Exodus 13:1-10
Hier wordt zorg gedragen om de gedachtenis te bewaren:
1. Van de bewaring van Israëls eerstgeborenen, toen de eerstgeborenen van de Egyptenaren gedood werden. Ter gedachtenis van die onderscheidende gunst en in erkentelijkheid er voor, moesten in alle tijden de eerstgeborenen aan God gewijd worden als Zijn bijzonder eigendom, vers 2, en gelost worden, vers 13. God, die door het recht van de schepping, de eigenaar en opperheer is van alle schepselen, maakt hier in het bijzonder aanspraak, door recht van bescherming, op alle eerstgeborenen van de Israëlieten: Heilig Mij alle eerstgeborenen. De ouders moesten zich niet als deelhebbenden beschouwen in hun eerstgeborenen, voordat zij hen eerst plechtig aan de Heer hadden voorgesteld, Zijn recht op hen hadden erkend, en hen tot een zekere prijs van Hem terug hadden ontvangen. Hetgeen door een bijzondere, onderscheidende goedertierenheid voor ons gespaard werd, behoort op bijzondere wijze toegewijd te worden aan Gods eer, tenminste behoren in dankerkentenis er voor werken van godsvrucht en barmhartigheid gedaan te worden, wanneer ons ons leven of het leven van onze kinderen als een buit werd gegeven. God, die de eerste en de beste is, moet het eerste en het beste ontvangen, en aan Hem behoren wij af te staan hetgeen ons het dierbaarst en het kostelijkst is. De eerstgeborenen waren de vreugde en de hoop van hun families: daarom zullen zij voor Mij zijn, zegt God. Hieruit zal blijken dat wij God boven alles liefhebben (zoals wij Hem behoren lief te hebben) als wij bereid zijn aan Hem af staan wat wij het meest in de wereld liefhebben. Het is "de gemeente van de eerstgeborenen, die Gode geheiligd is", Hebreeën 12:23. Christus is de eerstgeborene onder vele broeders, Romeinen 8:29 en krachtens hun vereniging met Hem zijn alle wedergeborenen, allen, die van boven geboren zijn, als eerstgeborenen gerekend. Er is voortreffelijkheid in hoogheid en sterkte in hen, en indien zij kinderen zijn, dan zijn zij ook erfgenamen.
II. Ook de gedachtenis van hun uitgaan in Egypte moet bewaard blijven, vers 3. "Gedenkt aan deze zelfde dag, gedenkt hem als de merkwaardigste dag van uw leven, de geboortedag van uw natie, of de dag, toen zij meerderjarig werd, om niet langer onder de roede te zijn." Aldus moet ook de dag van Christus' opstanding herdacht worden, want daarin zijn wij met Christus uit het diensthuis van de dood opgestaan. De Schrift zegt ons niet uitdrukkelijk op welke dag van het jaar Christus is opgestaan, (zoals Mozes aan de Israëlieten zei op welke dag van het jaar zij uit Egypte zijn uitgevoerd, opdat zij die dag jaarlijks zouden gedenken) maar wel zeer nauwkeurig welke dag van de week het was, duidelijk te kennen gevende, dat hij als de dag van een uitnemender verlossing en van groter gewicht, wekelijks herdacht moest worden. Gedenkt hem, want de Heer heeft u door een sterke hand van hier uitgevoerd. Hoe meer er van God en Zijn kracht in een verlossing gezien wordt, hoe gedenkwaardiger zij is. Opdat nu die dag in gedachtenis zou blijven:
1. Moeten zij het feest van de ongezuurde broden houden, vers 5-7. Het was niet genoeg dat zij hem herdachten, zij moeten er een gedachtenisviering van hebben op de wijze, die God vastgesteld heeft, en de ingestelde middelen gebruiken om er de gedachtenis van te bewaren. Zo moeten wij onder het evangelie niet slechts Christus gedenken, maar `doen voor Zijn gedachtenis" wat Hij bevolen en ingesteld heeft. Let er op, hoe streng het verbod is van het zuurdeeg, vers 7, het gedesemde mocht niet slechts niet gegeten worden, maar het moest ook in al hun palen niet gezien worden. Dienovereenkomstig was het de gewoonte van de Joden om voor het paasfeest alle gezuurd brood uit hun huizen te werpen, zij moeten het of verbranden, of begraven, of het verkruimelen en in de wind strooien. Met aangestoken kaarsen zochten zij naarstig en nauwkeurig in al de hoeken van hun huis, of er ook nog enig zuurdeeg in overgebleven was. Die zorg en nauwkeurigheid voor deze zaak hadden ten doel:
a. Om plechtigheid bij te zetten aan het feest, zodat het bijgevolg ook meer opgemerkt zou worden door de kinderen, die zullen vragen: "Waarom geschiedt dit alles?"
b. Om ons te leren hoe zorgzaam wij moeten wezen, om alle zonde van ons weg te doen, 1 Corinthiërs 5:7.
2. Zij moeten hun kinderen de betekenis er van leren, en hun de geschiedenis verhalen van hun verlossing uit Egypte, vers 8. Er moet gezorgd worden om de kinderen bijtijds te onderwijzen in de kennis van God. Hier is een aloude wet voor het catechiseren. Het is inzonderheid nuttig om de kinderen bijtijds bekend te maken met de verhalen van de Schrift, zodat zij er gemeenzaam mee worden. Wij zijn dit verschuldigd aan de eer van God en aan het welzijn van de ziel van onze kinderen, om hun de grote daden te vertellen, die God voor Zijn kerk gedaan heeft, zowel die, welke wij met onze eigen ogen gezien hebben in onze dag, waarvan wij met onze oren gehoord hebben en die onze vaderen ons verteld hebben. Gij zult uw zoon te kennen geven op die dag ten dage namelijk van het feest, wat God gedaan heeft. Als zij de inzetting waarnamen moesten zij haar verklaren. Alles is schoon op zijn tijd. Het pesach is ingesteld tot een teken en tot een gedachtenis, opdat de wet van de Heer in uw mond zij. Wij moeten de herinnering bewaren aan Gods werken, ten einde onder de invloed te blijven van Gods wet. En zij, die Gods wet in hun hart hebben moeten haar in hun mond hebben, en er dikwijls van spreken, ten einde zelf er meer door bewogen te worden om er aan te gehoorzamen, en anderen te onderwijzen.