Exodus 18:13-27
Hier zien wij:
I. Mozes' grote ijver en naarstigheid als magistraat. Gebruikt zijnde om Israël te verlossen uit het diensthuis, is hij ook nog verder een type van Christus door gebruikt te worden als wetgever en rechter onder hen.
1. Hij moest op hun vragen antwoorden, hun in twijfelachtige gevallen bekendmaken de wil van God, hun de wetten van God, die reeds gegeven waren, verklaren, wetten betreffende de sabbat, het manna, enz, behalve nog de natuurlijke wetten, betrekking hebbende op godsvrucht en billijkheid, vers 15. Zij kwamen om God raad te vragen, en zeer gelukkig was het voor hen om zo'n orakel te kunnen raadplegen, menigmaal zouden wij wensen, dat wij zo'n zeker, ontwijfelbaar middel hadden om Gods wil te kennen, als wij niet weten wat te doen. Mozes was getrouw beide aan Hem, die hem had aangesteld, als aan hen, die hem raadpleegden, en hij maakte hun Gods inzettingen en Zijn wetten bekend, vers 16. Zijn plicht was, niet wetten te maken, maar hun Gods wetten bekend te maken, zijn plaats was slechts die van een dienstknecht.
2. Hij had geschillen te vereffenen, recht te spreken tussen de man en zijn naaste, vers 16. En als het volk even twistziek was onder elkaar als met God, dan moeten zeker zeer veel gevallen voor hem gebracht zijn, te meer daar hun rechtsgedingen hen op geen kosten joegen. Toen een twist ontstond in Egypte, en Mozes gepoogd heeft de twistenden met elkaar te verzoenen, vroegen zij: Wie heeft u tot een overste en rechter over ons gezet? Maar nu was het ontwijfelbaar, dat God hem tot een overste en rechter had gezet, en nederig horen zij nu naar hem, die zij toen trots hebben verworpen.
Dit was het werk, waartoe Mozes geroepen was, en hij heeft het gedaan:
A. Met grote behoedzaamheid, hetgeen, naar sommigen denken, aangeduid wordt door zijn houding er bij: hij zat om het volk te richten, vers 13, kalm en bezadigd.
B. Met grote inschikkelijkheid voor het volk dat voor hem stond, vers 14. Hij was zeer genaakbaar, de geringste Israëliet werd graag toegelaten om zelf zijn zaak voor hem te brengen.
C. Met grote volharding en oplettendheid.
a. Hoewel Jethro, zijn schoonvader, bij hem was, dat hem een goed voorwendsel had kunnen zijn om vakantie te nemen, (hij had de rechtszitting voor die dag hebben kunnen verdagen of tenminste verkorten) houdt hij toch zelfs ook op de volgende dag zitting, en wel van de morgen tot de avond. Noodzakelijke arbeid moet altijd voorgaan, en mag dus niet voor het doen van plichtplegingen uitgesteld worden. Wij zouden onze vrienden te veel eer bewijzen als wij aan het genot van hun gezelschap de voorkeur gaven boven onze plicht jegens God.
b. Hoewel Mozes tot hoge eer was bevorderd heeft hij daarom zijn gemak niet genomen, de last van de zaken en zorgen niet op andere schouders geworpen, neen, hij dacht dat zijn bevordering, in plaats van hem te ontheffen van de dienst, de dienst nog meer verplichtend voor hem maakte. Diegenen denken van zichzelf boven hetgeen betaamt, die het beneden zich achten om goed te doen. Het is de eer zelfs van de engelen om dienstvaardig te zijn.
c. Hoewel het volk tergend voor hem geweest is, ja gereed was hem te stenigen, Hoofdstuk 17:4, heeft hij zich toch tot aller dienstknecht gemaakt. Als anderen tekortkomen in hun plicht jegens ons, moeten wij toch onze plicht aan hen niet nalaten.
d. Hoewel hij een oud man was, bleef hij toch van de morgen tot de avond aan het werk en maakte dit tot zijn spijs en drank. God had hem grote kracht gegeven naar lichaam en geest, hetgeen hem in staat stelde om zeer veel werk te kunnen doen, en het te doen met gemak en genot, en ter aanmoediging van anderen om in de dienst van God de kosten te doen en ten koste gegeven te worden, bleek het dat na al zijn arbeid en moeite zijn natuurlijke kracht niet verminderd was. Die de Heere verwachten en Hem dienen, zullen de kracht vernieuwen.
