Exodus 22:25-31
Hier is:
1. Een wet tegen afpersing bij het lenen.
a. Zij moeten geen woeker nemen voor geld, dat iemand uit armoede geleend heeft, vers 25 zoals bijvoorbeeld in het geval waarvan wij lezen in Nehemia 5:1-7. In de wet op het jubeljaar is ook aldus voorzien geworden ten opzichte van de onvervreemdbare eigendom van de geslachten. Van een volk, dat weinig of geen handelsbetrekkingen had, kon men veronderstellen, dat zij niet anders geld leenden dan uit noodzaak om in hun onmiddellijke behoeften te voorzien. Maar het was hun vergund om woeker te nemen van vreemdelingen die zij evenwel hierbij niet mochten verdrukken. Strikt genomen schijnt deze wet dus bijzonder bestemd geweest te zijn voor de Joodse staat, maar naar de billijkheid van haar strekking verplicht zij ook ons om barmhartigheid te bewijzen aan hen, die ons iets verschuldigd zijn, en om in hun verlies te willen delen, als het hun met het door ons geleende geld tegenloopt, zowel als in hun winst als zij er voorspoed mee hebben. Op deze voorwaarde komt het voor even wettig te zijn om interest te nemen van geld, waarmee een ander zich moeite geeft, en dat door hem vermeerderd wordt, maar waarmee hij zich in zijn handel blootstelt aan verlies, als het wettig is om de pacht te ontvangen van mijn land, waarmee de pachter zich moeite geeft, dat hij verbetert en aldus meer winstgevend maakt, maar waarbij ook hij zich evenzeer blootstelt aan het gevaar van verlies door een slechte oogst of door andere oorzaken.
b. Zij moeten geen dekens of ander beddegoed van een arme in pand nemen, maar indien zij het wèl deden, moesten zij het toch vóór de nacht, dat is dus vóór het naar bed gaan, teruggeven, vers 26, 27. Zij, die zelf zacht en warm liggen, moeten aan het harde, koude logies denken, waarmee vele armen zich moeten behelpen, en niets doen om hetgeen hard is nog harder te maken, of aan de beproefden nog meer beproeving toe te voegen.
2. Een wet tegen minachting van het gezag, vers 28. De goden zult gij niet vloeken, dat is: de rechters en magistraten, of overheidspersoneel, wegens hun tenuitvoerlegging van deze wetten. Zij moeten hun plicht doen, wie er ook door moge lijden. Magistraten behoren de smaad van de mensen niet te vrezen, noch hun beschimpingen, maar zolang zij een zuiver geweten bewaard hebben, ze te verachten. Maar zij, die hen smaden, omdat zij de kwaden een vrees zijn, smaden hiermede God zelf, en zullen zeer veel te verantwoorden hebben. Wij zien hen met zeer zwarte kleuren afgeschilderd en met een zwaar oordeel bedreigd, die "de heerschappij verwerpen en de heerlijkheden lasteren," Judas: 8. Vorsten en magistraten zijn onze vaders, die het vijfde gebod ons gebiedt te eren en verbiedt te smaden. Paulus past deze wet toe op zichzelf en erkent, dat hij "de overste zijns volks niet vloeken" mag neen, al was de overste toen zijn zeer onrechtvaardige vervolger, Handelingen 23:5, zie Prediker 10:20.
3. Een wet betreffende het offeren van hun eerstelingen aan God, vers 29, 30. Dit was tevoren reeds bevolen, Hoofdstuk 13, en hier wordt het bevel hernieuwd: De eerstgeborene uwer zonen zult gij Mij geven, en nog veel meer reden hebben wij om onszelf en alles wat wij hebben aan God te geven, die "Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar Hem voor ons allen heeft overgegeven." Zij moeten niet uitstellen om hun eerste rijpe koren te offeren, want als wij onze plicht uitstellen, dan is er gevaar dat wij hem geheel nalaten, en door de eerste gelegenheid te laten voorbijgaan, in de verwachting dat er wel een andere komen zal, laten wij Satan toe ons van al onze tijd te beroven. Laat jonge lieden dus niet uitstellen om aan God de eerstelingen te offeren van hun tijd en van hun kracht, opdat hun uitstel geen afstel worde door de bedriegelijkheid van de zonde, en de meer gelegen tijd, die zij zich beloven, nooit komt. Toch wordt bepaald dat de eerstelingen van hun vee Gode niet gewijd moesten worden voor de achtste dag na hun geboorte, omdat zij dan pas ergens nut toe waren. God is de eerste en de beste en daarom moet Hem het eerste en het beste gegeven worden.
4. Er wordt een onderscheid gesteld tussen de Joden en andere volken: Gij nu zult Mij heilige lieden zijn, en een teken van die eervolle onderscheiding is gesteld in hun spijze, daarom zult gij geen vlees eten, dat op het veld gescheurd is door beesten, niet slechts omdat het ongezond is, maar omdat het laag is en vrekkig, iets dat beneden hen is, die Gode heilige lieden moesten zijn, om de resten te eten, die roofdieren hebben laten liggen. Wij, die Gode geheiligd zijn moeten niet kieskeurig zijn voor spijs en drank, maar nauwgezet, ons niet voedende zonder vreze, maar etende en drinkende naar regel, de regel van soberheid en matigheid, ter ere Gods.