Exodus 16:32-36
God het manna gegeven hebbende tot voedsel voor Zijn volk om hun een voortdurend feestmaal te wezen, wordt ons hier gezegd:
1. Hoe de gedachtenis er aan bewaard bleef, een gomer van dit manna werd in een gouden kruik gedaan, zoals ons in Hebreeën 9:4 wordt gezegd, en bewaard voor de getuigenis, of de ark, toen deze later gemaakt was, vers 32-34 Dat dit manna voor vergaan en bederf bewaard bleef, was een blijvend wonder, en daarom ook een des te meer gepaste gedachtenis aan deze wonderdadige spijze. "Het nageslacht zal het brood zien," zegt God, "dat Ik ulieden te eten heb gegeven in deze woestijn", zien welk soort van voedsel het was, en hoeveel ieders deel er van was, opdat het zou blijken, dat zij noch slecht noch schaars gevoed werden, en dan zou richten tussen God en Israël, of hun enigerlei reden gegeven was om te murmureren en of zij zoveel af te geven hadden op hun proviand, en of zij, en hun zaad na hen, niet zeer veel reden hadden om Gods goedheid jegens hen dankbaar te erkennen. Gegeten brood moet niet worden vergeten, Gods wonderen en weldadigheden moeten in eeuwige gedachtenis worden gehouden, ten einde ons aan te moedigen om te allen tijde op Hem te vertrouwen.
2. Hoe die weldaad aanhield zolang zij er behoefte aan hadden. Het manna heeft niet opgehouden voor zij aan de grenzen van Kanaän waren gekomen, waar zij overvloed van brood hadden, vers 35. Zie hoe gestadig en onafgebroken de zorg is van de voorzienigheid van God, zaaitijd en oogst falen niet, zolang de aarde bestaat. Israël was zeer weerstrevend in de woestijn, maar het manna hield niet voor hen op, en zo regent Hij nog over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.
Het manna wordt "geestelijke spijze" genoemd, 1 Corinthiërs 10:3, omdat het een type was van geestelijke dingen in hemelse zaken, Christus zelf is het ware manna, het brood des levens, maar dit manna was daar een type, of afschaduwing van, Johannes 6:49-51 Het woord Gods is het manna, waarmee onze zielen gevoed worden Mattheus 4:4. De vertroostingen des Geestes zijn verborgen manna, Openbaring 2:17. Deze komen van de hemel, zoals ook het manna van de hemel is gekomen, en zij onderhouden het geestelijk leven in de ziel, zolang wij ons in de woestijn van deze wereld bevinden. Het is spijs voor Israëlieten, voor diegenen alleen, die de wolk- en vuurkolom volgen. Het moet ingezameld worden. Christus in het woord moet toegepast worden op de ziel, en de middelen van de genade moeten gebruikt worden, ieder van ons moet voor zichzelf inzamelen, inzamelen in de morgen van onze dagen, de morgen van onze gelegenheden, want als wij die laten voorbijgaan, dan kan het te laat wezen om in te zamelen. Het manna, dat zij verzamelden moest niet opgegaard of opgelegd worden, het moest worden gegeten, zij, die Christus ontvangen hebben moeten door het geloof op Hem leven en teren, Zijn genade niet tevergeefs hebben ontvangen. Er was manna genoeg voor allen, genoeg voor ieder, en niemand had te veel, zo is er in Christus genoegzaamheid en geen overtolligheid. Maar zij, die het manna aten, hebben opnieuw honger gekregen, zijn ten slotte gestorven, en in velen van hen heeft God geen welbehagen gehad, terwijl zij, die door het geloof zich voeden met Christus, nimmermeer zullen hongeren, en niet meer zullen sterven, en in hen heeft God steeds een welbehagen. Geve de Heere ons altijd dit brood!