II. De grote wijsheid en bedachtzaamheid van Jethro als een vriend.
1. De methode, door Mozes gevolgd, mishaagde hem, en hij was zo vrijmoedig met hem, dat hij het hem zei, vers 14, 17, 18. Hij dacht dat die arbeid te groot en te zwaar was om door Mozes alleen verricht te worden, dat het nadelig zou zijn voor zijn gezondheid, een te grote vermoeienis voor hem zou wezen, en tevens, dat de bedeling van het recht er verdrietelijk om zou worden voor het volk. En daarom zegt hij hem klaar en duidelijk: Het is niet goed. Er kan zelfs in goed doen een te veel doen zijn, en daarom moet onze ijver geleid worden door voorzichtigheid, opdat van ons goed geen kwaad worde gezegd. Wijsheid is nuttig om ons gedrag te besturen, zodat wij ons niet tevreden houden met minder dan onze plicht, en evenmin op ons nemen wat onze krachten te boven gaat.
2. Hij raadde hem een wijze van bestuur aan, die beter aan het doel zou beantwoorden.
a. Zichzelf moest hij voorbehouden om voor het volk bij God te wezen, vers 19. "Wees gij voor het volk bij God, en breng gij de zaken voor God, dat was een eer, die het niet zou voegen om anderen met hem te laten delen, Numeri 12:6-8 Evenzo moet ook alles wat de gehele vergadering in het algemeen betreft, door zijn handen gaan, vers 20. Maar
b. Dat hij in de verschillende stammen en geslachten rechters moest aanstellen, die moeten rechtspreken tussen de man en zijn naaste, hetgeen met minder luidruchtigheid en meer spoed zou geschieden, dan in de algemene vergadering, die door Mozes zelf gepresideerd werd. Zo moeten zij, als een natie, geregeerd worden door een koning, als opperbestuurder, en door mindere magistraten die door hem aangesteld worden, 1 Petrus 2:13, 14. Aldus zullen vele handen licht werk maken, de rechtszaken zullen spoediger behandeld worden en aan het volk wordt gemak en verlichting bezorgd door de rechtspraak om zo te zeggen, aan hun eigen deur te brengen. Maar toch,
c. Als er gegronde reden voor is, moet men zich van deze lagere rechtbanken op Mozes zelf kunnen beroepen, tenminste, als de rechters zelf met de zaak verlegen waren, vers 22, het geschiede dat zij alle grote zaken aan u brengen. Aldus zou die grote man des te meer nuttig zijn, door alleen in zaken van groot belang gebruikt te worden. De arbeid van personen van zeer grote gaven en hoog aanzien kan zeer bevorderd worden door de hulp van hen, die in alle opzichten hun minderen zijn, en die zij dus niet behoren gering te schatten. Het hoofd heeft de handen en voeten nodig, 1 Corinthe 12:21. Grote mannen moeten er naar streven niet alleen om zelf nuttig te zijn, maar ook anderen nuttig te doen zijn, naar hun gaven en vermogens zijn.
Dit is Jethro's raad, waaruit blijkt dat, hoewel Mozes hem overtrof in profetie, hij Mozes overtrof in staatkundig beleid. Maar aan zijn raad voegt hij twee voorwaarden toe.
A. Dat grote zorg in acht genomen moet worden bij de keuze van de personen, aan wie zo'n ambt opgedragen zou worden, vers 21. Het moeten kloeke mannen zijn. Het was nodig dat het mannen zijn van het beste karakter en van goede bekwaamheid.
