12. En gij zult door dit vlechtwerk, dat tevens haken of agraffen zal vormen de twee stenen aan de schouderbanden van de efod zetten, opdat zij daar het borststuk met het ruggestuk bij elkaar houden; bovendien zullen zij nog tot een ander doel dienen, zijnde namelijk stenen ter gedachtenis 1) voor de kinderen van Israël; en Aäron, de middelaar en hoogste vertegenwoordiger van het volk, zal hun namen op zijn beide schouders2) dragen, ter gedachtenis, voor het aangezicht van de HEERE. Hij, deHeere, wanneer Hij de namen ziet, wil zich daardoor herinneren (
Genesis 9:16) dat Israël Zijn Verbondsvolk is, en Hij onder hen als koning staat, en Hij zal Zijn volk in Zijn aardse plaatsbekleder met een goede regering verzorgen.
1) Stenen ter gedachtenis wil zeggen, stenen, waardoor de Heere zich Zijn volk herinnert. Als Aäron met de stenen op de schouder, en in die stenen de namen van de zonen van Israël gegraveerd, in het Heiligdom verscheen, zou de Heere Zijn volk op een bijzondere wijze indachtig zijn. Ook hier is de Hogepriester een type van de Christus, die al de Zijnen, geheel Zijn Kerk draagt op Zijn schouder, om ze te leggen voor de Vader, verschijnende voor het aangezicht van de Heere..
2) De schouder wordt in de Bijbel, gelijk in de gehele oudheid, als zetel van de heerschappij beschouwd Jesaja 9:5; 22:22); de efod, als schouderkleed, wijst daarom de hogepriester in zijn koninklijke waardigheid aan. Zij komt hem wel niet toe voor zijn persoon, maar wel voor zover Israël een priesterlijk koninkrijk (hoofdstuk 19:6) is en hij Israëls hoogste representant, in wie zich de drievoudige waardigheid van het volk verenigt. Nu behoort tot de koninklijke waardigheid, allereerst het heersen, dan ook het richten, de waardigheid van heersen is het in het bijzonder, welke in de efod wordt voorgesteld, terwijl de waardigheid van richten door de met de efod nauw verbonden borstlap (Vers 15) voorgesteld wordt. De kleuren van dit kledingstuk zijn die van het heiligdom, want hier wordt geen rijk bedoeld, dat van de wereld is, al is het ook in de wereld, maar een Godsstaat (Theocratie); er is in de stof goud geweven, en meer goud wordt daaraan gebruikt, want hij, die het kledingstuk draagt, is de hoogste in de Theocratie. Dat hij de namen van zijn volk op de twee edelgesteenten draagt, ziet op de heerlijkheid, tot welke zijn volk door zijn dienst zal gebracht worden; want edelgesteenten met hun glans zijn een voortreffelijk symbool van heiligheid en heerlijkheid, welke beide in de heilige Schrift bij elkaar behorende begrippen zijn.
Deze woorden schijnen een nadere verklaring te zijn van het voorgaande, of indien ze iets meer te kennen geven, zo zal het mogelijk zijn, dat, gelijk de stenen op Aärons schouders met de namen van de kinderen van Israël daarop, een gedenkteken waren van de wederzijdse betrekking tussen hem en de stammen van Israël, alzo ook de Heere aan zijn zijde zich verbond, om zo dikwijls Aäron met deze namen op zijn schouders voor Zijn aangezicht verscheen, en voor Israël rechtstreeks offerde en zijn gebeden uitstortte, zijn volk gunstig te gedenken. Doch men begrijpt wel, dat die belofte met de meeste nadruk vervuld werd, voor zover deze verschijning gepaard ging met het geloof in de tegenbeeldende Hogepriester, om wiens wille alleen de gelovige harten met een gewenst vruchtgevolg wensen kon, genade te vinden en barmhartigheid te verkrijgen..