof men geen woord voor God en tegen de zonde kan spreken, zonder aanmatigend te zijn. Maar Mozes was wel echt een overste en rechter, en hij wist het, en hij dacht dat de Hebreeën dit zouden begrijpen en zich met hem zouden verenigen, maar zij stonden zichzelf in het licht, en verstieten hem, Handelingen 7:25, 27.
b. Hij verwijt hem dat hij de Egyptenaar gedood heeft: Zegt gij dit om mij te doden? Zie welk een lage verklaring de boosaardigheid geeft van de beste woorden en daden. Omdat Mozes hem bestraft, wordt hij dadelijk beschuldigd van de bedoeling hem te doden. Een aanslag op zijn zonde wordt uitgelegd als een aanslag op zijn leven, en zijn doden van de Egyptenaar werd genoegzaam geacht om die verdenking te rechtvaardigen, alsof Mozes geen verschil maakte tussen een Egyptenaar en een Hebreeër. Daar Mozes, om een mishandelde Hebreeër recht te doen, een Egyptenaar had verslagen, en daarmee zijn eigen leven in de waagschaal had gesteld, had hij zich aan hem behoren te onderwerpen, niet alleen als een vriend van de Hebreeën, maar als een vriend, die meer dan gewone macht en ijver had. Maar hij werpt hem datgene voor de voeten als een misdaad, wat dapper gedaan was, en een daad moest wezen van de beloofde verlossing. Indien de Hebreeën de wenk begrepen hadden en tot Mozes waren gekomen als tot hun hoofd en aanvoerder, dan zouden zij waarschijnlijk toen bevrijd zijn geworden, maar daar zij hun bevrijder minachtten, werd hun bevrijding rechtvaardig uitgesteld, en bleef hun slavernij nog veertig jaren aanhouden, zoals later hun minachten van Kanaän hen nog veertig jaar er buiten heeft gehouden. Ik wilde, maar gij hebt niet gewild. De mensen weten niet wat zij doen, weten niet hoe vijandig zij zijn aan hun eigen belang, als zij getrouwe bestraffing en bestraffers weerstaan en verachten. Toen de Hebreeën twistten met Mozes, zond God hem weg naar Midian, en niet dan veertig jaren later hebben zij weer van hem gehoord, en alzo werd wat tot hun vrede diende, voor hun ogen verborgen, omdat zij de dag van hun bezoeking niet hebben bekend. En wat Mozes betreft, wij kunnen het als een neer slaan en grote ontmoediging voor hem beschouwen. Nu verkoos hij met het volk van God kwalijk behandeld te worden, en nam hij de versmaadheid van Christus aan, en reeds bij het begin ondervindt hij deze kwalijke behandeling en deze versmaadheid van hen, en dit was een zware op-de-proefstelling van zijn besluit. Hij zou wel gezegd kunnen hebben: "Als dit de geest, de gezindheid, is van de Hebreeën, dan zal ik maar weer naar het hof gaan, en de zoon wezen van Farao's dochter." Wij moeten er ons voor wachten, om vanwege de dwaasheid en onhebbelijkheid van sommige belijders van Godsdienst, vooroordelen op te vatten tegen de manier van doen van Gods volk in het algemeen. Het is niets nieuws, dat de beste vrienden van de kerk zeer veel tegenstand ontmoeten, en ontmoedigd worden in hun poging om te genezen en te behouden, zelfs door de kinderen van hun eigen moeder. Christus zelf is door de bouwlieden verworpen geworden, en wordt nog verworpen door hen, die Hij zou willen behouden.
D. Mozes vlucht daarom naar Midian. Zover bleek de hem aangedane belediging een vriendelijkheid voor hem. Hij begreep dat het doden van de Egyptenaar ontdekt was, en zo had hij tijd om te ontkomen, terwijl anders Farao in zijn toorn hem had kunnen overvallen en doden. God kan zelfs de twist van de tongen zo leiden, dat er voor Zijn volk goeds uit voortkomt. Aan Farao werd het bericht gebracht (en het is al goed zo het hem niet gebracht werd door de Hebreeër, die Mozes had bestraft) dat hij de Egyptenaar had gedood, en direkt werden bevelschriften uitgevaardigd om Mozes gevangen te nemen, wat hem noodzaakte voor zijn eigen veiligheid te zorgen door naar het land van Midian te vluchten, vers 15.
a. Mozes deed dit uit voorzichtige zorg voor zijn eigen leven. Indien dit nu zijn verlaten was van Egypte, waarnaar de apostel verwijst, als gedaan zijnde in het geloof, Hebreeën 11:27, dan leert het ons dat, wanneer wij te eniger tijd in moeilijkheid en gevaar zijn, omdat wij onze plicht doen, de genade van het geloof ons goed te hulp zal komen voor het kiezen van de juiste middelen voor ons behoud. Maar daar wordt gezegd, dat hij de toorn van de koning niet vreesde, en hier wordt gezegd, dat hij vreesde, vers 14. Hij vreesde niet met een vrees van aarzeling of wantrouwen, van schrik en ontsteltenis, die verzwakt en pijn heeft, maar met een vrees, die tot direct handelen leidt en hem opwekte om op de weg te gaan die de Voorzienigheid voor zijn behoud heeft geopend.
b. God beschikte het aldus tot wijze en heilige doeleinden. De zaken waren nog niet rijp voor Israëls bevrijding. De mate van Egyptes ongerechtigheid was nog niet vol, de Hebreeën waren nog niet genoeg verootmoedigd, ook waren zij nog niet tot zo'n aantal vermenigvuldigd als God bedoelde. Mozes moet ook nog verder bekwaam gemaakt worden tot de dienst, en daarom wordt hem aangewezen om zich voor het tegenwoordige terug te trekken, totdat de bestemde tijd om Israël genadig te wezen, gekomen zou zijn. God leidde Mozes naar Midian, omdat de Midianieten het zaad Abrahams waren, en de aanbidding van de ware God hadden behouden zodat hij zich niet slechts veilig maar ook aangenaam onder hen kon vestigen. Later zal hij Israël door dit land heen moeten voeren, en om dit te beter te kunnen had hij nu een goede gelegenheid om er bekend mee te worden. Hier kwam hij nu aan en zat neer bij een waterput, vermoeid, in nadenken verzonken, in verlegenheid wachtende om te zien waarheen de Heere hem zou leiden. Het was wel een grote verandering voor hem, daar hij kort tevoren nog gerust en in overvloed aan Farao's hof leefde. Aldus beproefde God zijn geloof, en het werd bevonden tot lof, en eer en heerlijkheid.