Ten eerste. In oordeel en beradenheid, mannen van gezond verstand, die een goed begrip hadden van de zaken, kloeke mannen, die door geen dreigende blikken of geschreeuw verschrikt en van hun stuk worden gebracht. Een helder hoofd en een kloekmoedig hart maken een goeden rechter.
Ten tweede. In vroomheid en godsvrucht, godvrezende mannen, die geloven dat er een God boven hen is, wiens oog op hen is en aan wie zij verantwoordelijk zijn, voor wiens oordeel zij ontzag hebben, nauwgezette mannen, die geen laaghartigheid durven begaan al zouden zij het nog zo veilig en in het verborgen kunnen doen. De vrees van God is het beginsel, dat de mens het best zal versterken tegen. de verzoeking om onrechtvaardig te zijn, Nehemia 5:15, Genesis 42:18.
Ten derde. In rechtschapenheid en eerlijkheid, waarachtige mannen, op wiens woord men aan kan, op wiens trouw men kan rekenen, die voor niets ter wereld een leugen zouden zeggen, of het vertrouwen in hen gesteld zouden verraden.
Ten vierde. In edele, grootmoedige minachting van wereldlijke rijkdom, de gierigheid hatende, niet slechts geen steekpenningen zoekende, of er naar strevende om zich te verrijken, maar zelfs het denkbeeld er van verafschuwende, deze, deze alleen, is geschikt om een rechter te zijn: "die het gewin van de onderdrukkingen verwerpt, die zijn handen uitschudt, dat zij geen geschenken behouden," Jesaja 33:15.
B. Dat hij op de leiding van God moet achtgeven voor deze zaak vers 23. Indien gij deze zaak doet, en God het u gebiedt. Jethro wist dat Mozes een betere raadsman had dan hij was en naar Zijn raad verwijst hij hem. Raad moet gegeven worden met een ootmoedige onderworpenheid aan het woord en de voorzienigheid van God, die steeds de overhand moeten hebben.
Nu heeft Mozes deze raad niet veracht, omdat hij kwam van iemand, die niet, zoals hij, bekend was met de woorden van God en de gezichten van de Almachtige, maar hij hoorde naar de stem van zijn schoonvader, vers 24. Toen hij over de zaak nadacht, zag hij het redelijke in van hetgeen zijn schoonvader gezegd had, en besloot hij het in praktijk te brengen, hetgeen hij spoedig daarna deed, toen hij leiding en onderricht van God in deze zaak had ontvangen. Diegenen zijn niet zo wijs als waarvoor zij gehouden willen worden, die zich te wijs achten om raad aan te nemen, want een wijs man, (een die waarlijk wijs is) zal horen en zal in leer toenemen, en geen goede raad versmaden, al wordt hij ook door een mindere gegeven. Mozes heeft de keuze van de richters niet aan het volk overgelaten, zij hadden reeds genoeg gedaan om te tonen, dat zij niet geschikt daartoe waren, maar hij verkoos en benoemde hen, sommigen voor grotere, anderen voor kleinere afdelingen, terwijl die over de kleinere waarschijnlijk ondergeschikt werden aan hen, die over de grotere aangesteld waren. Wij hebben reden om de regering als een grote weldaad te beschouwen, en God te danken voor wetten en rechters, zodat wij niet zijn als de vissen in de zee, van wie de grote de kleine verslinden.
III. Jethro's terugkeer naar zijn eigen land, vers 27. Ongetwijfeld heeft hij de verbetering meegenomen, die hij heeft opgedaan van de kennis van God, en haar aan zijn naburen voor hen ter lering meegedeeld. Men onderstelt dat de Kenieten, (vermeld in 1 Samuël 15:6) de nakomelingen waren van Jethro, (vergelijk Richteren 1:16) en dat zij daar onder bijzondere bescherming genomen worden om de vriendelijkheid, die hun voorvader aan Israël had bewezen. De welwillendheid, aan Gods volk betoond, zelfs in de kleinste zaken, zal haar loon geenszins verliezen, maar, op zijn laatst, beloond worden in de opstanding.